Nieuw boekje van de afdeling onderwijs van het NIK
De afdeling Onderwijs van het NIK vervaardigt het lesmateriaal dat de kinderen van 4 tot en met 12 jaar (basisschool-leeftijd) gebruiken op Joodse les. Uiteraard worden daar de belangrijke zaken van het Jodendom in behandeld: feestdagen, sjabbat, kasjroet, de sjoeldienst. Maar er komen ook minder verwachte zaken aan bod. Een daar van is het onderwerp Dieren. Kinderen vinden dieren leuk, gaan graag naar de diergaarde, hebben of willen een huisdier om voor te zorgen. Maar beseffen ze wat de Joodse invalshoek is bij dit onderwerp? Drie aspecten van het thema Dieren staan centraal in het 16 pagina’s tellende leerboekje: houden van dieren, werken met en zorgen voor dieren, en, leren van dieren.
Omgaan met dieren
Aan de hand van twee pesoekiem (zinnen) in de Tora wordt uitgelegd hoe om te gaan met dieren, er voor te zorgen dat zij eerst eten krijgen en op grond van een gebeurtenis van de knecht Eliëzer die de op zoek ging naar een bruid voor Jitschak en bij Riwka kwam, dat daarentegen de mens eerst mag drinken en daarna de dieren te drinken moet geven. Er staat immers in de pasoek: Ze liet haar kruik meteen zakken en zei ‘drink, en ook uw kamelen zal ik te drinken geven’.
Werken met dieren
Ook wordt aandacht besteed aan het werken met dieren. Het land bewerken gebeurt nu met machines, in vroegere tijden trokken dieren de landbouwgereedschappen. Maar de Tora verbiedt om een rund en een ezel daar samen voor te spannen. De leerlingen worden ‘uitgedaagd’ na te denken waarom en groot en een kleiner dier niet samen de ploeg mogen trekken. De sjabbatrust geldt ook voor dieren en de pasoek waarin dat staat wordt geïllustreerd met een paard dat in een luie stoel de krant leest. Hij hoeft natuurlijk geen kiddoesj te maken of sjabbatkaarsen aan te steken, maar uitrusten mag hij wel.
Leren van dieren
Dieren worden gehouden om er mee te werken, om er van te genieten maar ook om ze te kunnen eten. Over de Joodse slachtwijze – sjechieta – wordt ook het een en ander verteld in de les over dieren.
Het hoofdstuk dat is gewijd aan het leren van dieren begint met een verwijzing naar de beracha die Ja’akov geeft aan zijn zonen en waar hij vergelijkingen trekt met diverse dieren. Ook in Pirké Awot wordt geleerd welke karaktertrekken de dieren hebben: wees zo sterk als een panter, zo vlug als een arend en zo moedig als een leeuw. De kinderen wordt geleerd de karaktertrekken in te vullen bij de juiste diersoort en ze worden gestimuleerd na te denken over het feit dat dierennamen door mensen worden gebruikt, zowel als voor- als achternaam, bijvoorbeeld Arjé (= leeuw) de Leeuw.
De les over dieren toont het Joodse aspect van een thema dat voor de kinderen uiteraard zeer bekend is, maar waarvan zij niet zo snel beseffen wat het Jodendom daar over heeft te vertellen.
