Rabbijn Jacobs sprak bij een demonstratie tegen antisemitisme, op 9 juni in Den Haag. “Als de Jood zijn veilige omgeving moet verlaten om naar een andere, slechtere locatie te gaan, is hij niet verbaasd. Dit is helaas normaal. Maar als het kind ziet dat de Jood achteroverleunend, in vrijheid en zorgeloos aan tafel zit, dan verbaast hij zich.”
In Berlijn bestond in de 18de eeuw de gewoonte dat de burgemeester van de stad aanwezig was in het huis van de opperrabbijn bij de Seideravond, de eerste avond van het Pesach feest waarop de Uittocht uit Egypte wordt herdacht. Tijdens die viering staat de tafel vol staat met heerlijke gerechten, met wijn, iedereen zit als een vrij mens achterover leunend, het mooiste servies siert de tafel.
En dan vraagt het jongste kind: ma nisjtana halajla haze – waarmee verschilt deze avond van alle andere avonden?
De burgemeester verwonderde zich over deze jaarlijks terugkerende en beroemde vraag. Waarom stel het kind deze vraag nu? Er ontbreekt niets, alles ziet er prachtig uit en in alle rust geniet ieder van de geestelijke rijkdom. En bovenal van de geestelijke vrijheid. Daarentegen, vraagt de burgemeester, als de Joden met het Loofhuttenfeest hun huizen verlaten en gaan bivakkeren in de loofhut met gammele muren en een rieten dak, dan vraagt het kind niets?! Juist dan had hij verbouwereerd en bezorgd moeten reageren, niet nu!
Mijnheer de burgemeester, antwoordde de rabbijn, als de jood verhuist, zijn eigen en veilige omgeving moet verlaten om naar een andere en slechtere locatie te gaan, is hij niet verbaasd. Dit is helaas normaal. Maar als het kind ziet dat de jood achteroverleunend, in vrijheid en zorgeloos aan tafel zit, dan verbaast hij zich en stelt de vraag: waarmee verschilt deze avond van alle andere avonden?
En dan trekt het Joodse volk op naar de berg Sinai alwaar ze de Tora, de Bijbel, voor zich en de gehele mensheid zullen ontvangen. En daar ligt, vrienden, de kern van het probleem en de oorzaak van ons samenzijn. Bij de berg Sinai ontstond het Joodse Volk en helaas, helaas met hun ontstaan was het antisemitisme een gegeven.
Maar toch blijven we bestaan, ondanks alles: of het de inquisitie is of de Romeinen, de Grieken of de Kruistochten, de pogroms in Polen of de WO II……of het naschelden op het station van mijn eigen woonplaats Amersfoort, eergisteren.
Na de oorlog verzekerde mijn vader mij: dit zal nooit weer gebeuren. En toen, zo’n twintig jaar later, adviseerde mijn goede vader mij om er toch vooral voor te zorgen dat ik altijd cash in huis heb, in geval je moet vluchten…En voor zijn overlijden enige jaren geleden wilde hij bezorgd aan mij kwijt: pas op jongen, het kan zo weer geschieden….
Toen ik dertig jaar geleden, na studie in het buitenland, terug kwam naar Nederland werd ik nooit nagescholden, nu regelmatig. En toch sta ik hier met innige dankbaarheid. Dertig jaar geleden kwamen er in de straat weinigen naar mij toe die even vol warmte “sjalom” zeiden. Dertig jaar geleden werden er nooit bloemen naar mijn huis gebracht door niet-joden om hun solidariteit te betuigen met ons … Bijna iedere treinreis word ik heden met warmte en medeleven geconfronteerd.
En nu sta ik hier en ik mag voor u, vrienden van het Joodse volk, vrienden die bezorgd zijn over het opkomend antisemitisme dat niet ú treft maar mij, ik mag u mijn gevoelens kenbaar maken.
Ik voel alsof ik voor het standbeeld van de dokwerker sta, ik koester de vreemde gedachte dat als het ooit weer mis gaat, dat ik dan bij u mag onderduiken, ik voel grote dankbaarheid zovele vrienden te mogen aanschouwen.
