Parsja Vajisjlach

Op weg naar huis stuurt Ja’akov gezanten om zijn broer Esau gunstig te stemmen. Het blijkt dat Esau onderweg is naar Ja’akov met 400 gewapende mannen. Hij zendt nu gezanten met geschenken voor Esau. In de nacht worstelt een man – een Engel, met Ja’akov. Aan het einde van de strijd vertelt de man dat zijn naam in het vervolg Jisraëel zal zijn wat betekent dat hij met G’d en mensen gestreden heeft en heeft overwonnen. Het blijkt dat Ja’akov een gekwetste zenuw in zijn heup heeft (daarom mogen wij een deel van de achterbout niet eten). Ja’akov verdeelt zijn vrouwen en kinderen. Als er een ramp zou gebeuren, zouden niet allen ten onder gaan. Bij de ontmoeting vallen de broers elkaar om de hals en huilen. Ja’akov gaat niet in op het voorstel van Esau om bij elkaar in de buurt te wonen.
Ja’akov koopt het land waar hij zijn tenten heeft opgeslagen van Chamor, de vorst van Sjechem. Enige tijd later wordt Dina, Lea’s dochter, verkracht door Sjechem, de zoon van Chamor. Hoewel Sjechem met haar wil huwen en zijn vader voorstelt beide volksstammen met elkaar te vermengen, zijn de zonen van Ja’akov zeer beledigd door de ontering van hun zuster. Zij stellen voor dat huwelijken pas kunnen plaatsvinden als alle mannen van de stad besneden zijn. Daarna doden Sjimon en Levie, twee broers van Dina, alle mannen van Sjechem. G’d beveelt Ja’akov naar Beth-El te gaan en daar een altaar te bouwen. Hij verschijnt Ja’akov weer en bevestigt de naamsverandering in Jisraëel. Onderweg sterft Rachel tijdens de bevalling van haar zoon Benjamin. Ja’akov begraaft haar en richt een gedenksteen op. Izak sterft op de leeftijd van 180 jaar.

Rasjie is de bekendste commentator op Tenach. Hij leefde van 1040 tot 1105 in Troyes en Worms. Elk woord in de Tora telt, elk woord heeft betekenis. Rasjie let voornamelijk op logica, context, zinsbouw, overbodigheid en grammatica. Het is werkelijk close-reading.

“Zeg tegen mijn heer Esav: ‘Zo zegt uw dienaar Ja’akov: Bij Lavan heb ik als vreemdeling gewoond (gartie) en daar ben ik tot nu toe gebleven’” (32:5). Volgens Rasjie wilde Ja’akov hiermee – uit angst voor Esav – aangeven dat hij geen belangrijke vorst is geworden maar gewoon een vreemdeling is gebleven: “Het is niet de moeite waard om mij te haten vanwege Jitschaks beracha ‘wees een heerser over uw broeder’. Deze beracha is bij mij niet uitgekomen.” In een tweede verklaring stelt Rasjie dat het woordje ‘gartie’ in getallenwaarde 613 is. Volgens deze uitleg wilde Ja’akov aan Esav mededelen dat hij twintig jaar bij de slechte Lavan heeft gewoond, desondanks de 613 mitsvot heeft gehouden en niets van zijn slechte gedrag overgenomen heeft”.

‘Als vreemdeling gewoond en daar ben ik tot nu toe gebleven’ zijn overbodige woorden. Ja’akov had gewoon moeten zeggen: “Ik ben lang bij Lavan gebleven”, in één woord: ‘eecharti’. De Toratekst splitst Ja’akovs mededeling: ‘gartie’ (ik heb tijdelijk gewoond) en ‘va’echar’ (ik ben langdurig weggeweest). Ja’akov wilde Esav duidelijk maken dat de berachot van zijn vader bij hem niet uitgekomen waren. Maar daarom zou Esav in het geweer kunnen komen: “Als jij, Ja’akov, er financieel zo slecht aan toe bent, betekent dit dat jij de mitsvot (geboden) niet hebt gehouden. Jitschak onze vader heeft mij gezegd dat wanneer jij rebelleert tegen G’d en de mitsvot niet nakomt, ik het recht heb om jou aan te vallen”. Daarop zei Ja’akov dat hij ondanks alles toch de 613 mitsvot heeft gehouden maar daarom nog geen belangrijk mens is geworden. Er is echter een probleem met deze verklaring. Is dit geen chotspe tegenover zijn vader Jitschak dat Ja’akov zegt dat Jitschaks berachot niet uitgekomen zijn? Daarom geeft Rasjie een tweede verklaring: “Ik heb de 613 mitsvot in acht genomen. De berachot die mijn vader mij heeft gegeven waren niet gericht op wereldse grootheid en aardse rijkdom. De zegeningen waren gericht op een Tora-leven. Daar hoef jij, Esav, niet jaloers op te zijn want jij hebt nooit om Torakennis gegeven”.

Kudden voor Esav
Ja’akov stuurt kudden dieren als kado aan Esav om hem gunstig te stemmen Dertig zogende kamelen en hun veulens, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezels (32:16) Rasjie zegt: “Dertig zogende kamelen en hun jongen bij hen”. Dat staat al in de Tora. Wat voegt Rasjie hier toe? De Toratekst is onduidelijk. Waren de zogende kamelen en hun jongen samen dertig of waren er dertig zogende kamelen en daarnaast nog 30 jongen? Rasjie maakt duidelijk dat er dertig zogende kamelen waren plus 30 jongen. Wat noodzaakt Rasjie tot deze verklaring? Logica! De Tora vermeldt een dalende hoeveelheid dieren als geschenk voor Esav van 220 geiten tot 30 ezels. In die aflopende reeks zijn 30 kamelen een trendbreuk: 220 geiten, 220 schapen, maar 30 kamelen, weer 50 koeien en 30 ezels. Als het een aflopende reeks is, valt er veel voor te zeggen dat er in totaal 60 kamelen waren: 30 zogende kamelen en 30 jongen.

Dina wordt aangerand. Sjimon en Levi nemen wraak: “Zal men met onze zuster als een zona (vrouw van lichte zeden) handelen? (34:31) Rasjie verklaart dat in de Aramese vertaling ‘onze zuster’ als lijdend voorwerp is aangeduid. Rasjie lijkt niet veel toe te voegen. Maar het woordje ‘et’ in het Hebreeuws kan op twee manieren vertaald worden: als ‘met’ of het wordt niet vertaald en geeft een lijdend voorwerp aan. Vertalen als ‘met’ zou de indruk wekken, dat Dina bewilligde. Om elk misverstand te voorkomen zegt Rasjie, dat Dina slechts lijdend voorwerp was. Dit is een typische contextverklaring van Rasjie.

De strijd met de Engel
“Een man streed met hem tot de ochtendgloren. Hij zag dat hij hem niet aankon en trof hem in zijn heupgewricht” (32:25-26). De strijd tussen de beschermengel van de volkeren en Ja’akov kent vele symbolieken. De eeuwige strijd tussen Israel en de volkeren verhevigt bij het aanbreken van het licht van de uiteindelijke verlossing door de Masjie’ach. De ontwrichtende heupslag hebben we al gehad. De Engel vermant zich juist vlak voor de tijd van de Masjie’ach omdat hij zich realiseert, dat het na de uiteindelijke verlossing met hem gedaan zal zijn. De huidige oprisping van toema – spirituele verontreiniging in al zijn gedaanten – moge een voorteken zijn van geestelijk betere tijden. De kawod (eer) van de Tora en de grote Tora-geleerden is tot een betreurenswaardig dieptepunt gezakt. Machloket en verdeeldheid binnen het Joodse volk zijn tot een ongekend hoogtepunt gestegen.
Het feit, dat Ja’akov – als voorbeeld voor al zijn afstammelingen – de Engel aankon, toont niet zozeer onze psychische kracht maar veeleer onze spirituele opdracht. Wij staan qua groeikracht hoger dan Engelen en hebben dus de dankbare taak ons doorlopend met onze Bron te mogen verbinden via Tora en mitswot.
De Engel was blij, dat hij Ja’akov niet aankon. Dit klinkt wat vreemd maar past volledig in het religieuze denken. De Talmoed (B.T. Choelien 91b) verklaart, dat Engel zei:”Vanaf het moment, dat ik geschapen ben, mocht ik tot dit moment geen lied voor G’d zingen”. In het heetst van de strijd moet de Engel plotseling terug naar de Hemel om G’ds lof te verkondigen?! Het lijkt eerder een `smoes’ om zich uit Ja’akovs handen te redden dan de echte waarheid. Toch is dit niet zo, legt de Tsjebbiner Rav uit. Engelen zijn niet slecht. Zij voeren slechts G’ds opdrachten uit. G’d wil een evenwicht in deze wereld en daarom werd ook de kwade verleiding geschapen. Daarzonder volvoert de mens het goede als een robot. Er is immers geen keus. In feite zijn deze `slechte’ Engelen blij als het Joodse volk zijn opdracht vervult en niet ingaat op de avances van de aardse, slechte neiging.
Toen de Engel zag, dat hij Ja’akov nog als vijand (symbool voor het anti-semitisme) noch als vriend (symbool voor het filo-semitisme en de emancipatie) aankon, verheugde hij zich. Zijn opdracht was voltooid. Hij had serieus gepoogd Ja’akov te verleiden. Het lukte niet. Daarom zei de Engel “laat mij los, laat mij gaan”. Zijn taak zat erop. Zijn dank aan Ja’akov was groot, zijn vreugde kende geen grenzen. Daarvoor wilde hij acuut G’d danken. Inderdaad, precies nu was de tijd aangebroken de grootheid G’ds te bejubelen. De proef was geslaagd. De mens was niet door de knieën gegaan maar had de test doorstaan. Het goede had het gewonnen van het kwaad.
Ja’akov wilde de Engel pas laten gaan nadat hij hem zou zegenen. Ja’akov vroeg de Engel naar zijn naam. Maar een Engel heeft geen naam. Hij heeft slechts een opdracht. Ja’akov wilde weten van wie die beracha kwam `je hebt gestreden met Hemelse wezens en mensen en overwonnen’ en hem toegaf, dat de beracha van Jitschak hem toekwam. De Engel vertelde hem, dat zijn essentie goed was. Zijn opdracht van Boven was echter het verleiden tot slechtheid omdat er nu eenmaal een vrije keuze en werkelijk evenwicht moet zijn tussen goed en kwaad. Anders bestaat er geen straf en beloning.
De verwrongen zenuw eten we niet meer. Die wordt met wortel en al gepoorsjt, dwz. verwijderd. Het staat symbool voor onze strijd tegen spiritueel bederf. Met wortel en al moet dit weggehaald worden om ons volledig te kunnen ontwikkelen wat we werkelijk zijn.

Timna, de bijvrouw van Elifaz
Aan het einde van de sidra staat een opmerkelijke pasoek: `En Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Esau, en zij baarde aan Elifaz Amalek’ (36:12). Wat kunnen wij meenemen uit dit gegeven? Volgens Rasjie (1040-1105) leert dit hoe belangrijk Avraham – de overgrootvader van Elifaz – was in de ogen van de mensen. Iedereen wilde met zijn (achter-)kleinkinderen trouwen. Timna was een dochter van vorsten. Dit zien we iets verderop (36:22)`en de zuster van Lotan was Timna’. Lotan was een Choritische vorst uit het land Se’ier – waar Esau, de vader van Eifaz, later ging wonen. Hoewel ze van adellijke afkomst was, wilde ze toch liever als bijvrouw trouwen in Avrahams familie dan een voorname positie innemen binnen haar eigen stamverband. Ze wilde joods worden maar werd weggestuurd. Toen zei zij tegen Elifaz:’misschien wil je me niet als hoofdvrouw nemen. Trouw me dan ten minste als bijvrouw! (B.T. Sanhedrien 99b).
Met zijn encyclopedische kennis wijst Rasjie ons op een probleem veel verder op in Tenach. In I Kronieken 1:36 wordt Timna genoemd onder de kinderen van Elifaz en niet als zijn bijvrouw, zoals hier. Is hier sprake van een tegenstrijdigheid in Tenach? Rasjie meent van niet. Het betekent, dat Timna zowel de dochter als de bijvrouw van Elifaz was. Elifaz verleidde de vrouw van Se’ier. Hieruit kwam Timna voort. Toen zij groot was geworden, huwde Elifaz haar als bijvrouw. Dit is de betekenis van de frase `en de zuster van Lotan was Timna’. Timna wordt niet opgenoemd bij de kinderen van Se’ier. Logisch. Zij was een kind van Elifaz en niet van Se’ier. Van Lotan was zij dus maar een halfzuster.
Waarom geeft Rasjie zo een ingewikkeld betoog rond de afstamming van Timna? Omdat hij moet verklaren waarom zij slechts een bijvrouw werd en geen hoofdvrouw. Het Hebreeuwse woord `pilegesj’ wordt meestal gebruikt voor een vrouw, die eerst `slavin’ was en later door de heer wordt getrouwd. Het duidt op een mindere status. Het woord pilegesj betekent eigenlijk een `halve vrouw’. Maar dit woord hoeft niet zo een minderwaardige bijklank te hebben. In Talmoedische zin kan het ook wijzen op een vrouw, die niet de volledige huwelijkse status wil hebben of krijgt doordat zij geen `ketoewa’ – huwelijksakte met alle verplichtingen van de man tegenover zijn vrouw – wil of krijgt.

Waarom bleef Timna een bijvrouw?
Rasjie stelt zichzelf nu de vraag wat er met Timna aan de hand was, dat zij slechts pilegesj bleef. Waarom moest ze genoegen nemen met zo een minderwaardige status in haar huwelijk met Elifaz? Zij was immers geen slavin maar van vorstelijke komaf; noblesse oblige! Deze vraag beantwoordt Rasjie met zijn stelling, dat zij een mamzeret was, een bastaard uit een overspelige relatie. Toch ontgaat ons nog de relevantie van haar vermelding in de Tora. Er zijn wel meer bastaarden geweest in de menselijke geschiedenis. Timna was in dit opzicht bijzonder dat zij de moeder werd van Amalek, de aartsvijand van het joodse volk. De Midrasj verwijt het onze Aartsvaders op subtiele wijze, dat zij de bekering van Timna tot het joodse geloof geweigerd hebben. Daarom wendde Timna zich tot de dynastie van Esau, die uiteindelijk het joodse volk ook vijandig bejegende. Daardoor kon Amalek geboren worden, die de voorvader zou zijn van het volk, dat de joden direct na de Exodus uit Egypte aanviel. Ook Haman, die in de tijd van Ester en Mordechai heel am Jisraeel dreigde te vernietigen, kwam uit deze Amalek voort.
Interessant is in dit kader een visie van Nachmanides (13e eeuw). Hij stelt, dat de problemen, die wij af en toe hebben met afstammelingen van Jisjma’eel terug te voeren zijn op het wegsturen van deze stamvader door zijn vader Avraham en Sara. Sara zegt, dat Avraham Jisjma’eel moest wegsturen omdat hij Jitschak bedreigde. Avraham weigerde. G’d intervenieerde echter en stelde dat Avraham naar Sara moest luisteren (21:12):”In alles wat Sara tot u zeggen zal, luister naar haar stem!”. Sommige zaken moeten wij nu eenmaal doen, hoewel de gevolgen niet altijd geheel te overzien zijn.

Reacties zijn gesloten.