Parsja Wajeetsee

Ja’akov zou de voorvader worden van het Joodse volk, Esav de voorvader van het Romeinse Rijk, waar het christendom de staatsgodsdienst werd. Ja’akov vluchtte voor Esav omdat Esav hem wilde doden.
Ja’akov vlucht uit Be’er Sjewa en gaat naar Charan. Onderweg droomt hij van een ladder die tot in de hemel reikt, waarlangs Engelen naar boven opstijgen en afdalen (28: 10-22).

 Hij ontmoet Racheel bij de bron in Charan en wil met haar trouwen. Haar vader Lavan nodigt Ja’akov uit om te blijven. In ruil voor zeven jaar werk mag Ja’akov met Racheel trouwen (29: 1- 19).
 In de huwelijksnacht wordt Ja’akov bedrogen en trouwt hij met Lea, de oudste dochter van Lavan. Een week later trouwt Ja’akov met Racheel in ruil voor nog zeven jaar extra dienstbaarheid (29: 20-30).
 Lea krijgt kinderen, maar Racheel blijft kinderloos. In wanhoop krijgt Ja’akov Racheels dienstmaagd Bilha, als bijvrouw en Lea volgt haar daarin. Uiteindelijk krijgt Racheel Joseef, waarna Ja’akov besluit terug te keren naar het land Kena’an (29: 31-30: 25).
 Lavan bedriegt Ja’akov met zijn salaris en Ja’akov reageert daarop met een plan om zijn inkomsten te verhogen (30: 26-43).
 Ja’akov en zijn familie vluchten, waarbij Racheel haar vaders afgodenbeeldjes steelt. Lavan achtervolgt hen. (31: 1-35).
 Ja’akov onderhoudt Lavan omtrent zijn gedrag en uiteindelijk nemen ze in vrede afscheid van elkaar (31:36-32:3).

“Ja’akov verlaat Be’er Sjewa en ging hij naar Charan” (28: 10).

Ongemerkt en toch waargenomen
Er zijn dingen in het leven die we gewoon met onze ogen kunnen zien, maar er zijn ook zaken die zich aan onze dagelijkse waarneming onttrekken. Soms worden we in de supermarkt overvallen door een onbegrijpelijke behoefte om een bepaald product te kopen. Dit kan het gevolg zijn van een reclameboodschap, die wordt uitgezonden in de supermarkt maar die niet hoorbaar is voor het gewone oor. Toch bereikt de reclameboodschap onze hersenen, omdat er hogere vormen van waarneming bestaan.
Hoewel deze zaken zeer subtiel zijn, kunnen ze een enorme invloed uitoefenen op ons leven. Zo staat er in Amsterdam als sinds jaar en dag een Tora-centrum – een plaats waar jong en oud zich dag en nacht in de Tora verdiepen. Dit Tora-centrum is weinig in het nieuws maar heeft wel een enorme invloed gehad op de religieuze kwaliteit van ‘s Neerlands hoofdstad.
Ik vergelijk Antwerpen soms met Amsterdam. Ik vraag me altijd af waarom Antwerpen zo’n hoog Joods gehalte heeft. Een deel van het antwoord lijkt mij, dat Antwerpen reeds vele jaren een Rebbe heeft. Hoewel hij weinig met de buitenwereld te maken had, heeft deze Rebbe altijd een geweldige stempel op de stad gedrukt, puur door zijn aanwezigheid en zijn Tora-uitstraling. Men vertelt over de Gaon van Wilna, die een beslissende invloed heeft gehad op de kwaliteit van onze Jodendombeleving, dat hij slechts contact had met negen of tien mensen uit zijn directe omgeving. Niettemin was zijn Tora-gehalte zo hoog, dat hij tot op de dag van vandaag voor ons belangrijk is gebleven.

Het lernen van Ja’akov
Hetzelfde geldt voor het Tora-lernen van Ja’akov. Het was niet voor iedereen duidelijk zichtbaar maar niettemin van een beslissende invloed. “Ja’akov verlaat Be’er Sjewa en ging hij naar Charan” (28: 10). Dit lijkt overbodig. Als hij naar Charan ging, moest hij Be’er Sjewa wel verlaten! Ja’akovs vertrek wordt apart vermeld omdat het afscheid van een grote Tsaddiek (heilige) een indruk achterlaat, omdat deze Rebbe de parel van de stad is. Maar waarom wordt dan niet bij Avraham en Jitschak vermeld dat zij bij het verlaten van hun respectieve woonplaats duidelijke sporen achterlieten?
Het antwoord is evident: onze eerste twee Aartsvaders waren opvallende persoonlijkheden. Avraham was een activist, die alles deed om het Jodendom aan de man te brengen. Jitschak was een rijk man, die contacten had met zijn omgeving, tot in de hofkringen van de Filistijnen en koning Avimelech. Hun vertrek werd direct door iedereen opgemerkt.
Maar Ja’akov was slechts “een eenvoudig man die in de tenten zat”. Het enige dat Ja’akov zijn drieënzestig eerste levensjaren gedaan had was “zitten en leren”. Had hij in zijn ‘jeugd’ invloed op zijn omgeving? Waarschijnlijk niet veel. De eerste drieënzestig jaar probeerde hij de optimale geestelijke perfectie te bereiken om de fundering te leggen van het Joodse volk, hetgeen hem inderdaad gelukt is met zijn twaalf zoons, de stamvaderen. Hoewel Ja’akov weinig aan outreach- en liefdadigheidsprogramma’s deed, was zijn Tora-leren toch het juweel van de stad. Met het blote oog was dit niet waarneembaar maar voor het morele en spirituele stadsniveau was zijn aanwezigheid een geweldige ondersteuning.

De jesjiva van Sjeem en Ever
Ja’akov ging naar Charan maar de Talmoed (B.T. Megilla 17a) vertelt, dat hij eerst nog eens veertien jaar dag en nacht ging leren in de Jesjiva, de leerschool van Sjeem en Ever. Maar wat kon de zeer geleerde Ja’akov – hij was inmiddels 63 jaar – daar nog bijleren? Ja’akov betrad nu de wereld van het galoet, de ballingschap. Zijn ervaringen zouden de goles-belevenissen van zijn achterkleinkinderen tot op heden bepalen. Sjeem had geleefd in de tijd van de zondvloed en had geleerd hoe men moest omgaan met een volslagen vermaterialiseerde, corrupte maatschappij vol onzedelijkheid, diefstal en afgoderij. Sjeems kleinzoon Ever leefde gedurende de toren van Babel. Deze toren werd gebouwd om tegen G’d te strijden. Dat was een tijd van volslagen antitheïsme, niet alleen atheïsme. Ever had ervaringen in de omgang met ketterij van de bovenste plank. Deze twee Tora’s had Ja’akov nog niet geleerd: hoe een jood de ballingschap kan overleven zonder gapende spirituele wonden. Voor Ja’akov was dit nu relevant voor zijn verblijf bij zijn schoonvader Lavan, die de meesteroplichter uit zijn tijd was.

Ontmoeting met Racheel
Aangekomen in Charan rolde Ja’akov de steen van de bron en “kuste hij Racheel, verhief zijn stem en huilde” (29:11). Waarom huilde Ja’akov? Rabbiner S.R. Hirsch (19de eeuw, Duitsland) verklaart:”Wie weet hoelang hij heeft gezworven nadat hij zijn ouderlijk huis had verlaten? Eindelijk zag hij een nichtje dat hem deed denken aan zijn moeder”. De tranen van Ja’akov wijzen op de ingetogenheid van de kus. Racheel wist zich hiermee waarschijnlijk niet goed raad. Wellicht is dit de reden waarom Ja’akov zijn gedrag uitlegde door haar zijn familierelatie te vertellen (29:12).
Rasjie verklaart het anders:“Ja’akov liet zijn tranen de vrije loop omdat hij voorzag dat Racheel niet met hem in de spelonk de Machpela begraven zou worden”. Rasjie’s tweede verklaring luidt, dat hij huilde omdat hij met lege handen aankwam: “De dienaar van mijn grootvader Avraham bracht nog ringen, armbanden en allerlei gaven mee voor Rivka, terwijl ik met lege handen arriveer”.
Eerst spreekt Rasjie over een profetische visie, terwijl zijn tweede verklaring Ja’akovs armoede benadrukt. Rabbi Joseef Salant (20ste eeuw, Israël) wijst ons op de Talmoed (B.T. Megilla 13b). Ja’akov deed Racheel direct een huwelijksvoorstel!
Omdat hij zich op dat moment op een hoog spiritueel niveau bevond, werd hem direct ook het verloop en het einde van de relatie geopenbaard. Racheels begrafenis in Betlehem was bedoeld als troost voor de toekomstige ballingen die op weg naar de Babylonië (586 v.d.g.j.) langs het graf van Racheel zouden trekken.
Racheel zou dan voor hun welzijn en behoud kunnen davvenen (bidden). Dat was de werkelijke reden voor Ja’akovs tranen. Maar hoe zou Ja’akov vlak na zijn huwelijksvoorstel Racheel kunnen uitleggen, dat hij huilde om haar dood? Daarom geeft Rasjie een tweede verklaring, die aan het begin van hun relatie zijn tranen als een meer wereldse uitleg zou verklaren: het gebrek aan middelen om haar ook werkelijk te huwen en te onderhouden. Toch blijft de vraag of te weinig cadeaus de werkelijke reden was voor de tranen van Ja’akov.
Rasjie voegt aan zijn tweede verklaring toe, dat ‘Een arm mens beschouwd wordt als een dode’. De Maharal van Praag (16de eeuw) legt uit waarom dit zo is. Alle levensvormen kunnen zichzelf onderhouden zonder ondersteuning van anderen, behalve de mensen. Als iemand arm is kan hij alleen van de liefdadigheid van anderen leven. Daarzon¬der zou hij sterven. Vandaar dat “een arme man beschouwd moet worden als een dode”. Hij is niet in staat zichzelf in leven te houden. Iemand die geheel van aalmoezen moet leven, verliest zijn waardigheid en zelfrespect.

Ja’akov stelde Racheel voor om te trouwen, maar op dat moment realiseerde hij zich, dat hij geen financiële middelen had om een familie te onderhouden. Misschien was dat de ware reden voor Ja’akovs tranen. Een volledig acceptabele uitleg voor Racheel. Deze gedachte wordt door onze grote Moesarleraren uitgelegd als volgt: ‘Uw geestelijke roeping is om bezig te zijn met het lichamelijke welzijn van anderen’.

De eeuwige haat van Esav
Ja’akov had de zegen van Jitschak gekregen. Esav werd vreselijk jaloers hoewel hij het eerstgeboorterecht al verkocht had onder het genot van een bord linzen en dit ook de verkoop van de beracha betekende. Esav was sindsdien zijn eeuwige vijand. Deze haat droeg Esav over aan zijn zoon Elifaz, die het als een familietraditie verder doorgaf aan de komende generaties, waar later Amalek, Agag en Haman van afstamden.
Kennelijk komt er geen einde aan de stroom antisemitisme, die door de geschiedenis waart. Antisemitisme heeft altijd en overal bestaan, onafhankelijk van het niveau van aanpassing aan de overheersende cultuur. Soms lijkt het erop alsof het antisemitisme heviger wordt wanneer er minder joden in de buurt wonen; een typisch voorbeeld daarvan is Polen. Het antisemitisme past niet binnen een wetenschappelijke of sociologische theorie. Het antisemitisme wordt teruggevoerd op de strijd tussen Esav en Ja’akov. Aan Rivka werd geprofeteerd dat haar kinderen niet goed samen konden gaan. Esav ambieerde het aardse leven, Ja’akov het hemelse. Antisemitisme lijkt onuitroeibaar.

Amalek
De aartsvijand van het volk Israël is Amalek. Amalek was de kleinzoon van Esav, en de zoon van Elifaz (Bereesjiet 36:4). De moeder van Elifaz was Timna, die joods wilde worden. Zij ging naar onze Aartsvaders toe om zich te laten bekeren tot het Jodendom, maar die wilden haar niet als proseliet aanvaarden. Uiteindelijk kwam ze terecht bij Elifaz, de zoon van Esav, omdat ze liever een dienares bleef binnen de familieclan van Avraham en Jitschak dan een meesteres bij een ander volk. Van haar stamde Amalek af, die het joodse volk in de loop van de geschiedenis zoveel ellende heeft bezorgd. De Talmoed (B.T. Sanhedrien 99b) geeft ons reden hiervoor op: omdat men haar niet had mogen wegsturen toen zij joods wilde worden.
Onbegrijpelijk! Onze Aartsvaders hebben iedereen bij het Jodendom proberen te betrekken. Waarom zouden ze haar hebben geweigerd? Onze Aartsvaders hadden ongetwijfeld een goede reden om haar te weigeren. Hoe het ook zij, onze Aartsvaders worden, zij het zeer subtiel, bekritiseerd voor het feit, dat ze Timna niet in de Jodendom hebben willen opnemen.

Rivaliteit
Ook Nachmanides (12de eeuw, Spanje) geeft een reden waarom de Arabieren zo’n afkeer hebben van het joodse volk. Nadat Hagar zwanger was geworden van Jisjma’eel, klaagt Sara tegen Avraham over haar gedrag. Avraham geeft haar vrij spel: “Sara was hard tegen Hagar en Hagar vluchtte van haar weg” (16:6). Nachmanides stelt, dat “Sara, onze Aartsmoeder verkeerd handelde toen zij Hagar hard aanpakte. Avraham handelde ook verkeerd omdat hij toestond dat dit gebeurde. G’d hoorde Hagars ellende en gaf haar een zoon die uiteindelijk het joodse volk op alle mogelijke manieren zou dwarszitten.” Een ongelooflijke uitspraak! Het toont in ieder geval “hoe de handelingen van de Voorouders bepalend zijn voor de geschiedenis van hun kinderen”.
Dezelfde gedachte zien we terug bij de confrontatie tussen Mordechai en Haman. De Midrasj legt een verband tussen de haat van Haman en de manier waarop Ja’akov aan de zegening van de eerstgeborene kwam. In de Megilla, de rol van Ester staat dat toen Mordechai doorhad wat besloten was door Haman “Mordechai zijn kleren scheurde en zich hulde in zak en as. Hij ging naar het midden van de stad en liet een luide en bittere schreeuw” (Ester 4:1-2).

Bittere klacht van Esav
Die luide en bittere kreet wordt in verband gebracht met de bittere klacht, die Esav uitte, toen hij merkte, dat Ja’akov er met de zegen vandoor was. De Midrasj Rabba stelt: “Ja’akov liet Esav vreselijk huilen, zoals er geschreven staat: “Toen Esav de woorden van zijn vader hoorde, huilde hij met vreselijke en luide schreeuw (Bereesjiet 27:34). Ja’akov kreeg dit terug in Sjoesjan, toen zijn afstammeling Mordechai een bittere en luide kreet liet vanwege de ellende die Haman, een nakomeling van Amelek, over de Joden bracht”.

Rechtvaardiging?
Geeft de Midrasj hiermee een rechtvaardiging van antisemitisme? Nee! Maar het laat wel een oorzaak-gevolg verband zien, dat we vaak niet goed doorhebben. In het vijfde boek van de Tora (Dewariem 25:19) wordt gesteld, dat wij “de herinnering van Amalek moeten uitwissen van onder de Hemel, gij zult dit niet vergeten”. Meforsjiem, de Verklaarders vragen zich af hoe het mogelijk is om de herinnering uit te wissen, terwijl we niet mogen vergeten. Misschien betekent dit dat wij de herinnering aan Amalek moeten uitwissen omdat dit op onze eigenschap duidt, dat we soms wat ongevoelig zijn voor onze omgeving. Vrede kunnen we alleen maken met onze vijanden. Vrede kunnen we alleen bewerkstelligen wanneer wij ons gevoelig opstellen voor onze medemens en onze omgeving. Antisemitisme blijft irrationeel, immoreel en volslagen verkeerd. Het is voornamelijk het morele probleem van onze omgeving. Soms moeten we ons echter iets meer open stellen. Want antisemitisme wordt uiteindelijk ook ons probleem.

Reacties zijn gesloten.