Artikel 1 Grondwet moet worden toegepast op geïntegreerden. Dat betekent dat ongelijke gevallen ook ongelijk moeten worden behandeld. NIK-secretaris Ruben Vis betoogt dat de overheid terughoudend moet zijn om zich met religies te bemoeien waar zich géén integratie- of participatieproblemen voordoen. Daarbij neemt hij zijn eigen opvoeding en die van zijn kinderen als Joden in een niet-Joodse samenleving als voorbeeld. Ruim dertig jaar geleden was Birtan het eerste Turkse kind op mijn kleuterschool. Birtan had nog nooit een kerstboom gezien. Net als ik had Birtan geen kerstboom thuis. Op de openbare kleuterschool stond in iedere klas een kerstboom. Iets waar vandaag de dag discussie over ontstaat. Toen was de openbare kleuterschool niet minder openbaar, maar Nederland nog wel eenzijdig christelijk en de kerkelijke binding groter. Birtan snelde naar de boom en greep een kerstbal heel hard vast. Birtan wist niet dat je dat je kerstballen kapot kunt knijpen.
Zo’n dertig jaar later combineren mijn vrouw en ik voor onze kinderen drie dagen per week kinderopvang met twee dagen peuterspeelzaal. Drie dagen niet-Joods, twee dagen Rosj Pina. “Hier mama, voor in de boom”, zei Michael toen hij voor Chanoeka met een mooi knip- plak- en lijmwerkje thuis kwam uit de Joodse peuterspeelzaal. En toch heb ik niet het gevoel dat ik toen, noch mijn zoon nu, een Birtan is.
Identiteit van de school onderschrijven
Wanneer ik in het NIW lees dat er ouders zijn die menen in hun recht te staan om voor hun niet-Joodse kinderen de toegang tot deze Joodse peuterspeelzaal, of in hun geval het voortgezet onderwijs gedeelte van de stichting die de hele onderwijs kolom, van 2,5 jaar tot eindexamen vwo, verzorgt, af te dwingen dan vraag je je af of die ouders werkelijk zoals zij tegenover het NIW beweerden, de identiteit van de school zouden onderschrijven. En daarom dus recht meenden te mogen gelden op toegang voor hun niet-Joodse kind. Tot de identiteit van die school behoort dat duidelijk is gedefinieerd wie van de schoolbevolking onderdeel kan uitmaken. Wanneer je zegt die identiteit te kunnen onderschrijven, maar er geen onderdeel van uitmaakt, dan aanvaard je dat de schooldeur voor jouw kind ongeopend blijft.
Laatst sprak ik daar over met dominee Ieneke Bakker van de Raad van Kerken. Dat christelijke scholen wel open staan voor niet-christelijke kinderen en Joodse scholen niet, heeft zo betoogde zij, te maken met het missionaire karakter dat aan het Jodendom ontbreekt. Ook minister Rita Verdonk had wel interesse om haar kinderen naar een Joodse school te sturen. Bent u Joods, zei ik met een verraste stem. Dan kan het, anders niet. Terwijl ze zei er mee in te stemmen dat een bevolkingsgroep wel integreert maar niet assimileert, kreeg ik niet de indruk dat zij door had dat dan zo’n minderheidsgroep ook zijn school alleen voor de eigen groep toegankelijk wenst te houden.
Terughoudendheid
De overheid zou meer moeten aanvaarden dat er mensen zijn met een religie. Mijn liberale inslag zegt mij dat de overheid terughoudendheid moet betrachten wanneer het gaat om de persoonlijke levenssfeer. Indien de inrichting van de persoonlijke levenssfeer leidt tot bijvoorbeeld schooluitval of dakloosheid, of een onevenredig groot beroep op de overheid, dan is het zaak om te trachten bijsturing in die inrichting te geven. Het is mij niet gebleken dat het karakter van de Joodse scholen daartoe aanleiding geeft. Noch dat de Joodse gemeenschap in bredere zin plotseling een gevaar voor de integratie vormt.
Regels stellen
Toch word ik in mijn werk steeds vaker met de problematiek geconfronteerd. Nog maar net met een ferme handdruk afscheid genomen van minister Verdonk, informeert een adviescommissie over vreemdelingenzaken naar de wijze waarop de opleiding van rabbijnen en religieuze leraren is geregeld bij het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap. Want de minister wil regels stellen aan de opleiding van imams. Die opleiding moet een panacee vormen tegen de influx van imams uit het buitenland. En die regels mogen uiteraard niet strenger zijn dan voor andere geloofsgemeenschappen. Ik wil de minister best onze eisen vertellen, ze zijn uiteraard niet geheim. Maar is de volgende stap dat de overheid zich gaat bemoeien met niet alleen de inhoud van een imamopleiding maar ook met die van een rabbijnenopleiding? En waarom? Simpelweg omdat ze dat ook wenst te doen voor wat de islam betreft.
Ongelijke gevallen
Een functionaris van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap zei het mij laatst treffend: Op de inburgeringscursus wordt de inhoud van artikel 1 van de Grondwet geleerd, n.l. dat gelijke gevallen gelijke behandeling behoeven. Ongelijke gevallen moeten dan niet over één kam worden geschoren. Wanneer de overheid een probleem heeft op het gebied van integratie en daarbij religie een rol speelt, beperk je dan, ook in het licht van de scheiding van kerk en staat, tot dat probleem. Los het op, ook in mijn belang. Maar laat die religies waar zich verder geen problemen voordoen, vooral met rust.
De minister van Buitenlandse Zaken beschouwt het opkomen voor de vrijheid van religie als een speerpunt in zijn mensenrechtenbeleid. Prima, maar dan ook graag als het om de binnenlandse markt gaat.
[Verschenen als Integratiecolumn in NIW, 20 mei 2005]
