In Doetinchem is een monument onthuld ter nagedachtenis aan de 125 in de Tweede Wereldoorlog vermoorde Joodse inwoners van de Achterhoekse plaats.
Het Joodse monument aan het pleintje in de Boliestraat is ontworpen door Wigger Bierma. Aan de totstandkoming van het monument, dat op een heldere en aansprekende wijze de herinnering aan de verdwenen Joodse gemeenschap levend dient te houden, is gedurende vijf jaar gewerkt.
IPOR-Hoofdrabbijn Jacobs, die de onthulling verrichtte, sprak daarbij de volgende woorden uit, gevolgd door jizkor en kaddiesj. Lees HIER over de totstandkoming van het monument.
Een grafzerk zonder graf.
Vele monumenten heb ik mogen onthullen, helaas, maar een monument met een omvang als deze zat daar nog niet bij.
Waarom zo breed, waarom zo uitvoerig? Gewoonlijk is een monument kort en bondig, met een duidelijke boodschap die vaak cryptisch door middel van vorm en kleur tot uiting komt. Hier echter een klein park met beschrijvingen die vertellen over het Joodse leven van Doetinchem dat nagenoeg geheel is vernietigd en tussen die beschrijvingen een schrijnende symboliek die de verhouding aangeeft tussen de Doetinchemse Joden die de hel wisten te overleven en zij die vermoord werden: vier bloeiende bomen en negen plaatsen waar geen boom, geen stekje en geen zaadje te vinden is.
“In de nacht van 17 op 18 november 1942 hielden de Duitsers een grote razzia en pakten 68 Joden op…..”
“In april 1943 kregen de overgebleven Joodse families bericht dat ze zich zo snel mogelijk moeten melden in Vught……..”
En “toen de zusjes Mogendorff na de bevrijding van hun onderduik terugkwamen, vroegen ze bij de waarnemend burgemeester om woonruimte. Hij zei dat ze maar een baantje bij iemand in huis moesten zoeken voor kost en inwoning….”
Het is goed dat er uitleg is. Immers wie kent ze nog, de inwoners van Doetinchem die bruut uit hun gemeenschap werden weggerukt omdat ze Joden waren. Ze waren niet anders, ze waren volledig geïntegreerd, ze woonden hier al eeuwen. En de meesten van hen konden en wilden niet geloven wat hun einde zou zijn….
Als een dominee of een pastoor een volle begraafplaats ziet, huilt hij. Ik, als rabbijn, huil omdat ik, ook hier in Doetinchem, een begraafplaats aanschouw die niet vol is……
Hoe graag hadden de 125 vermoorde Joodse inwoners van Doetinchem hier willen rusten met hun kinderen die nog niet werden geboren en hun kleinkinderen… . generatie na generatie, zoals een normale levensloop zich voltrekt.
Wie kent ze nog? Wie weet nog dat hier voor de Tweede Wereldoorlog een Joodse gemeenschap was?
Ik ben dankbaar dat de heer Jan Berends en zijn medeleden van het Comité zich met overgave en toewijding hebben ingezet om deze herinnering tot stand te brengen.
Na onmenselijk lijden, pijn, kwelling en kommer verdwenen zij via de schoorstenen van de concentratiekampen in de duisternis van de vergetelheid. Een graf werd hen niet gegund. Maar nu krijgen ze dan toch, die Joodse burgers van Doetinchem, een eigen plekje in hun eigen Doetinchem.
Een grafzerk zonder graf.
Maar een grafzerk wordt gewoonlijk kort na een overlijden geplaatst. Hier zijn geen stoffelijke resten en is zelfs de herinnering al bijna geheel vergaan …… .
Waarom dan nog dit monument? Voor wie? Zij hebben het niet meer nodig. Hun pijn is verleden tijd, hun kommer en kwelling raakt hun zielen niet meer. Zelfs het gevoel dat hun Doetinchem hen toen in de steek heeft gelaten en wellicht verraden, speelt niet meer.
Wij, inwoners van Doetinchem, hebben deze grafzerk nodig. Niet om ervan te leren voor de toekomst, niet als een waarschuwing voor het nu, maar om stil te staan bij hetgeen Doetinchem heeft laten gebeuren. Slechts weinigen zullen actief hebben meegeholpen, weinigen waren echt fout! Maar tegelijkertijd weten we dat er helaas ook weinigen echt goed waren….de grote groep heeft het verbouwereerd en wellicht met afgrijzen laten gebeuren.
