TEROEMA (gewijde gave): Exodus 25:1 – 27:19. 23e parsja.
G’d draagt Mosje op het volk om gewijde gaven van allerlei aard te vragen voor de bouw van een Misjkan, `de Woning’.
Er volgen gedetailleerde voorschriften voor de architectuur van het Misjkan en de dienstvoorwerpen. Het Allerheiligste mag alleen door de Hogepriester, de Koheen Gadol, eens per jaar, op Jom Kipoer, betreden worden.
In de Aron haKodesj – de Heilige Arke – bevinden zich de Stenen Tafelen met de Tien Geboden en een Sefer Tora van Mosje Rabbenoe.
Voor of na het gouden kalf
Er bestaat verschil van inzicht tussen de verklaarders of de opdracht om een Misjkan, Heiligdom te bouwen voor of na het debacle met het Gouden Kalf gegeven werd.
De Italiaanse verklaarder Sforno (1475-1550) geeft in historisch verband aan, dat de opdracht tot het bouwen van de Tabernakel pas gegeven werd na de zonde van het gouden kalf. De bouw van de Tabernakel – als voorloper van onze tegenwoordige Sjoels – was een opdracht aan het Joodse volk om te tonen dat de zonde van het gouden kalf vergeven was.
Daling
Sforno gaat er van uit, dat het tot die tijd mogelijk was om op elke plek in relatie te treden met het G’ddelijke. Iedereen kon overal een altaar bouwen en offeren. Dat er nu een centrale plaats moest komen als heiligdom, was in feite een spirituele daling, want nu werd een spiritueel centrum nodig en moesten kohaniem (priesters) als bemiddelaars optreden bij het brengen van de offers.
Tot die tijd werden de offers door de vertegenwoordigers van het Joodse volk (de bechoriem – de eerstgeborenen) gebracht zodat iedere familie daar –via de bechoriem – deel aan kon hebben.
Stijging
Volgens Maimonides (1135-1204, Egypte) was de bouw van een Heiligdom echter een stijging. De offerdienst was daarin nodig, omdat de Joden dit zo voor zich hadden gezien in Egypte. Op deze manier werden ze langzamerhand losgeweekt van de Awoda Zara, de afgodendienst.
Maar volgens deze benadering was het feit, dat het Joodse volk binnen de kortste weer tot afgoderij verviel, een ernstige teleurstelling. De twee menselijke neigingen van opbouw en afbraak, solidariteit en verdeeldheid, herstel en verval lijken elkaar in een golfbeweging op te volgen.
En ieder jaar weer weten al op voorhand hoe Mosje Rabbenoe, de opbouwwerker van Am Jisra’eel in een afbraakscene van degeneratie en geestelijke degradatie terechtkomt. Het doet me ieder jaar weer denken aan Kropotkin – aan de ene kant een idealist maar behept met een zwaar fatalistische inslag.
Cyclus van opbouw en afbraak
Peter Kropotkin (1842-1921) was een Russische anarchist en ontdekte – anders dan Darwin – dat hulp en solidariteit essentieel zijn voor de mens en wij ertoe geneigd zijn ons sympathiek, onbaatzuchtig en opofferingsgezind op te stellen. De moderne staat vond hij een groot obstakel op weg naar onbaatzuchtigheid, vrijheid en gelijkheid. George Bernard Shaw stelde eens, dat Kropotkins enige tekortkoming zijn eeuwige uitroep was, dat “over twee weken de oorlog zou uitbreken”. Uiteindelijk gebeurde dat natuurlijk wel eens. Hij was geen profeet maar kreeg toch gelijk want hij hield het lang genoeg vol.
De uitdaging
Die cyclische stijging en daling van onbaatzuchtigheid naar agressie en weer terug, van geestelijke stijging en spiritueel verlies, van Tora naar gouden kalf, kunnen ons depressief stemmen en het gevoel geven, dat `het allemaal toch geen zin heeft’.
Maar we weten, dat Hasjeem, G’d niets voor niets heeft geschapen, dus ook niet die eindeloze reeksen van opbouw en afbraak. Die kunnen alleen maar een uitdaging vormen.
Stijgende lijn
Volgens de Maharal van Praag moet men zich de tijd niet als een lange doorlopende lijn voorstellen maar als een spiraal, die steeds verder en hoger voert. Ieder jaar passeren wij weer dezelfde gebeurtenissen, die iedere generatie al eens heeft doorgemaakt. Het is een ‘back to the roots’ in opgaande beweging.
De aantrekkingskracht van de Tora ligt juist in de ontmoeting met onszelf en onze oorsprong: vrijheid door gebondenheid aan het Hogere. Maar het gouden kalf laat geen moment los en ligt altijd op de loer. Het is niets en niemand minder dan de materiële jetser hara, de aardse neiging tot fysieke expansie.
De materialen van de Aron hakodesj
De enige continue remedie tegen afbraak en verval is constante spirituele groei. Rabbiner Hirsch ziet dit aangeduid in de materialen van de Aron hakodesj, de Heilige Arke. In de Arke lagen de Stenen Tafelen maar de Arke was van hout. Hout bloeit en groeit door in zijn natuurlijke omgeving: “Niet de Tora maar wij worden vergeleken met hout. De Tora werd het Joodse volk gegeven om zich daarmee en daarin te ontwikkelen en verder te komen” (25:10).
De kern van de Tora staat vast als het steen van de Stenen Tafelen, de Loechot habriet. Maar het leven, dat zich daar om heen ontwikkelt, is dynamisch en blijft constant in beweging.
Draagbalken
De Netsiev, Rabbi Naftali Zwi Jehoeda Berlin, gaat dieper in op de betekenis van de speciale opdracht om draagbalken aan te brengen, die wel gegeven wordt bij de Aron hakodesj en het buitenste altaar maar niet bij het binnenste altaar, het reukwerkaltaar en bij de sjoelchan, de tafel, waar de toonbroden op lagen.
Het reukwerkaltaar en de sjoelchan symboliseren respectievelijk kehoena (priesterschap) en meloecha (koningschap). Deze twee kwaliteiten hebben we na de verwoesting van het Beet hamikdasj, de Tempel niet mee kunnen nemen in het goles, de ballingschap. Maar de Aron hakodesj, die de Tora voorstelt en het mizbe’ach, het altaar, dat avoda, de dienst aan Hasjeem representeert waren wel transportabel en werden meegenomen op de lange zwerftocht van het Joodse volk in de vaart van de volkeren.
Tora en avoda zijn altijd bij ons gebleven, waar we ook gingen. Kehoena (priesterschap) en meloecha (koningschap) kunnen alleen tot bloei komen in het land van de Sjechina, Erets Jisra’eel.
Verdinglijking
“En zij zullen voor Mij een heffing nemen” (25:2). Rasji legt hierbij uit dat `voor Mij’ betekent dat deze heffing lesjeem Sjamajiem (met zuivere religieuze bedoelingen) moet geschieden. Bij de bouw van het Misjkan loerde het gevaar van het toekennen van kedoesja (heiligheid) aan dingen, objecten en materie, los van hun heilige bron, Hasjeem.
Voorwerpen, zoals een Sefer Tora kunnen kedoesja (heiligheid) krijgen. Maar wij mogen hierbij nooit vergeten, dat de kedoesja van iedere zaak voortvloeit uit de kedoesja van de Sjechina, de G’ddelijke Aanwezigheid.
Een Sefer Tora kan alleen kedoesja krijgen als het voor de volle honderd procent voldoet aan de hilchot ketiva, de voorschriften hoe een Torarol geschreven moet worden. Alleen dan is dit concrete object verbonden met de Bron des Levens, de Mekor HaChaim, G’d. En dat is alleen zo omdat G’d dat zo gewild heeft. Niet omdat wij dat zo denken of graag willen zien maar alle kedoesja komt alleen vanuit G’d Zelf. We kunnen Hasjeem alleen kennen en Zijn kedoesja deelachtig worden door Hasjeem Zelf.
Vanwege de Sjechina
Maimonides verwoordt het zo treffend met het oog op de kedoesja van Jeruzalem en de Tempelberg: “De kedoesja van het Heiligdom en Jeruzalem is vanwege de Sjechina, en de Sjechina is nog steeds aanwezig” (hilchot beet habechira 6:16). Wij davvenen (bidden) niet tot mensen, overledenen of dingen. Wij vrezen de Tempelberg niet en zijn niet bang voor demonen. Wij davvenen uitsluitend tot G’d en tot niemand of niets anders.
Het is zeker zo, dat bepaalde plaatsen kedoesja krijgen omdat het Opperwezen daar sterker mee verbonden is dan met andere plaatsen. Maar ook het Misjkan in de woestijn of de Tempel te Jeruzalem zijn alleen plaatsen, die een brandpunt of focus voor onze gebeden vormen omdat wij aannemen, dat daar de `poort van de Hemel’ gevestigd is en onze gebeden via deze plaats ten Hemel stijgen.
Contactpunt
Net zoals in het menselijk lichaam er ergens een contactpunt moet zijn tussen lichaam en ziel (we nemen meestal aan, dat dat contact ergens in de hersenen gelegd wordt) zo ook bestaat er een contactpunt tussen G’d en de wereld. Dat is de Tempelberg.
Daar droomde Ja’akov van Engelen, die op- en afdaalden. De opstijgende Engelen brachten onze gebeden voor G’ds Troon en de afdalende brachten G’ds zegeningen naar beneden.
Geven en nemen
Opmerkelijk blijft, dat bij de donaties voor het Misjkan in de openingszin van Teroema staat dat, men ‘voor Mij zal nemen’ en niet dat men `voor Mij zal doneren’.
Wij doneren wel iets, inderdaad, maar in de schaduw van het G’ddelijke blijven we voornamelijk nemen. Wanneer wij ter ere van G’d iets doneren, krijgen wij kedoesja terug van HaSjeem. Dit betekent `zij zullen voor Mij nemen’. Wij nemen van HaSjeems heiligheid iets mee wanneer wij doneren. Hoe intenser men doneert, hoe meer kedoesja men ontvangt.
Daarom staat er in de eerste pasoek waar gesproken wordt over iemand die vrijwillig geeft, duidelijk `jullie zullen Mijn heffing nemen’. Dat wil zeggen: we nemen als het ware een teroema, heffing van HaSjeem mee van onze donaties.
In de tweede pasoek, waar gesproken wordt over verplichte gaven, staat de heffing en niet Mijn heffing. Dit geeft aan dat de mate van vrijgevigheid onze kedoesja bepaalt.
Veelkleurige religie
“En Tachasj-vellen” (25:5). De Tachasj-vellen vormen de bedekking van het Misjkan. In de Talmoed (B.T. Sjabbat 28a) staat er dat de Tachasj een soort kameleon was, die zich verheugt in zijn kleuren. Hier wordt de veelkleurigheid en pluriformiteit in de religie benadrukt.
Iedereen dient HaSjeem op zijn eigen manier naar zijn specifieke karaktereigenschappen. Dit is juist het mooie van de `gemeente der gelovigen’ dat wij toch een eenheid vormen hoewel iedereen zo zijn eigen opvattingen koestert.
Daarom vormden de Tachasj-vellen de bedekking van het Heiligdom. Op die manier werd het Misjkan inderdaad één.
Zionsliefde
“En Sjita-hout” (25:5). Rasji legt uit dat Ja’akov voorzag dat de Joden eens een Misjkan in de woestijn zouden bouwen. Hij bracht cederhout mee naar Egypte en plantte het daar. Hij gaf zijn kinderen opdracht ze mee te nemen toen ze uittrokken uit Egypte. Waarom moest Ja’akov cederhout meenemen naar Egypte? Ja’akov bracht sjita-hout uit Israel mee naar Mitsraim om zijn chibat ha’arets, zijn liefde voor het Heilige Land te benadrukken.
“Maakt Mij een Heiligdom, zodat Ik te midden van jullie kan wonen … en maakt een heilige Arke” (25:8-10). Ramban (13e eeuw) stelt, dat de opdracht om een Aron hakodesj te maken een zelfstandige mitsva (gebod) is terwijl het vervaardigen van de andere dienstvoorwerpen geen zelfstandige opdracht vormt.
Dit heeft te maken met de heiligheid van de Tora. De Tora heeft een intrinsieke kedoesja, die uitstraalt naar de Aron hakodesj, waar de Tora in lag. De overige keliem (voorwerpen) ontleenden hun betekenis en kedoesja aan het Misjkan als geheel. De Aron hakodesj werd gedragen door de zonen van Kehat. Het woord Kehat betekent concentratie (vgl. Genesis 49:10). Alles concentreerde zich rondom de Heilige Arke.
Na de verwoesting van de Tempel werd de Heilige Arke verborgen. Toen kwam de Mondelinge Leer tot ontwikkeling en bloei. Nu concentreert de Sjechina en de kedoesja zich voornamelijk rond de plaatsen waar de Mondelinge Leer bestudeerd wordt omdat “G’d in deze wereld slechts plaats heeft in de vier ellen van de halacha” (B.T. Berachot 8a).
Cherubijnen
Op de Aron Hakodesj stonden twee cherubijnen, Engelen met kindergezichtjes, die hun vleugels naar boven uitspreidden (25:20). Volgens Maimonides toonden de cherubijnen symbolisch aan, dat Engelen inderdaad bestaan. Deze Engelen brengen als boodschappers woorden van G’d over aan de profeten. Door Engelen wordt profetie mogelijk.
Om dit geloof te versterken, heeft G’d opgedragen om de Heilige Arke met twee Engelenvormen te tooien. De ene cherubijn had het gezicht van een jongetje en de andere dat van een meisje. Of de cherubijnen werkelijk een mannelijke en vrouwelijke vorm hadden is onduidelijk maar het zou kunnen zijn, dat onze Chagamiem, Wijzen slechts stellen, dat zij de liefde van een jongetje en een meisje uitstraalden maar dat zij niet werkelijk de vorm van een jongetje en een meisje hadden. Hoe het ook zij, in ons heiligdom staan de kinderen centraal!
