De vrijheid van onderwijs, bijzonder liberaal

Rabbijn Raphael Evers & Ruben Vis

Wat van de tweestrijd Hirsi Ali – Wiegel (eind 2005) is blijven hangen, is dat de liberalen bijna honderd jaar geleden niet (aldus Hirsi Ali), of juist wel (volgens Wiegel) bewust op liberale grondslag instemden met artikel 23 Grondwet. Het artikel dat sinds 1917 de financiële gelijkstelling van bijzonder met openbaar onderwijs regelt.
Wie los van wat toen de overwegingen waren, kijkt naar wat het liberalisme anno nu bepleit, herkenbaar aan door de VVD in Kamers, Staten en Gemeenteraden voorgestaan beleid, ziet dat het functioneren van het bijzondere onderwijs juist tot de hedendaagse liberale kroonjuwelen zou moeten behoren.
Privatiseringsgolf

Liberale volksvertegenwoordigers en openbare bestuurders streven op tal van terreinen na dat de overheid zich terugtrekt en dat de markt of het particulier initiatief haar werk doet. De privatiseringsgolf in de afgelopen decennia zijn daarvan het meest klinkende voorbeeld: telecom, openbaar vervoer, de energiesector, het zijn sectoren waarin de overheid niet meer het alleenrecht heeft, want dat is niet meer nodig.

Nooit monopolist
En wat is de situatie in het onderwijs? Daar bestaat al bijna honderd jaar bijzonder naast openbaar onderwijs. De overheid was er nooit monopolist. De meerderheid van de scholen is van bijzondere signatuur, en vaak beter. Als dat niet uit de cito- en eindexamenresultaten blijkt, dan toch wel uit de keuze van de ouders die hun kinderen namelijk in meerderheid niet naar openbaar onderwijs heeft gestuurd.

Op afstand
Opmerkelijk genoeg wordt nu ook het openbaar onderwijs ‘bijzonder’. Waarom? De baas van de openbare school is uiteraard de overheid. De baas van een bijzondere school is een schoolbestuur, veelal het bestuur van een vereniging of stichting. In veel gemeenten wordt het openbaar onderwijs nu op afstand gezet, door er nota bene een stichtingsbestuur of een schoolcommissie de bestuurlijke leiding er over te geven. In menig verkiezingsprogramma van gemeentelijke VVD-afdelingen staat een dergelijke constructie als gewenst vermeld. Verzelfstandiging is de eerste stap op weg naar privatisering. Daarmee komt het openbaar onderwijs in de zelfde positie als het bijzondere; het zal niet meer door de staat worden gerund.

Basiselementen
Het VVD Liberale Manifest stelt terecht dat onderwijs, na de zorg voor veiligheid, openbare orde en justitie de belangrijkste taak van de overheid is. Daar hoort de van het liberalisme bekende inhoudelijke terughoudendheid op te volgen. De overheid zal niet willen bepalen wat de overtuiging van de burger is. De overheid moet wèl afdwingen dat bepaalde basiselementen in het onderwijs worden aangeleerd: de canon, de kerndoelen. Daartoe behoort uiteraard een bepaald niveau van de Nederlandse taal. Er moet worden voorbereid op actieve participatie in de Nederlandse samenleving. Zodat wie van school af komt, zelfstandig en met een adequate opleiding deel kan nemen aan het burgerlijk leven. Het onderwijs dient er voor te zorgen dat wie het af heeft gerond, in economische en sociale zin terug kan geven aan de samenleving, en niet gedoemd is om van de inzet van anderen te moeten profiteren. Laat staan die samenleving ten gevolge van in de schoolklas opgedane kennis, te bestrijden en af te breken. In een dicht bevolkt land, waar samen leven alleen al uit ruimtelijk oogpunt noodzaak is, moet de jeugd tot samen leven en samen bouwen worden opgeleid. Dat is integratie.

Grens bereikt
Maar met dat raamwerk, met die toetsbare uitgangspunten, is de grens van overheidsbemoeienis voor liberalen bereikt. Binnen dat raamwerk fungeert de vrije onderwijsmarkt zoals die al feitelijk bestaat. Scholen beconcurreren elkaar in hun streven om brugklassers te werven. En wanneer ouders er dan voor kiezen hun kind naar een school te sturen die wordt geëxploiteerd door een stichtings- of verenigingsbestuur in plaats van een door een wethouder geïnstalleerde schoolcommissie, dan is dat een recht dat liberalen als muziek in de oren klinkt. Het respecteren van de vrije keuze van ouders voor het onderwijs van hun kinderen sluit naadloos aan op liberale uitgangspunten. Ook wanneer die keuze betekent dat de onderwijsinstelling, die uiteraard zoals elke andere school heeft te opereren binnen eerder geschetst raamwerk, op een bepaalde religieuze of levensbeschouwelijke grondslag is ingericht.

Rabbijn mr drs. Raphael Evers is rabbijn van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap en rector van het Nederlands Israëlietisch Seminarium; Ruben Vis is secretaris van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap en voor de VVD lid van Provinciale Staten van Noord-Holland.

Reacties zijn gesloten.