NIK uit bezorgdheid: signalen van afnemende vrijheid van godsdienst

In een brief aan kabinets-informateur mr. J.P.H. Donner en de fractieleiders van CDA, LPF en VVD heeft het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap zijn verontrusting geuit ten aanzien van signalen van afnemende vrijheid van godsdienst waarmee het kerkgenootschap zich op specifieke terreinen geconfronteerd ziet. Het NIK ervaart dat aan de uitoefening van de Joodse religie beperkingen dreigen te worden gesteld die hun precedent niet kennen. Het NIK constateert dit op grond van de belemmeringen die de overheid op lijkt te gaan werpen ten aanzien van het huwen met buitenlandse partners, de in het geding zijnde voortzetting van eeuwigdurende grafrechten en de toenemende mate waarin als Joden herkenbare personen het doelwit zijn van verbaal en fysiek geweld.

Voor al deze onderwerpen verzoekt het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap de informateur en de drie fractieleiders te bewerkstelligen dat de Joods-religieuze riten en uitingen ongestoord kunnen worden voortgezet en dat zij bij hun voornemens en in toekomstige regelgeving, waar relevant, hier ten zeerste rekening mee te houden.

De vrijheid van godsdienst is een onderwerp dat mogelijk in het kader van de kabinets(in)formatie aan de orde komt. Dit grondrecht is recent herhaaldelijk in de maatschappelijke discussie aan de orde geweest. Ook meer in het algemeen is religie, en de relevantie ervan voor de samenleving, de laatste maanden onderwerp van gesprek geweest.

Het voornemen drempels op te werpen ten aanzien van het huwen met een buitenlandse partner raakt De Joodse geloofsgemeenschap van circa 35.000 personen. Daarvan is circa tien procent eerste generatie buitenlander (zie het socio-demografisch rapport “De Joden van Nederland anno 2000”, uitgebracht door JMW).
In tegenstelling tot de kennelijke zorg omtrent integratie en opleiding van vele uit het buitenland afkomstige huwelijkspartners blijkt dat Joodse immigranten gemiddeld hoger zijn opgeleid dan de Nederlandse Joden (waarvan het rapport vaststelt dat het opleidingsniveau al bovengemiddeld is). Dit kan dus geen reden zijn hen als buitenlandse huwelijkspartners te weren. Nederlandse Joden, met name zij die zich meer dan gemiddeld bezighouden met het belijden van hun religie, hebben de behoefte buiten de landsgrenzen een huwelijkspartner te vinden. En dit eenvoudigweg omdat de groep dermate klein is en een keuze niet beperkt kan blijven tot Nederland.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegeheden is voornemens de mogelijkheid tot uitgifte van en het behoud van bestaande eeuwigdurende grafrechten ter discussie te brengen. Volgens de Joodse ritus worden overledenen echter uitsluitend in een graf met eeuwigdurend recht begraven.
Dit is dan ook de reden dat ons land circa tweehonderd Joodse begraafplaatsen telt waar zich honderden jaren oude graven bevinden. Veelal de enige herinneringen aan een actief Joods leven dat helaas heeft moeten verdwijnen. Afschaffing van het eeuwigdurend grafrecht betekent dat het voor het NIK onmogelijk dreigt te worden het begraven voort te zetten en de huidige begraafplaatsen in stand te houden, hetgeen zij als een plicht ziet ten opzichte van de grote voor de oorlog bestaande Joodse gemeenschap.

Ook wordt het NIK geconfronteerd met een andere beperking om in vrijheid de Joodse religie te uiten: de sterk in aantal en grimmigheid toegenomen aanvallen op leden van ons kerkgenootschap, omdat zij door hun uiterlijke herkenbaarheid (o.a. keppel, hoed, baard) als Joden worden gekwalificeerd. In toenemende mate voelen onze leden die dit betreft zich genoodzaakt afstand te doen van hun uiterlijke herkenbaarheden.
Tot enige jaren geleden was het uit den boze dat het dragen van ‘Joodse uiterlijkheden’ of het zich publiekelijk bekennen Joods te zijn met gevaar voor de lichamelijke integriteit gepaard ging. Nu worden onze leden nageroepen, uitgescholden, staande gehouden, bespuwd en belaagd, vanwege het enkele feit dat zij Joods zijn en als zodanig herkenbaar of bekend zijn. Een toenemend aantal Joodse kinderen op niet-Joodse scholen is angstig omdat hun Joods-zijn bekend kan raken bij mede-scholieren. Er is een stijging te herkennen van het aantal Joodse kinderen die vanwege die reden hun niet-Joodse school inruilen voor voortzetting van hun opleiding op een Joodse school.

Joden in Nederland voelen zich voor het eerst niet meer veilig hun godsdienstige gezindte als zodanig te manifesteren. Dit zijn ontoelaatbare toestanden. Het NIK is bezorgd om de eigen veiligheid en de haat die jegens de leden van het kerkgenootschap wordt geuit, maar voorts om de geuite haat jegens het westen.
Ondanks dat het naar onze inschatting gaat om (veel!) gevallen van incidentele aard, is het aan de overheid hier gericht tegen op te treden. De dieper liggende oorzaken aan te pakken achten wij een taak van de overheid en maatschappij. Wij verwerpen ten zeerste de verbinding die her en der wordt gelegd met de situatie in het Midden-Oosten. In een democratische samenleving als de Nederlandse is het ontoelaatbaar om een politieke keuze te koppelen aan verbaal en fysiek gewelddadig gedrag.

In aansluiting op hetgeen het CIDI de informateur schreef over te nemen maatregelen met betrekking tot antisemitisme in het algemeen, verzoeken wij de informateur met klem te bewerkstelligen dat aan nieuwkomers en aan kinderen in de schoolgaande leeftijd voorlichting wordt gegeven over de normen en waarden in deze van oorsprong judeo-christelijke samenleving, dat ook ogenschijnlijk kleine incidenten worden aangepakt, dat corrigerend wordt opgetreden waar geloofsvrijheid door andere mensen onmogelijk dreigt te worden gemaakt, en dat politie en justitie daadkrachtig deze vormen van discriminatie en geweldpleging bestrijden.

Reacties zijn gesloten.