Toledot 5770

TOLEDOT (letterlijk: geslachten) is de 6e sidra van Bereesjiet/Genesis.

Korte inhoud
Twintig jaar blijft Rivka kinderloos. Als ze dan zwanger is, voelt ze zoveel beweging, dat ze bij G’d te rade gaat. Hasjeem zegt haar dat ze een tweeling draagt. Hun wegen zullen ver uiteen gaan. De oudste zal de jongste dienen. Bij de bevalling blijkt de jongste de hiel van de eerstgeborene vast te houden, reden waarom hij Ja’akov (`die iemand een hak zet’) genoemd wordt. De oudste heet Esau. Deze wordt jager, Ja’akov is een tentbewoner.
Op een dag komt Esau moe en hongerig van de jacht terwijl Ja’akov linzensoep kookt. Ja’akov wil hem soep geven als hij zijn eerstgeboorterecht verkoopt. Esau denkt dat hij toch spoedig sterft en staat het eerstgeboorterecht af. Jitschak trekt naar Gerar vanwege een hongersnood en zegt dat Rivka zijn zuster is. Jitschak wordt erg rijk en de koning van Gerar verzoekt hem het land te verlaten. Jitschak graaft de putten uit die zijn vader eerder had gegraven. Als Jitschak zijn einde voelt naderen, roept hij Esau om hem de eerstgeboren-zegen te geven, nadat deze hem een malse bout van de jacht heeft verschaft. Rivka hoort dit en draagt Ja’akov op zijn vader uit de kudde een gerecht te bereiden om de eerstgeboren-zegen in ontvangst te nemen. Ja’akov is nog niet weg met de beracha of Esau komt met het gevraagde gerecht. Jitschak schrikt geweldig als hij het bedrog merkt, maar handhaaft toch de zegen voor Ja’akov, ondanks het bittere verwijt van Esau.
Rivka verneemt dat Esau zijn broer wil doden na de dood van Jitschak en stuurt Ja’akov naar haar broer Lawan om uit de familie een vrouw te zoeken.

“Dit zijn de voortbrengselen van Jitschak, de zoon van Avraham; Avraham bracht Jitschak voort” (25:19).
Onze Aartsvaders moesten hard davvenen (bidden) voor kinderen. Jitschak was veertig jaar toen hij trouwde maar moest 20 jaar wachten voordat hij Ja’akov en Esav kreeg. Zijn ouders Avraham en Sara moesten naar schatting 70 jaar wachten voordat zij Jitschak kregen en ook zijn zoon Ja’akov kon zeer lang geen kinderen krijgen bij zijn vrouw Racheel. Waarom hebben de Aartsvaders altijd zo’n moeite gehad met het krijgen van kinderen?
Kinderen zijn de essentie van het bestaan in het Joodse leven. Uiteindelijk draait alles om de voortzetting van het Jodendom. De Talmoed geeft een antwoord: G’d wil zo graag de gebeden van de Tsadikiem (heiligen) horen. Als wij davvenen zijn we vaak eigenlijk al binnen een half uur klaar. Als het heel erg druk is, kunnen we ook in 20 minuten davvenen. Maar eigenlijk is dit geen davvenen.

Het davvenen van onze Aartsvaders en Aartsmoeders was van een veel hoger niveau, van een veel intenser kwaliteit. Het was een Tsadiek-davvenen. Dan is er sprake van een totale transformatie van zijn of haar persoonlijkheid. Men kan het vergelijken met een uittreding. Men verlaat als het ware zijn lichaam om zich te hechten aan de alomtegenwoordige Almachtige. De Talmoed vertelt over de grote Tsaddikiem van 2000 jaar geleden. Zij spendeerden aan elk gebed drie uur. Zij bereidden zich een uur voor op hun gebeden, davvenden een uur en hadden een uur nodig om ‘af te koelen’ en terug te keren naar de realiteit. Men kan dit laatste misschien vergelijken met iemand die heel diep duikt. Als je van een diepzeeduik naar de oppervlakte van de zee wil, moet je dat niet direct doen. Dat kan desastreuze gevolgen hebben: wanneer een duiker te snel naar boven gaat, overleeft hij het niet.
Davvenende Tsaddikiem zijn in een andere wereld geweest. Wanneer een Tsadiek vanuit de hogere regionen terugkeert naar de aarde, kost dat tijd. Hij kan niet zo vanuit zijn diepste innerlijke gevoelens van hechting aan het Opperwezen terugspringen in deze wereld van faxen, mobiele telefoons, radio, televisie en computers. Dat is een volledige omschakeling. Wanneer onze voorouders davvenden, dan was dat in een geest van een geweldige heiligheid (kedoesja). En dat was een voorwaarde voor de continuïteit van het ware Jodendom.

Wanneer de ouders gezond zijn, zijn over het algemeen de kinderen ook gezond. Dit geldt ook op spiritueel niveau. Wanneer de ouders op een hoog spiritueel niveau staan, staan de kinderen dat vaak ook. Wanneer G’d het gebed van de heiligen wenst, bedoelt Hij daarmee dat Hij een dusdanig intens contact wil hebben met de grote leiders van ons volk, dat zij naar een veel hogere wereld opstijgen. Pas onder die omstandigheden kunnen zij ook grote kinderen voortbrengen. Wanneer onze Aartsvaders kinderen krijgen, zijn de kinderen zelf ook weer Aartsvaders. Maar de heiligheid van de samenleving alleen is onvoldoende. Er bestaat ook zo iets als een omgeving, een atmosfeer waarin de kinderen worden grootgebracht en de manier waarop zij worden opgevoed. Vijftig procent van het succes bij het opvoeden van kinderen is gebed, maar vijftig procent bestaat uit huiselijke vrede (sjalom bajit). Wanneer de ouders vechten en negatieve opmerkingen naar elkaar maken, is het bijzonder moeilijk om kinderen positief op te voeden.

De Talmoed vertelt dat wanneer twee mensen scheiden, zelfs het altaar daarover tranen laat. Het altaar ziet veel offers, maar één offer kan ze niet verdragen: het offer van de kinderen. De kinderen zijn het offer van een huishouden waar doorlopend gevochten wordt. Wanneer de Tora vertelt dat Jitschak tegenover zijn vrouw davvende, gaf dat het spiritueel niveau aan van het tweede paar Aartsouders. Ze davvenden en stonden elkaar terzijde. Dat is het ideale Joodse huis.

De Barmitsva van Ja’akov en Esau
Tot hun dertiende was het verschil tussen Ja’akov en Esau niet duidelijk. Beide kregen onderwijs van hun grootvader Avraham en vader Jitschak. Maar langzamerhand groeiden ze uit elkaar. Bij het naderen van de bar-mitswa leeftijd kwam naar voren dat Ja’akov een Tora-carrière ambieerde en Esau een jager op het veld werd. Dat ieder zijn eigen weg opging, was een teken van geestelijke volwassenheid. Deze scheiding der wegen wordt nogal eens gezien als bron voor de viering van de bar-mitswa op dertienjarige leeftijd.

In de geschreven Tora is elders namelijk geen aanduiding te vinden voor het vieren van de bar mitswa. Wel in de Misjna, de Mondelinge leer. Daarin staat dat “een dertienjarige verplicht wordt om de mitswot (de ge- en verboden) in acht te nemen” (Pirke Avot – Spreuken der Vaderen 5:25). Waarom men precies met dertien jaar en één dag synagogaal meerderjarig wordt, op de eerste dag van het veertiende levensjaar dus, is iets waarvoor geen verdere reden wordt gegeven (Responsa Rosj 16:1). Wel duiden de verschillende synoniemen her en der in de commentaren erop dat er op die leeftijd sprake is van geestelijke rijping en lichamelijke volwassenheid. De eerste keer dat de term ‘bar mitswa’ voorkomt, is in de Talmoed (B.T.Sanhedrien 84b) maar niet in de Tora.

De Midrasj (Beresjiet Rabba 53:10) leert ons dat de eerste bar mitswa werd gevierd door Avraham toen zijn zoon Jitschak dertien werd. Dat gebeurde “op de dag dat hij gespeend werd”, wat volgens de Midrasj-uitleg niet inhield dat hij van de borst genomen werd maar dat Jitschak losraakte van zijn ‘jetser hara’, zijn slechte neiging. Hiermee wordt al duidelijk dat de bar mitswa het omslagpunt markeert naar de volwassenheid: de leeftijdsfase waarin je de psychische kracht hebt om je zelfstandig aan verkeerde invloeden of aan een foute innerlijke drang te onttrekken.

Reeds hierin wordt duidelijk, dat Ja’akovs keuze voor het goede en spirituele, model staat voor iedere bar-mitswa tot op de dag van vandaag. Het woord bar-mitswa zelf geeft al betekenis aan de tweesprong waarop de jonge puber zich bevindt. Bar betekent zoon maar kan ook buiten betekenen. Kies je voor een leven als zoon van de mitswa of voor een leven buiten de mitswa en het Jodendom.

Dertien geen ongeluksgetal
Dertien is in het jodendom allesbehalve een ongeluksgetal. Het is eerder het getal van de 13 eigenschappen van G’ddelijke genade en de geloofsprincipes van Maimonides. De Tora wordt met dertien uitlegregels verklaard, de briet mila, de besnijdenis, is met dertien verbonden verenigd met het Joodse volk en aan elke tsietsiet (schouwdraad) zitten acht draden en vijf knopen (samen dertien). De namen van de Aartsvaders tellen samen dertien medeklinkers, evenals die van de Aartsmoeders. Ja’akov had dertien kinderen en in de Tempel werden dertien verschillende vormen van elk dienstvoorwerp gebruikt.

Wat een getallensymboliek! De G’ddelijke genade uit zich in onze keuzevrijheid, die we krijgen met onze (religieuze) volwassenheid. Alleen door onze vrije keuze tussen goed en kwaad kunnen we onze plaats in de Hemel verdienen. De rest is al voorbestemd, van de kleur van je haren tot het niveau van je IQ. De dertien geloofsprincipes voeden ons op in het ware geloof, dat in de Tora verwoord is en voor ons toegankelijk wordt voor de praktijk aan de hand van de dertien interpretatieregels. Voor de verbondenheid via de briet mila hebben we niet zelf gekozen. Die band met G’d is bovenverstandelijk. Maar voor het verbond via de tsietsiet kiezen we zelf. Met de bar mitswa kiezen we zelf voor het Jodendom dat ons door onze (voor)ouders werd voorgeleefd. We hoeven het wiel niet helemaal opnieuw uit te vinden maar moeten het wel – door eigen inbreng en inzet – voortzetten en eigen maken. Onze Aartsvaders en –moeders staan model. Ook zij namen tradities van hun ouders over maar hadden zelf ook hun eigen inbreng.

Hierdoor ontstond het Joodse volk met de dertien stamvaderen, die de kinderen van Ja’akov waren. Uiteindelijk bouwden zij het Heiligdom in Jeruzalem waar G’d temidden van Zijn volk woonde. Zo is de cyclus van 13 rond.

Bronnen en continuïteit
Alleen Jitschak wordt het “kind van Avraham” genoemd, zoals er geschreven staat: “Want alleen door Jitschak zullen jouw nakomelingen genoemd worden” (21:12) Alleen Jitschak heeft de traditie voortgezet. Zoals wij ook zien in het boek Kronieken (1:28) dat de ‘Kinderen van Avraham Jitschak en Jisjmaël’ waren. Daarna staat er echter: ‘Avraham bracht Jitschak voort’ (1:34), om te leren dat alleen Jitschak de verdienste had om de Joodse traditie voort te zetten.

We zien deze continuïteit terug in de uitgebreide episode van de bronnen en hun namen (26:15-22). Nachmanides (13e eeuw) verklaart:‘De Tora geeft een lang overzicht van het meningsverschil over de bronnen hoewel wij hier weinig uit kunnen leren. Het strekt ook niet tot eer van Jitschak. Hij en Avraham deden schijnbaar hetzelfde’. Twee aspecten vallen op. Allereerst werden Avrahams bronnen dichtgestopt door de Filistijnen. Verder geeft Jitschak hen dezelfde namen als Avraham (26:18). Rabbi Ja’akov Zwi Meckelenburg (19e eeuw, Duitsland) beschouwt dit laatste gegeven als de sleutel tot de hele episode. De namen van de bronnen hadden een diepere betekenis. Ware dat niet zo, dan had de Tora nooit over de namen van de bronnen verteld.

Hij stelt ons daarom als verklaring het volgende voor. Het is bekend dat Avraham zijn hele leven wijdde aan het verspreiden van het woord van G’d, ondanks zijn afgodische omgeving. In zijn strijd voor het monotheïsme, gaf hij alle plaatsen een G’ddelijke naam: Hasjeem Jire (G’d zal zien), of Beet Keel (huis van G’d), zodat herinneringen aan G’d en Zijn goedertierenheid deel van de taal van de mensen zou worden. Dit verklaart de vijandigheid van de Filistijnen. Direct na Avrahams dood verwijderden zij alle sporen van de ‘nieuwe’ religie die hun afgodische praktijken uitdaagde. Met het dichtstoppen van Avrahams bronnen konden zij meteen ook zijn religie, theologie en monotheïsme uit hun vocabulaire schrappen. Maar Jitschak, als een trouwe zoon van zijn vader, zag het als zijn levensopdracht om deze bronnen in hun oorspronkelijke staat en originele naam te herstellen.

Rabbenoe Bachja ibn Pakoeda (14e eeuw) vat het samen: ”Het feit dat de Tora ons informeert dat Jitschak deze namen nooit veranderd heeft leert ons, dat wij trouw moeten blijven aan het geloof van onze voorouders. Indien Jitschak erop lette om zelfs de namen van de bronnen van zijn vader te handhaven, hoeveel te meer moeten wij dan de gewoonten, ethische regels en levensvisie van onze voorouders volgen”.

Zo is het inderdaad. Volgens vele Geleerden wordt de plicht om de ouders te eren ook na hun overlijden, vervuld door het naleven van hun minhagiem (gewoonten) en levenslessen.

Eerbied voor ouders
Eén van de redenen waarom Jitschak van Esau hield was omdat Esau hem op een buitengewone manier eerde. Rabbi Sjimon ben Gamlieel zei: “Mijn hele leven heb ik mij ingespannen om mijn vader te eren, maar ik heb zelfs nog niet één-honderdste van de eer gehaald waarmee Esau zijn vader gediend heeft. Wanneer ik mijn vader bediende, had ik kleren aan met vlekken. Voordat ik naar buiten ging, kleedde ik mij om opdat ik op straat er dan netjes zou uitzien” (Talmoed). Esau droeg echter de prachtigste kleren wanneer hij zijn vader bediende, omdat hij het onjuist vond om zijn gewone kleren aan te trekken in de aanwezigheid van zijn vader.

Niettemin eerde Esau zijn vader om egoïstische redenen. Hij was bang dat hij het huis uitgezet zou worden door Jitschak net zoals Avraham Jisjma’eel gepasseerd had en Jitschak had aangesteld tot opvolger. Esau was zelfzuchtig in zijn eerbied voor zijn vader omdat hij alleen Jitschak maar niet zijn moeder eerde en eigenlijk hoopte dat zijn vader zo snel mogelijk zou sterven. Esau handelde uiterlijk naar de mitsva (gebod) van Kibboed Av (eerbied voor vader) maar vergat de achtergrond van dit vijfde gebod. Waarom ging Esau de mist in? Omdat hij de essentie van Kibboed Av niet begreep. Wat is eigenlijk de achtergrond van de mitswa van het eren van vader en moeder?

Rabbi Jitschak Abarbanel en Rabbi Levi ben Gersjom (Ralbag) zeggen letterlijk, dat ‘respect voor de ouders ons ervan verzekert, dat de opeenvolgende generaties de lessen van hun voorouders zullen overnemen en zo de Tora in ere zullen houden. Kibboed Av vaEem is bedoeld om het aanzien van de joodse traditie die de ouders zich hebben eigengemaakt, te verhogen zodat de kinderen erin zullen geloven en erop zullen vertrouwen. En daarom bevindt Kibboed Av vaEem zich binnen het kader van de eerste vijf van de tien geboden, die de relatie tussen mens en G’d regelen’. Respect voor de ouders, de primaire overdragers van het geloof, versterkt het respect voor de traditie die zij uitdragen. Jodendom is een delen van waarden, het samen beleven van een ‘Weltanschauung’, die de jongere generatie niet uit zichzelf kan genereren. En aan dat soort werkelijk respect ontbrak het Esau. Hij gedroeg zich wel uiterst eerbiedig tegenover zijn vader maar had geen enkele bedoeling het ontluikende jodendom voort te zetten en uit te bouwen. Daarom verdween hij uiteindelijk uit de Aartsvaderlijke traditie.

Reacties zijn gesloten.