Rotterdamse kehilla beschrijft haar na-oorlogse geschiedenis

Een kleine kehilla met de jeroesje van een grote. Een Joodse Gemeente met een grote erfenis, dit is de balans die Paul van Trigt opmaakt wanneer hij aan de hand van archiefonderzoek en een aantal interviews de geschiedenis beschrijft van de Joodse Gemeente Rotterdam sinds 1945.
Rotterdam telde voor de oorlog circa 13.000 Joodse inwoners. Te werken aan wederopbouw begon al in de oorlog, door de energieke A.J.U Cohen. Hij maakte vanuit het bevrijde zuiden een werkprogramma voor het herstel van het Joodse leven in Rotterdam na de bevrijding. Direct na de bevrijding nam hij de functie van secretaris op zich. Daarmee volgend in de voetsporen van zijn schoonvader. Dit leidde er toe dat de eerste naoorlogse sjabbatochtenddienst al op 12 mei 1945, de eerste zaterdag na de bevrijding, kon worden gehouden in de gespaard gebleven buurtsynagoge Lew Jom. Een dag eerder werd in de Esnoga in Amsterdam de eerste dienst gehouden.

Beleving
In de eerste hoofdstukken van dit boek wordt – wellicht voor het eerst? – de inzet die de bijzondere figuur A(r)dje Cohen heeft gepleegd, belicht. Voor de herbouw van de Joodse Gemeente, het religieuze leven, de zorg voor Joodse kinderen, het pastorale werk dat hij met rabbijn Vorst op zich nam, het betrekken van Joden bij de kehilla en de verzorging van ritueel geoorloofd voedsel. Zijn naam ontbreekt ten onrechte in het ongeveer tegelijkertijd verschenen Joods Biografisch Woordenboek van de Twintigste Eeuw. Het toont aan dat geschiedschrijving over het meest dichtbije verleden, dat nog nauwelijks is afgesloten, niet op basis van archiefonderzoek alleen kan worden gedaan.
Van Trigt heeft dan ook zijn bevindingen in de archieven getoetst aan de beleving van een aantal mensen ‘dat er bij was’. Daartoe behoort Cohen niet meer, ook andere markante persoonlijkheden uit het Rotterdamse Jodendom zijn inmiddels overleden: Vorst, Hausdorff, Reisel, Frenk, Seijffers, Goldfinger, Elzas, J.I. Cohen, Van Witsen, … .

Cijfers
Van Trigt beschrijft de jaren van wederopbouw en de daarna ingezette jaren van stabilisatie. Zich vooral baserend op archiefonderzoek, daarin te vinden jaarverslagen en notulen, zijn het op veel plaatsen de cijfers die hij laat spreken. Bijvoorbeeld over het aantal leerlingen: 50 in 1946, 70 in 1948, 88 in 1949, 123 in 1954 (na de ingebruikname van het nieuwe gebouw), 60 in 1986, 40 in 1990, 35 in 2005.

Tijdens de installatie van rabbijn A. Hutterer, 1976

Wat is groot?
Aan de hand van een aantal in ieder hoofdstuk terugkerende thema’s beschrijft Van Trigt de ontwikkelingen in Rotterdam; het onderwijs, het bestuur, het religieuze leven, enz.
Het beeld dat Van Trigt schetst is dat Rotterdam te maken had met de erfenis ooit een grote Joodse Gemeente zijn geweest en nu een kleine gemeente is. Op zich begrijpelijk, maar in de context van het na-oorlogse Nederlandse Jodendom geen bijzonder fenomeen. Wat is groot, wat is klein? Afgemeten tegen de problematiek bij buurman Den Haag, bij grote(re) broer Amsterdam, of bij kleinere kehillot als Bussum, Haarlem, Amersfoort of Utrecht, had en heeft ieder van die gemeenten even zo goed te maken met het feit dat het de erfenis van een grotere gemeente draagt en in vergelijking daar mee nu een kleine gemeente is.

Gedragen
Van Trigt noemt herhaaldelijk de stroom aan emigratie vanuit Rotterdam. Naar Israel, naar andere landen of naar Amsterdam. Desondanks bleef het Joodse leven toch steeds gedragen worden. Misschien is dit een punt dat in Rotterdam anders, sterker, is geweest dan elders. In zijn inleiding merkt Van Trigt op dat hij zich bij het schrijven heeft laten leiden door de wens van het bestuur van de Joodse Gemeente Rotterdam om hen die zich hebben ingezet of inzetten voor de kehilla een plek te geven in dit boek. Dat het steeds nieuwe mensen waren, die de gaten vulden van weggetrokken actieve gemeenteleden, komt minder tot uitdrukking. Het zijn in veel gevallen ‘eerste generatie’ Rotterdammers geweest die zich de geen woorden maar daden mentaliteit snel eigen maakten en hun schouders hebben gezet onder de Rotterdamse kehilla.

Snel aanwijsbaar
Van Trigt heeft met zijn beschrijving van het Rotterdamse Jodendom in de laatste 65 jaar een belangrijke bijdrage geleverd aan de documentatie van een kleine kehilla; verhoudingsgewijs klein. Wie het nabije verleden tot object van onderzoek neemt, loopt de kans dat onnauwkeurigheden snel aanwijsbaar zijn door hen die ‘het nog hebben gemaakt’. Ook dit boek telt dergelijke details, maar deze wegen niet op tegen de waarde en de prestatie die Van Trigt heeft gepleegd. Dat zijn eindproduct waarschijnlijk uit kostenoverwegingen in een A4 slappe kaft editie is verschenen, doet hier aan afbreuk die het allerminst verdient.

Voetstappen
De Joodse Gemeente Rotterdam bood de leden van de Permanente Commissie van het NIK ieder een exemplaar aan. In hun dankwoord schreef de Permanente Commissie: “De betekenis van dit boek is ruimer dan alleen voor de geschiedschrijving van uw Gemeente, waarvoor het op zichzelf al grote waarde heeft. Het belang van dit boek schuilt er namelijk voorts in, dat het als een van de eerste, zo niet de eerste, zich volledig concentreert op de na-oorlogse periode. Ongetwijfeld zullen monografiëen over andere kehillot volgen. Zij zullen daarmee onontkoombaar volgen in de voetstappen die door het inzicht van uw bestuur zijn gezet door de auteur van Een kleine kehilla met een grote Jeroesje.”

Ruben Vis

Een kleine kehilla met de jeroesje van een grote. Paul van Trigt, Rotterdam, 2007. Stichting Historische Publicaties Roterodamum, nr 168. isbn: 978 90 812488 1 5.
Verkrijgbaar o.a. bij 
Jad Achat.

Reacties zijn gesloten.