Bo 5770

BO (kom) De hovelingen van Farao zijn wanhopig. Toch blijft Farao weigerachtig. Wel wil Farao de mannen laten gaan, maar dat weigert Mosjee. Daarna overvallen sprinkhanen het land. Wat er nog over was van veldgewas en bomen vreten de sprinkhanen aan. Desondanks volhardt Farao in zijn weigering. Dan daalt een tastbare duisternis over het land maar ook dat verandert Farao’s houding niet. Dan volgt een uitgebreide instructie over het Pesachoffer (waarvan het bloed aan de deuren gesmeerd moet worden) en het wegruimen van het gezuurde (chameets). Tenslotte sterven alle eerstgeborenen van Egypte van zowel mens als dier. Na deze verschrikkelijke gebeurtenis dringt Farao er bij Mosjé en Aharon op aan ogenblikkelijk te vertrekken. Hierna volgen de geboden van Tefillien en het lossen van mens en dier.

►`Hasjeem zei tot Mosje:”Ga tot Farao want Ik heb zijn hart en dat van zijn dienaren onvermurwbaar gemaakt, opdat Ik Mijn tekenen onder hen zal kunnen tonen” (10:1).
Tussen de parsja en de actualiteit is altijd een verband aan te wijzen. De oproep om Geert Wilders of het Vlaams Belang te veroordelen bijvoorbeeld. G’d mag mensen beledigen maar mensen onderling mogen dit niet. Farao wordt intens vernederd door het Opperwezen.
Niet alleen in zijn tijd maar tot op de dag van vandaag moeten we dat duidelijk maken:”En u moet aan uw kinderen en uw kleinkinderen vertellen, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan en welke tekenen Ik onder hen verricht heb opdat jullie zullen weten dat ik G’d ben” (10:2).
►De Joodse wet verbiedt roddelen en beledigen. Vrijheid van meningsuiting betekent nooit dat je je beledigende frustraties op iemand anders mag botvieren. Maar dat werkt wel twee kanten op, uiteraard.
►Erkenning van en respect voor andermans rechten en vrijheden moet iedereen, die rechten voor zich¬zelf opeist, altijd voor ogen staan.
Dit leidende beginsel werd reeds in de Talmoed verwoord door Hilleel toen hij door een heiden gevraagd werd de hele Tora te onderwijzen, staande op één voet. Hilleel zei: “Wat gij niet wilt dat U geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dit is de essentie van de wet – de rest is toelichting” (B.T. Sjabbat 31a).
►Wetgeving is gericht op zelfbeperking. Zelfbeperking is uiteindelijk erkenning en respect voor de eigen rechten.
Vrijheid van meningsuiting moet dus zeer zorgvuldig gehanteerd worden. Zelfs Mosje en Aharon – hoewel ze gezanten waren van G’d – moesten de kindermoordenaar Farao toch met veel eerbied benaderen. Anderen zwart maken is in vrijwel ieder rechtsstelsel verboden. Dan geldt dit toch zeker voor zaken, die hele bevolkingsgroepen ernstig kwetsen.
►Relativering en enige minzame zelfspot was bij ons echter altijd onderdeel van onze traditie. Maar dat is onze eigen verdienste. Dat anderen dat niet kunnen opbrengen, kunnen wij ze niet altijd verwijten. Nee, er bestaat geen recht om (nodeloos) intermenselijk te kwetsen. Maar G’d mag mensen op hun nummer zetten. En dat gebeurde ook in Egypte.
►Leed is onvergelijkbaar. Naqba en Auschwitz mogen nooit verward worden. Vandaar dat ook iedere vorm van leedvermaak bij ons verboden is. Geen juichende menigten op de daken in Tel Aviv als Israël eindelijk – na 8 jaar bombardementen – eens de bomnesten het zwijgen probeert op te leggen: “Verheug je niet wanneer je vijand valt” (Spreuken 24: 17).
►Soekot heet zeman simchatenoe (tijd van onze vreugde). Maar op Pesach roepen we de simcha niet van onze daken. We vieren onze onafhankelijkheid na de Exodus. Maar omdat dit ten koste ging van de Egyptenaren, onze beulen, juichen we niet. Bij het uitspreken van de 10 plagen dippen we op Seideravond onze vinger in de wijn om te tonen dat wij niet blij zijn, ook niet met de slachtoffers van de andere zijde. Daar kunnen onze neven nog wat van leren.

Wij zijn het volk van het Boek.
Zeker op de langere termijn mogen wij ons niet verlagen tot het niveau van onze vijanden. Joodse solidariteit is de enige overlevingsstrategie, die 3400 jaar geleden zijn vruchten afwierp en nog steeds werkt. Gelukkig is de solidariteit ook nu nog groot. De identiteit van het Joodse volk in Egypte kwam tot uitdrukking in vier dingen; zij veranderden hun namen en taal niet, waren ingetogen op seksueel gebied en er waren geen verklikkers onder hen (Vajikra Rabba 32:5). Al deze aspecten duiden op eenheid en saamhorigheid. Niemand wilde die eenheid doorbreken, zelfs al zou dat veel lijden kosten. Daarom bewaarden ze hun namen ook. Want daarmee komt hun volksopdracht tot uitdrukking: Re’oeveen – omdat dat aangeeft: “Ik heb de ellende van mijn volk gezien”, Sjimon – want dat gaf aan dat: “Ik hun geschreeuw heb gehoord”, etc.

►Ivriet als gemeenschappelijke taal verenigde het volk verder. Geen enkele inbreuk op het seksuele moraal werd getolereerd. Het reine familieleven hield assimilatie buiten de deur. En er waren geen verklikkers. Maimonides zegt: “Verklikkers hoefden niet eens opgesomd te worden onder degenen die niet geschikt zijn om te getuigen. Slechte mensen worden genoemd en afgekeurd maar deze mensen hebben geen deel in de toekomstige wereld. Zelfs wilde dieren kennen nog een bepaalde solidariteit, omdat ze hun eigen soort niet aanvallen”.

“Daarom zij het tot teken op je hand en een herinneringsband tussen je ogen, dat G’d ons met sterke hand uit Egypte heeft gevoerd” (13: 16).
In Bo komt de mitsva van tefilien (gebedsriemen) tweemaal voor. Tefilien benadrukt, dat wij in G’ds evenbeeld zijn geschapen. Rav Ada zei in naam van Rabbi Jitschak: „Waar vinden we dat G’d tefilien draagt?’ Er staat geschreven (Jesjaja 62:8): „G’d heeft gezworen bij Zijn rechterhand en bij de arm van Zijn kracht.’ De arm van Zijn kracht is tefilien zoals er geschreven staat in de Psalmen (29:11):„G’d geeft kracht aan Zijn volk”.
►Maar waar vinden we dat tefilien Israëls kracht zijn? Omdat er geschreven staat (Deut. 28:10): „En de volken van de aarde zullen zien dat G’ds naam op u genoemd wordt en ze zullen bang zijn voor u.’ De grote Rabbi Eliezer zei: „Dit slaat op de tefilien van het hoofd.’
Rabbi Nachman bar Jitschak vroeg Rabbi Chia bar Avin: „En wat staat er in de tefilien van de Heer der wereld?’.
Hij antwoordde dat G’ds tefilien de vers uit I Kronieken 17:21 bevat: „Wie is als Uw volk Israël, één volk op aarde, die door G’d gelost werd voor Hem als een volk om Zichzelf een naam te maken door grote en indrukwekkende wonderen’ (B.T. Berachot 6a).
►Onze materiële tefilien zijn een tegenhanger van de Hemelse tefilien. In elk detail weerspiegelen ze G’ds spirituele tefilien. Wanneer we tefilien dragen, projecteren we onszelf in dat G’ddelijke beeld, dat ook tefilien draagt. Wij imiteren het G’ddelijke. Daarom zijn er zo ontzettend veel details bij de tefilien. Elk detail in onze tefilien heeft een tegenhanger in de Hemelse tefilien. We moeten de tefilien werkelijk leggen. Alleen maar mediteren op de betekenis van tefilien is te weinig.

►In zijn boekje over tefilien vraagt Rabbijn Aryeh Kaplan: waarom is er kwaad in de wereld? Zonder kwaad heeft de vrije wil geen betekenis. Willen wij zoveel mogelijk op G’d lijken, dan moeten wij zoveel mogelijk vrije wil hebben. Daarom is het kwaad geschapen. Zonder keus tussen goed en kwaad zouden wij slechts robotten zijn. Wijsheid is alleen maar goed omdat er ook domheid bestaat. Licht wordt alleen gewaardeerd als er ook duisternis is. Onze hele wereld bestaat uit tegenstellingen (Prediker 7:14).
►Het kwaad is dus noodzakelijk op deze wereld. G’d gaf kwaad zo min mogelijk macht. Het hangt aan een draadje. Maar de mens kan het kwaad cultiveren. Dan groeit het. Dit is de symboliek van het haar in G’ds tefilien (de teksten op perkament in de tefilien worden in de huisjes gerold met kalfshaar en haar steekt uit de tefilien).
►Haar is dood: je kunt het ongemerkt afknippen. Toch komt het uit iets levends voort. Het is de dood die voorkomt uit het leven. Hetzelfde geldt voor het kwade. Hoewel het zelf dood is, komt het uiteindelijk van de Bron van al het leven. Het aardse bestaan eist kwaad. Het haar zit dus midden in Zijn hoofdtefilien. Maar het is slechts een miniscuul haartje. Kwaad krijgt zo min mogelijk toegang. Het is het minimum, minimaal om de vrije wil te waarborgen. Toch is het o zo sterk. Dit haartje verbindt al het kwade met het heilige. Het vormt het kanaal waarlangs al het kwade weer teruggebracht kan worden tot het goede, kan worden gesublimeerd en gelost. Hoe kwaad men ook doet, G’d staat altijd klaar om de zondaar te ontvangen, wanneer hij tot inkeer komt. Want G’d haat het kwaad maar niet degene die kwaad doet: van hem hoopt G’d op inkeer. Wanneer we in de Toekomstige Wereld komen, moeten we allereerst G’d recht in de ogen kijken. De meeste mensen ervaren een diepe schaamte. Ze hebben tegen G’d gerebelleerd.
►Deze brandende schaamtegevoelens zijn de vuren van Gehinom. Iemand die niet volledig verdorven is, ervaart dat Gehinom slechts voor korte periode. Dan wordt hij bevrijd. Het haartje in de tefilien dient als verbinding van het kwade met het heilige, zodat de mens die tefilien draagt, kan worden bevrijd. Zonder tefilien kan de zondaar niet volledig terugkeren naar het heilige. Het is het levenslijntje dat het contact met het hogere altijd onderhoudt. Steeds is er een weg terug. Zolang we deze levenslijn vasthouden is er altijd hoop.

“En je moet je zoon op die dag vertellen en zeggen: “Het is om hetgeen Hasjeem mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte trok” (13:8).
Ba’avoer ze asa Hasjeem li. Ba’avoer zè – vanwege dit. Maar wat is dit `dit’? Volgens Rasji slaat dit op de mitsvot – geboden uit de Tora, zoals bijvoorbeeld het Pesach-offer, de matsa en maror, die voor ons liggen. Het lijkt wel alsof deze mitsvot het doel van de Exodus vormen. Maar zij we uitgetrokken uit Egypte teneinde deze mitsvot te kunnen doen? Als je er goed over nadenkt, lijkt het omgekeerde juister: wij houden de mitsvot om de Exodus te herinneren! Ba’avoer zè’ betekent teneinde of om. Het geeft het doel van een daad aan. Rasji voegt het woord `bijvoorbeeld’ toe. Wij zijn uitgetrokken om de mistvot te kunnen doen, zegt de vader aan het kind aan de Seidertafel. Ba’avoer ze zijn de mitsvot, die een doel op zichzelf vormen.
Maar volgens Nachmanides (Ramban, 13e eeuw) zijn Pesach-offer, de matsa en maror herinneringen aan de Exodus en slaat Ba’avoer zè op G’ds wonderen. Wij houden de mitsvot vanwege alles dat G’d voor ons gedaan heeft. Volgens de Kabbalistische uitleg slaat `zè’ op `zè keli ve’anvehoe’ – de Sjechina. Wij doen alles vanwege de Sjechina, de G’ddelijke Aanwezigheid op aarde. G’d gaf ons de Tora om zijn verborgen Aanwezigheid hier te openbaren.

(Verschillende gedachten zijn ontleend aan de Rasji verklaring van Avigdor Bonchek, Feldheim Pbl. 1999)

Reacties zijn gesloten.