►De Joodse filosofie leert ons dat G-d zich met de mens persoonlijk bezig houdt en duidelijk aan het stuur blijft. Het leert ons ook dat terwijl er zeker natuurwetten bestaan, deze in stand worden gehouden door G-d’s constante betrokkenheid. Deze betrokkenheid is en blijft een dwingende gedachte. Het dwingt tot complete verantwoordelijkheid voor datgene het individu uitspookt.
Dit is de eerste stap die door de mens gemaakt moet worden! Hij moet eerst durven geloven dat G-d oneindig in hem, als individu, geïnteresseerd is! Het voornaamste verschil tussen toeval en voorzienigheid is dat voorzienigheid aan een individu gekoppeld is, toeval niet. Voorzienigheid heeft direct te maken met de heerschappij van een Almachtige G-d. Een Almachtige die bestuurt en de mens verantwoordelijk stelt voor zijn eigen acties en keuzes.
Dat er voor de mens sprake is van actie en reactie. Anderzijds kan het tegelijkertijd een heel rustgevende gedachte zijn. Omdat, ondanks het ontbreken van het menselijk begrip, er ook voor alles wat zich buiten de persoonlijke verantwoordelijkheid bevindt een duidelijke en logische beredenering is. Als mens kan men niet alles volledig begrijpen omdat het beperkte cognitieve vermogen en het ontbreken van het complete beeld intrinsiek is aan het mens zijn.
►In een discussie tussen Mosje en G-d, (Exodus 33:18-23) wordt door Mosje gevraagd om het doel van het leven te tonen. Hij stelde de vraag des levens, “Laat mij dan toch Uw G-ddelijke verschijnen aanschouwen!” In simpele taal “laat mij begrijpen wat ik niet begrijp!”
►Het antwoord was, “U kunt Mijn gezicht niet aanschouwen, want een mens kan Mij niet zien en blijven leven” (33:20). Toch zag Mosjé G’ds achterkant, het doel wat aan Zijn rechtvaardigheid ten grondslag ligt. G’d zei tegen Mosjé: “Ik zal je tonen waarom de goeden lijden en de kwaden zoveel succes hebben.” Ik zal je proberen uit te leggen dat Ik het allemaal in de hand hebt. G’d toonde Mosjé zijn achterkant (volgens de Talmoed was dit de knoop van Zijn Tefilien. In een andere Talmoedische uitspraak lezen we, dat de profeet Job nooit echt heeft bestaan, en dat het boek door Mosje geschreven is om juist dit onderhoud met G-d verder uit te werken.)
►G’ds rechtvaardigheid bestaat uit twee tegengestelde krachten: liefde en gestrengheid. G’d stuurt de krachten van de geschiedenis, tot in de kleinste details. De geschiedenis (gesymboliseerd in G’ds achterkant) is uiteindelijk verbonden met het doel van de mensheid in het algemeen en het individu in het bijzonder. G’d leidt de wereldgeschiedenis om Zijn uiteindelijke doel met de schepping te bereiken. Dit zijn de feiten! Van te voren kan je het niet allemaal vatten, achteraf bekeken in de concepten van de wereldgeschiedenis “it all makes sense!”
►Toeval is heel vrijblijvend. Het is en blijft ook heel onpersoonlijk. Als de mens niet gelooft in een hogere macht die deze wereld bestuurt en coördineert dan is hij aan het noodlot en toeval overgeleverd (Het is bijna een soort seculiere religie, alsof de leegte gevuld moet worden met iets dat toch zin geeft in een onzinnig bestaan). Onze geschiedenis en toekomst worden dan door het lot bepaald.
En hoewel het lot mij mogelijk goedgunstig gezind kan zijn, kan het ook heel ongelukkig uitvallen. Geluk hebben betekent dan dat het lot in jou voordeel werkt, dat het universum jou toelacht! Maar in wezen lacht het universum, in deze gedachtegang, niemand toe. Geluk en ongeluk zijn namelijk betrekkelijk. Vandaag kan een regenbui mij heel slecht uitkomen terwijl die zelfde regenbui er morgen voor kan zorgen dat ik de tuin niet hoef te sproeien.
►Het idee van `het lot aan mijn zijde’ of “mazzel” hebben maskeert slechts de zinloosheid van de gebeurtenissen. Want wat stom toeval is zal stomtoevallig blijven. Er valt geen diepere betekenis in te ontdekken. Er is geen sprake van dankbaarheid waar het mij gunstig uitvalt en ook geen sprake van herstel of verantwoordelijkheid accepteren daar waar het mis gaat. Verder is het aan het individu om het lot te voorspellen en aan te sturen. Door vrijdag de 13e thuis te blijven, zwarte katten uit de buurt te houden, spiegels en ladders te vermijden, denkt men het lot te kunnen beïnvloeden. Deze pogingen om het lot naar ons hand te zetten is het sacrament van de godin Fortuna. Maar het Jodendom stelt, dat alles van Boven gestuurd wordt.
►Dat is een idee, dat we regelmatig terugvinden in de Tora. Het heet mida keneged mida – letterlijk maat om maat maar wordt beter vertaald als `boontje komt om zijn loontje’. Dit is zowel positief als negatief bedoeld, in de belonende en bestraffende sfeer. Wie goed doet, goed ontmoet maar ook `al is de dief nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel’. Aan de hand van illustraties in parsjat Vajechie wordt nader uitgewerkt.
►“En Ja’akov leefde in het land Egypte 17 jaar en het leven van Ja’akjov was 147 jaar” (47:28). In de midrasjiem (uitleggingen) van Chazal (onze Wijzen) heet deze parsja een parsja setoema, een gesloten afdeling en wel om twee redenen. Allereerst werd het Joodse hart gesloten en onontvankelijk voor de meer spirituele kanten van het leven door de zware verdrukking van Egypte.
Ten tweede wilde Ja’akov de eindtijd, de tijd van de Masji’ach en de uiteindelijke verlossing openbaren aan zijn kinderen. Maar dit werd voor hem vanuit de Hemel verborgen gehouden. Het ging om ons huidige goles. Ja’akov wilde het einde van ons allerlaatste galoet, waar wij nu in staan, duidelijk maken want alles wat onze voorouders hebben meegemaakt is een voorspel voor onze geschiedenis. Ja’akov was de derde aartsvader. Hij symboliseert het derde galoet waarin wij ons nu bevinden.
►Ja’akov zag dat er in de namen van de twaalf stamvaders de letters “chet” en “tet” niet voorkwamen. Hij meende, dat er niets op hen aan te merken was en zij zonder zonden waren. Maar hij realiseerde pas later dat er in de letters van hun namen geen “koef” en “tsaddie” voorkomt (keets=einde). Daarom kon hij hen het einde van de galoet niet openbaren.
►“Zeventien jaar verbleef Ja’akov in Egypte”. Dit staat hier een beetje overbodig. Dit kon ook worden afgeleid uit andere informatie in de Tora. Daar er niets overbodig staat in de Tora, nemen we aan dat deze vermelding een diepere bedoeling heeft. De Midrasj legt dit zo uit dat dit iets met het concept van Mida keneged Mida te maken heeft.
►Ja’akov werd zeventien jaar door Joseef onderhouden omdat Ja’akov Joseef de eerste zeventien jaar van zijn leven heeft onderhouden. Ja’akov leefde 33 jaar minder dan zijn vader Jitschak omdat hij een kellala (vloek) heeft gegeven aan zijn vrouw Rachel. Een vloek werkt als een boemerang tegen de vloeker (Spreuken 26:2). Hij zei namelijk tegen Lavan over de dievegge van zijn Terafiem-beeldjes “Degene bij wie uw beeldjes gevonden worden zal niet leven – lo jichje”. De getallenwaarde van het woord “jichje” is 33.
Vandaar dat hem 33 jaren aan zijn leven zijn ontnomen. Maar ook Rachel heeft de negatieve gevolgen van de diefstal van de beeldjes van haar vader Lavan moeten ondergaan. Dit wordt afgeleid uit de volgende pasoek: “terwijl ik aankwam uit Padan stierf mij Rachel in Kenaän onderweg”.
De commentatoren vragen zich af waarom het woordje “derech” (weg) verschillende malen in deze pasoek (48:7) wordt vermeld. Mijn stellige overtuiging is dat dit zeker geen toeval is. Toen Rachel haar vader Lavan voor de gek hield, toen hij op zoek was naar zijn gestolen beeldjes, zei ze tegen haar vader dat zij ongesteld was. In het Hebreeuws is dit “ik heb de ‘derech’ (weg, wijze) van de vrouwen”.
► “De ogen van Ja’akov waren zwaar van ouderdom en hij kon niet zien” (49:10). Joseef liet zijn kinderen tot Ja’akov naderen, hij kuste ze en omhelsde ze. Hier staat een kleine afwijking in de schrijfwijze van “zoken” (ouderdom). Het staat onvolledig geschreven. Ook dit duidt op een dieper verband en verwijst naar de ouderdom, het blind worden, van Jitschak. “en het was toen Jitschak oud werd en zijn ogen dof werden en hij niet meer kon zien” (ibid 27:1). Ja’akov bedroog zijn vader toen hij de beracha wilde ontvangen toen zijn vader blind was. Daarom zijn ook zijn kleinzoons Efraim en Menasje in de verkeerde volgorde gaan staan toen hij niet meer kon zien.
►“Re’oeveen mijn eerstgeborene ben jij, de eerste van mijn kracht, veel verheffing, veel kracht” De Klie Jakar vraagt zich af of Ja’akov Re’oeveen wel gezegend heeft terwijl de Tora duidelijk maakt dat dat inderdaad het geval was. Ja’akovs berachot sloten aan bij die van Mosje. Die zei: “Moge Re’oeveen leven en niet sterven en moge hij veel mensen hebben” (Devariem 33:6). Ruben behoorde tot de stoottroepen bij de verovering van Kenaän. Juist de stoottroepen zijn de helden, die het meest sneuvelen. Succes in de oorlog is afhankelijk van twee factoren: getalsmatig overwicht en kwalitatief heldendom. Beide zijn even belangrijk.
►Re’oeveen had de Sjechina van Ja’akovs bed verdreven. De Mida keneged Mida straf voor deze affaire is dat er veel mensen uit de stam Re’oeveen zouden sterven. Het zou kunnen zijn dat de Sjechina Re’oeveen zou verlaten zodat de oorlog op een fiasco zou uitlopen. Daarom had hij twee berachot nodig: dat zijn mannen helden zouden zijn en daarom zei Mosjé: “Moge Re’oeveen leven en niet sterven”. Bovendien moesten zijn manschappen talrijk blijven en daarom zei hij: “Moge zijn mannen veel zijn”. Dit bedoelde Ja’akov ook. Daarom gaf Ja’akov twee berachot van “veel verhevenheid, veel kracht”. “Veel verhevenheid” duidt op een grote hoeveelheid manschappen en kracht duidt op het heldendom.
►“Snel als water, het is niet meer want je bent het bed van je vader bestegen, dat heb je toen ontwijd, mijn bed ben je opgeklommen” (ibid. 49:4). Re’oeveen verloor met deze actie drie voorrechten waar hij aanspraak op had kunnen maken. “Zo snel als water” slaat op het koningschap. Een koning moet bedachtzaam en rustig zijn. “Het is niet meer”: je zult niet meer dan je broers zijn en als koning over hen heersen. Omdat je je vaders bed beklommen hebt, ben je je bechora (eerstgeboorterecht) verloren want door in Bilha’s tent te liggen, heb je haar voor Ja’akov ongeschikt gemaakt.
Hiermee wilde je voorkomen dat je eerstgeboorterecht niet nog meer verminderd zou worden. Als Mida keneged Mida verlies je hiermee het eerstgeboorterecht. Door te gaan liggen in de tent van Bilha heb je de Sjechina ontwijd en weggestuurd van Ja’akov. De Sjechina die mijn bed beklommen is, heb jij verwijderd en mij, Ja’akov, als het ware ontwijd. Iemand die de Sjechina ontwijdt, wordt een chalal en is geen koheen meer. Hiermee heeft Re’oeveen zowel het koningschap (meloecha), het eerstgeboorterecht (bechora) als het koheenschap (kehoena) verloren.
►“En zij verbitteren hem en zij schieten en zij haten hem, de boogschutters” (ibid. 49:23). De Or haChaim haKadosj stelt dat de broers Joseef eerst wilden doden (zie 37:20). Toen zij hem zijn kleren uittrokken, hebben ze hem zwaar beledigd en klappen gegeven. Dit is de betekenis van “en zij verbitteren hem”. Daarna wierpen ze hem in de put om hem te verkopen als slaaf. Dit is de verklaring van “en zij schieten” wat in het Hebreeuws ook veel (pijn) doen betekent.
►En “zij haten hem, de boogschutters” dit waren de vrouw van Potifar, Soelaika, en haar vriendinnen die hem als pijlen met hun charmes en parfum als pijlen bestookten om hem te verleiden. In de volgende pasoek staat “maar vast zit zijn boog en vaardig zijn de armen van zijn handen, door de handen van de Machtige van Ja’akov van daar de Herder, de Rots van Israël”.
Dit duidt er op dat hij niet op de avances van de dames is ingegaan en uit hun handen gered werd door Hasjeem. Hierdoor is hij de tsaddiek (heilige) bij uitstek geworden. Want hij die zich inhoudt en zich verre houdt van dit soort relaties wordt een tsaddiek jesod olam genoemd, een rots in de branding tegenover de Rots van Israël. Juist door weerstand te bieden aan verleidingen wordt men een tsaddiek, een afspiegeling van het G’ddelijke in de wereld.
►“Een jonge leeuw is Jehoeda” (ibid. 49:9). Ramban legt uit dat Ja’akov de meloecha, het koningschap, exclusief aan Jehoeda heeft gegeven. Koningen uit andere stammen mislukten. Koning Sja’oel en zijn zonen werden gedood. De Chasjmona’iem was ook geen langdurige meloecha beschoren. Hoewel zij grote chassidiem en tsadikkiem waren en het Joodse volk op vele manieren gered hebben, zijn zij toch uiteindelijk verdwenen door toedoen van de Romeinsgezinde Edomieten Antipater en Herodes, die totaal geen recht hadden op de meloecha.
