Sjemot 5770

SJEMOT (namen): De kinderen van Ja’akov hadden zich zeer sterk vermeerderd. Farao wordt bang en maakt hen tot slaven. Hij geeft de vroedvrouwen opdracht pasgeboren zoontjes te doden. Zij doen dit echter niet. Een Leviet, Amram, huwt een vrouw uit dezelfde stam en zij krijgen een zoontje, dat in een waterdicht mandje in de Nijl wordt gezet.
Batja, een dochter van Farao vindt hem, redt hem en de grote zus van de baby, Mirjam, biedt aan een voedster voor hem te vinden. Later brengt ze hem naar Batja, die hem Mosjé noemt. Volwassen geworden ziet Mosjé hoe een Joodse man geslagen wordt door een Egyptenaar. Hij brengt hem ter dood en verbergt hem onder het zand. Hij begrijpt dat zijn leven in gevaar is en vlucht naar Midjan, waar hij gastvrijheid vindt bij de priester Jitro. Hij huwt zijn dochter Tsippora en zij krijgen twee zonen.
Dan wordt Mosjé geconfronteerd met het brandende doornbos, waar G’d hem opdraagt het Joodse volk naar het Beloofde Land te leiden. Mosjé verzet zich tegen deze opdracht en denkt dat het volk hem niet zal geloven, maar G’d geeft hem drie wonderen, zodat het volk hem wel als gezonden zal geloven.
Ook zegt Mosjé dat hij een slechte spreker is; G’d belooft dat Aharon zijn woordvoerder zal zijn. Mosjé, Tsippora en hun zonen gaan op reis, maar onderweg treedt G’d tegen Mosjé hard op; Tsippora begrijpt dat één van hun zonen nog niet besneden is en volvoert de operatie haastig.
Aharon en Mosjé gaan samen naar Farao en bepleiten de vrijlating van het volk maar Farao treft nog hardere maatregelen. Het volk raakt ontmoedigd en maakt de broers verwijten, maar G’d belooft zijn kracht te tonen.

“Dit zijn de namen van de kinderen Israëls, die met Ja’akov naar Egypte kwamen” (Sjemot 1:1).
“In korte tijd kan men heel veel goeds verliezen”. Een goede opvoeding beklijft niet altijd. Ramban noemt het boek Sjemot het boek van goles (ballingschap) en bevrijding. Maar in feite wordt er relatief weinig aandacht besteed aan de slavernij. Sjemot staat voornamelijk in het teken van de ge’oela, de bevrijding.
Toch moge duidelijk zijn, dat een relatief korte ballingschap van 210 jaar – wij zitten al bijna 2000 jaar in goles – een geweldige spirituele schade veroorzaakte. Slechts een-vijfde van de Joden trokken uit. Stel je voor: 80% van de Joden bleef in het land van hun verdrukkers. Acht op de tien Joden bleef volledig geassimileerd achter. Ook zij, die uittrokken, de dor midbar, de generatie van de woestijn, kwam vaak en onredelijk in opstand tegen Mosje en Aharon en rebelleerde regelmatig tegen het Opperwezen. Het ware geloof leek verdwenen. In Egypte had het Joodse volk een enorme geestelijke knauw gekregen en een spirituele dip opgedaan.
Vandaar dat ze doorlopend moesten blijven stijgen om de morele schade weer in te halen. Dit ligt kort maar krachtig aangeduid in de belofte, die Hasjeem aan Ja’akov geeft wanneer hij aarzelt of hij naar Egypte moest afdalen: “Ik Zelf ga met je mee naar Egypte en Ik Zelf zal er je ook zeker weer vandaan laten trekken” (Bereesjiet 46:4). De Tora gebruikt hier een dubbele uitdrukking van optrekken en stijgen. Dat was ook wel nodig. Want hun ethisch en religieus niveau had onnoemelijk te lijden gehad onder het Egyptische juk.
Dit is helaas geen wijsheid uit een lang vervlogen verleden. Ook tegenwoordig nog moeten wij doorlopend tegenwicht bieden aan vreemde culturen en opvattingen, waarmee wij en onze jeugd dagelijks geconfronteerd worden.

“die met Ja’akov naar Egypte kwamen” (1:1).
Eigenlijk had hier moeten staan, dat zij samen met Ja’akov afdaalden. En niet, dat “zij kwamen”. Maar inderdaad: zij daalden voorlopig niet af. Omdat zij met hun vader Ja’akov kwamen en dicht bij hem bleven, kon hen in eerste instantie niet veel gebeuren. Een tsaddiek in de buurt zorgt er altijd voor, dat het spirituele niveau gehandhaafd blijft. Ook al zou een zwak kleinkind wellicht tijdelijk even de weg kwijt zijn, uiteindelijk zou de grootvaderlijke zorg hem weer op het rechte pad zetten. Op ieder niveau van Jodendomsbeleving is het belangrijk een Rebbe te hebben, die het morele bewustzijn van zijn leerlingen in de gaten houdt en waar nodig, aanpast aan het gewenste niveau. Wij leven tegenwoordig in een `permissive society’, een tolerante maatschappij waar alles moet mogen en kunnen. Leven zonder beperkingen lijkt prettig maar biedt geen garantie tegen ontsporing en daling van religieus niveau. Juist in de beperking toont zich religieuze meester. Neem Sjabbat. Het Jodendom kent dan veel beperkingen. Maar juist deze grenzen stimuleren het gezins- en sjoelleven op onnavolgbare wijze.
“Toen zei Farao tegen de Hebreeuwse vroedvrouwen: als het een jongetje is, moeten jullie hem doden (1:15-16)
Waarom wilde Farao alleen de jongetjes doden? Als hij bang was voor een demografische plaag, had hij beter de meisjes kunnen doden! Een man kon meerdere vrouwen trouwen maar een vrouw kon geen meerdere mannen huwen.
De Chizkoeni (Chizkia ben Manoach, een commentator uit de dertiende eeuw) meent, dat Farao eerder een veiligheidsprobleem had. Daarom vreesde hij meer voor de mannen dan voor de vrouwen. Voor de dames had hij andere plannen. Farao wilde ze als dienstmeisjes en als bijvrouwen nemen (Sjemot Rabba 1:14/18).

Staat religie garant voor moraal en ethiek?
Farao’s plannen mislukten vanwege de G’dvrezendheid van de Sjifra en Poe’a, de Joodse vroedvrouwen. ”En omdat de vroedvrouwen G’d vreesden, volgden zij het bevel van Egypte’s koning niet op, en lieten zij de kinderen leven” (1:17). Deze G’dvrezendheid komt al eerder in de Tora voor: ”Er is alleen geen G’dvrezendheid op deze plaats, zodat zij mij zullen doden vanwege mijn vrouw” (Bereesjiet 20:11). Avraham vreesde voor zijn leven in een hoog ontwikkelde cultuur, het land van de Filistijnen waar moraalridder Avimelech heerste. Avraham legt een verband tussen religie en moraal. Als er geen G’d is, is alles toegestaan, lijkt het wel. Maar zo eenvoudig ligt de zaak helaas niet. We kennen vele ethische mensen, die niets met religie van doen hebben en we kennen ook religieuze mensen, die het niet altijd even nauw nemen met de intermenselijke ethiek. Religie en moraal onderhouden zeker geen een op een relatie. Niettemin zegt Fjodor Dostojevski (1821-1881, Rusland) het letterlijk: “Als er geen G’d is, is alles toegestaan”. De Tora legt een verband tussen geloof en ethiek. Moraal ontstaat niet in het luchtledige. Daar moet een hogere Macht achter zitten.

Een van de grootste bedreigingen voor het Jodendom was de evolutietheorie. Sinds Darwin werd het geloof zwaar op de proef gesteld. De evolutieleer staat lijnrecht tegenover de Scheppingstheorie. De “survival of the fittest” is niets anders dan een tautologie. Wie overleven? Degenen, die het sterkst of het meest toegerust zijn om te overleven. Waarom bestaat u nog anno nu? Omdat u kennelijk afstamt van mensen, die het best het hoofd konden bieden aan dodelijke omgevingsinvloeden. Het verklaart niets. Het stelt alleen maar.
Bovendien rechtvaardigt het het recht van de sterkste. De sterkste overleeft. Dat is kennelijk het enige doel hier op aarde: overleven. Ik vind zijn theorie onmenselijk. De Tora predikt liefde, recht, altruïsme en medemenselijkheid. De Grondwet van Darwin ademt de geest van een puur fysieke overlevingsstrategie en kent als enige norm: hoe overleef IK? Iedere vezel van de Tora verzet zich tegen deze totaal onethische levenstheorie.

Darwin verklaart niets. Hij schuift het probleem alleen maar een paar miljard jaar terug in de tijd. Ook hij moet ons uitleggen waar tijd, plaats en materie vandaan komen. En dat doet hij niet. Juist vele wetenschappers staan versteld van de complexiteit, systematiek, wetmatigheid en onderlinge verwevenheid van de natuur. Het Intelligente natuurDesign frappeert iedereen. Dat kan geen toeval zijn.

Mensen gingen nadenken over mogelijke alternatieven omdat de Scheppingstheorie zeer veel morele gevolgen heeft. Als je in G-d gelooft, zul je Hem ook moeten gehoorzamen. Waarom nemen zovelen Darwins theorie klakkeloos over? Darwin plaatst de Genesis enkele miljarden jaren terug. Geen eisen van G-d meer, geen normen of waarden. Maar hij lost de vraag naar het ontstaan van tijd, ruimte en materie niet op. Darwins winst is overzichtelijkheid. Een geleidelijk proces van eencelligen naar dier en mens is voor de simpele geest te bevatten en bovendien waardevrij.
Maar vroeg of laat slaat een gevoel van zinloosheid toe. Wat is het nut van alles? Wat is die drive van de ‘fittest’ (besten) om te overleven? Waar gaat dit naar toe? Waar is het einde van deze onbeperkte verbetering van de soort? Darwins aantrekkingskracht ligt in het gebrek aan waarden en normen. Zin en betekenis van het leven vervagen. Wanneer wij van eencelligen stammen, vervalt elke religieuze eis. Maar geschapen door een normerende G-d moeten wij voldoen aan allerlei hoogstaande opdrachten.
Zonder religieus besef is alles toegestaan. Religie biedt het kader. Met alle morele en ethische voorschriften van de Tora kunnen wij een verantwoorde maatschappij opbouwen. Het kan zijn, dat niet alle individuen de hoge waarden en normen kunnen halen of waarmaken. Maar het Jodendom biedt in ieder geval het kader. En erkent, dat wij als morele wezens geschapen zijn. En eist ook, dat de mens zijn morele en ethische gevoel gebruikt en praktiseert.

“en lieten zij de kinderen leven” (1:17)
Volgens de Midrasj (Sjemot Rabba 1:19) zorgden Sjifra en Poe’a niet alleen voor de kinderen maar ook voor de moeders. De Midrasj toont grote gevoeligheid voor het Joodse gezinsleven, dat zo vreselijk onder druk stond in Egypte. De Joodse vrouwen kregen enorm veel kinderen maar moesten ook meewerken in de slavernij. De Joden hadden niet kunnen overleven als er niet ontzettend veel sociale hulp onderling was geweest. Sjifra en Poe’a zagen met name daar op toe. En met succes want alleen door de enorme opofferingsgezindheid van de Joodse vrouwen is het Joodse volk bevrijd.

“En zij zag, dat hij goed was” (2:2).
Volgens sommige verklaarders zag Jocheved dat Mosje goed was omdat hij niet huilde. Het huis werd gevuld met licht bij de geboorte van Mosje. Wij huilen als onze nesjomme (ziel) moet afdalen naar deze moeizame wereld waar het bijna onmogelijk is om ons Hemels niveau te handhaven. Mosje huilde niet omdat hij begreep wat zijn taak hier op aarde was. Reeds bij zijn geboorte was zijn mesiroet nefesj, zijn opofferingsgezindheid voor Hasjeem, de Tora en het Joodse volk zo doordringend, dat het hele huis hierdoor verlicht werd.

“Ik ben geen man van het woord, zomin gister als eergisteren…het spreken valt mij immers zwaar…ik bid U mijn Heer, zend toch liever een ander” (4:10-13).
Mosje ging niet zo makkelijk over stag. De afgelopen 60 jaar, na zijn vlucht uit Egypte, had hij zichzelf tot een enorme geestelijke hoogte verheven. Volgens Maimonides was Mosje de meest uitverkoren persoon van de gehele mensheid. Als leider van het Joodse volk zou hij veel van zijn privé tijd en persoonlijke groei moeten inleveren Bovendien weigerde hij over anderen te heersen of iets van anderen aan te nemen: Zelfs geen ezel heb ik van ze aangenomen” (Bemidbar 16: 15). Daarentegen was hij intensief betrokken bij het wel en wee van zijn broeders en zusters. Zijn gevoel van opoffering voor zijn volk overwon uiteindelijk maar wat betekent “zend toch liever een ander”?
Mosje was zó overtuigd van G’ds almacht, dat het volgens hem niet interessant was wie zou gaan om de Joden te bevrijden. Als het niet uitmaakt dat Mosjé “onbesneden van lippen is” omdat G’d al deze gebreken kan verhelpen dan maakt het ook niet uit wie G’d zal sturen, omdat G’d iedereen tot een overtuigend redenaar kan maken. De verlosser van het Joodse volk kan net zo goed iemand anders zijn, omdat G’d achter de kandidaat staat: “Stuur iemand anders, want wie het ook zij, met Uw hulp zal hij al het nodige kunnen zeggen”.
Zolang G’d de zaak steunt, is het medium irrelevant. Dit is waar maar betekent niet, dat de mens zijn verantwoordelijkheid niet hoeft te nemen. De mens werd juist daarom in een onvolmaakte wereld neergezet opdat hij als partner van G’d kan helpen bij de vervolmaking van de wereld, tikoen olam. Mosjé, met zijn unieke karakter, moet hieraan meewerken. Een Joodse leider moet actief ingrijpen en mag niet alles van Boven laten afhangen.

Reacties zijn gesloten.