Parsja Vajera

Waarom moet de Tora ons zo uitvoerig vertellen over de levens van Avraham, Sara en alle andere Aartsvaders en Aartsmoeders? Is het alleen opdat wij zullen weten wie zij waren? Deze vraag wordt gesteld door Rabbi Ja’akov Tzvi Mecklenberg (19e eeuw, Duitsland) aan het begin van Genesis 22, waar de episode van de offerande van Jitschak wordt behandeld: “En het was na deze woorden, dat G’d Avraham beproefde”. Normaal vertalen het Hebreewse woord ‘nissa’ als ‘beproeven’. Maar Maimonides (1135-1204) en Rabbi Mecklenberg vertalen het als volgt: “G’d stelde Avraham als voorbeeld” (‘nissa’ wordt dan herleid tot het woord ‘nees’ = teken of vaandel).
Terwijl Maimonides aangeeft dat de offerande van Jitschak het ware karakter van Avraham aan de wereld toonde, meent Rabbi Mecklenberg dat G’d Avraham bij deze episode in het voetlicht van de wereldbelangstelling stelde, zodat wij, zijn afstammelingen, zouden mogen weten wie wij zijn. Avraham heet onze Aartsvader, wij zijn zijn kinderen. Iedereen van zijn afstammelingen heeft de mogelijkheid om te bereiken wat Avraham heeft bereikt. In turbulente tijden van afgoderij, oorlog en ontucht bouwde Avraham een huis met levensprincipes waaromtrent hij geen compromissen wenste te sluiten. Ook wij zijn daartoe in staat. Met gastvrijheid en zelfopoffering.
Gastvrijheid
“En Avraham hief zijn ogen op en zag; en zie! drie mannen stonden bij hem en hij zag en rende hen tegemoet van de ingang van de tent en boog zich ter aarde” (I:18:2). De Midrasj Rabba stelt, dat Avrahams achterkleinkinderen de Tora kregen vanwege het feit, dat Avraham zoveel moeite had gedaan om de Engelen te bedienen. De Gemara (B.T. Sjabbat 88b) vertelt, dat toen Mosje Rabbenoe de berg Sinaï beklom om de Tora te ontvangen de Engelen protesteerden en G’d vroegen: “Wat doet zo een sterveling onder ons? Welk recht heeft hij om de Tora te ontvangen?”. In Sjemot Rabba, Exodus, verklaart de Midrasj dat G’d Mosje’s uiterlijk veranderde in dat van Avraham en de Engelen hiermee confronteerde: “Is het niet deze man die jullie bezocht hebben op aarde en in wiens huis jullie gegeten hebben?”. De Midrasj vertelt dat G’d tegen Mosje Rabbenoe zei dat hij de Tora alleen ontving wegens de verdiensten van Avraham en zijn onbeperkte gastvrijheid.

Verschillen in uitspraak
Vaak word ik geconfronteerd met de vraag wat het verschil is tussen de Sefardische en Asjkenazische uitspraak. Het Hebreeuws kent voor de a- of o-klank verschillende klinkers: de kamats, die in het Asjkenazisch een ‘o’-klank is maar in de Sefardische uitspraak als een `a’ geldt en de patach die in beide uitspraken ‘a’-klank vormt.
De klinker kamats (de ‘o’-klank) is een zelfstandige klank, die niet tegen een andere medeklinker aanleunt. De kamats wijst op een volledige zelfstandigheid, het onafhankelijke Opperwezen. Alle geschapen zaken steunen op de scheppende kracht van G’d. Alleen Hakadosj Baroech Hoe is echt zelfstandig. De patach (de ‘a’-klank) steunt daarentegen op de volgende letter en vormt daar altijd een eenheid mee.
Een opvallend betekenisverschil tussen kamats en patach is te vinden in de parsja van deze week. Avraham zei:”Mijn Heer, als ik toch gunst in Uw ogen gevonden heb, ga dan toch niet weg van Uw dienaar…”(18:3). Onduidelijk is tegen wie Avraham nu sprak. Sprak hij tegen de grootste bezoeker, dan wordt mijn heer gepunctueerd met een patach wat geen G’ddelijke betekenis heeft.

Gewijd of ongewijd
Was het echter zo dat Avraham G’d aansprak om even te blijven wachten tot hij de gasten had opgevangen, dan moet het gepunctueerd worden met een kamats. De Chatam Sofeer kiest voor deze laatste optie. Avraham was bang, dat Hasjeem van hem weg zou gaan omdat hij afgodische nomaden, die het stof van hun voeten aanbaden, in huis had gehaald. G’d had al eerder afstand genomen van Avraham omdat Lot bij hem in de buurt was. Daarom vroeg Avraham aan G’d niet weg te gaan omdat hij de mitsva van gastvrijheid moest vervullen om zijn medeburgers dichter bij de Sjechina – de G’ddelijke Aanwezigheid – te brengen. Dit betekent, dat gastvrijheid in het Jodendom hoger wordt aangeslagen dan het te woord staan van G’d.
Zulke grote betekenisverschillen zijn het gevolg van een verandering in punctuatie. Vandaar dat er in vele Joodse gemeenten bijzonder gelet wordt op de uitspraak. Jemenitische Joden maken duidelijk verschil tussen kamats en patach maar in het modern Hebreeuws is dat verschil bijna of geheel weggevallen.

De ongastvrijheid van Sedom
Sedom werd vernietigd door het totale gebrek aan medemenselijkheid. De Tora was nog niet gegeven. Er golden alleen maar zeven Noachidische geboden. Gebrek aan medemenselijkheid komt niet als zonde voor op de lijst van de zeven Noachidische geboden. De vraag is dan waarom de bewoners van Sedom niettemin zo zwaar gestraft werden. Het antwoord luidt, dat het opbouwen van een rechtvaardige en medemenselijke maatschappij de hele strekking is van de Noachidische geboden (jisjoew ha’olam). De inwoners van Sedom zondigden niet zozeer tegen een specifiek, duidelijk omschreven voorschrift maar tegen de hele bedoeling van de Noachidische wetgeving! Hun a-sociale instelling uitte zich onder andere in het feit, dat gastvrijheid bestraft werd met de dood.
Twee van de drie Engelen, die daarvoor Avraham hadden bezocht, kwamen tegen de avond aan in Sedom. Lot kwam ze op straat tegen. Het was verboden om gasten uit te nodigen omdat liefdadigheid bij de wet verboden was. Lot had bij zijn oom Avraham echter geleerd, dat men goed moest zijn voor vreemdelingen. Hij ging dus op zoek naar gasten in het holst van de nacht. De Engelen namen zijn invitatie niet aan. Ze gaven aan liever op straat te willen overnachten. Na veel aandringen lieten zij zich overreden. Zij moesten zijn huis stiekem betreden opdat de buren niet zouden merken dat hij gasten had. Zij mochten het stof ook niet van hun voeten wassen zodat de politie van Sedom – bij een inval – niet zou merken, dat ze al langer in huis waren.

Iris, de zoutpilaar – symbool van ongastvrijheid
Het was Pesach avond en Lot bakte matsot voor zijn gasten. De vrouw van Lot, Iris, was niet zo blij met de gasten en zei tegen haar man: “Je brengt ons hele huis in gevaar. Verdeel het huis tussen mij en jou, zodat je de gasten in jouw gedeelte van woning kunt ontvangen.” Het was de gewoonte van de vrouw van Lot om de gasten zoutloos voedsel te serveren. Maar Lot zei haar nu wat zout in het eten te doen. “We hebben geen zout in huis”,
schreeuwde zijn vrouw. Ze ging naar de buren om zout te lenen, waarbij zij zich terloops liet ontvallen, dat er gasten
waren. Daarmee had ze de aanwezigheid van de gasten verraden. De buurt verdrong zich bij de voordeur en wilde ontucht plegen met de vreemde mannen. Lot weigerde de gasten uit te leveren maar in plaats daarvan zei hij: “Ik heb nog twee ongetrouwde dochters, laten wij die naar buiten brengen voor jullie en doe met hen maar wat goed is in jullie ogen. Laat mijn gasten met rust nu ze bij mij onderdak hebben gevonden.”

Lot – een man tussen twee werelden
G’d was boos op Lot: ”Normaliter verdedigt een man zijn vrouw en zijn kinderen. Jij echter bent bereid je dochters te laten misbruiken. Ik zweer je ‘hou ze maar voor je zelf’. Uiteindelijk zullen alle mensen weten dat jij kinderen hebt gekregen van je eigen dochters, Ammon en Moav! “. De belagers van het huis van Lot werden gestraft met blindheid. Lot had vier dochters. Twee daarvan waren getrouwd. Hij vertelde aan zijn schoonzoons dat G’d binnen de kortste keren Sedom zou vernietigen, maar zij lachten hem uit en ze zeiden:’’Hoe kan dat? Niemand weet iets van een dreigende catastrofe en iedereen leeft onbezorgd!”. Ook Lot weigerde de stad te verlaten omdat hij daar nog veel zakelijke belangen had. Hij piekerde hier de hele nacht over door. Ook de volgende ochtend stond hij nog te twijfelen of hij de stad zou verlaten. Hij was volledig besluitloos. Maar de Engelen drongen aan. Lot verliet de stad zonder één cent op zak. Dat was zijn straf voor zijn inhaligheid. Hij was in Sedom gaan wonen omdat hij dacht daar rijk te worden.

Relatief goed
Op de vlucht draaide zijn vrouw Iris zich om om te kijken wat er met haar twee achtergebleven dochters was gebeurd. Ze veranderde meteen in een zoutpilaar omdat zij de gasten had verraden bij de buren door zout te lenen. De Engel zei tegen Lot: “Vlucht naar de berg waar Avraham woont”. Maar Lot durfde niet naar Avraham. Want hij dacht bij zichzelf: ”Toen ik nog tussen de mensen van Sedom woonde, beoordeelde G’d mij gunstig want ik
was de beste in de stad. Maar als ik weer bij Avraham ga wonen, zal G’d mij negatief beoordelen want ik ben slecht vergeleken met mijn oom”.

In de grot
Lot vluchtte naar het stadje Tsoar want hij zei: “Daar wonen nog maar kort mensen en zij zullen nog niet veel zonden hebben begaan”. Uiteindelijk belandde Lot in een grot met zijn twee dochters, die later twee kinderen, Ammon en Moav van hem zouden baren. Lots dochters meenden namelijk, dat zij als enige levende wezens op aarde waren achtergebleven en dat zij hun vader mochten verleiden om de wereld weer te bevolken. Lot had dit verdiend omdat hij zijn dochters op schandelijke wijze aan de inwoners van Sedom had aangeboden. Deze onbetamelijke geschiedenis laat een wrange smaak achter. Toch moest dit zo gebeuren. De Midrasj vertelt zelf, dat door een ingreep van Boven wijnstokken groeiden in de bewuste grot. Want er zouden twee grote vrouwen geboren worden uit Lot: Ruth, de Moabitische, de voormoeder van koning David, de voorvader van de Masjieach en Na’ama, de Ammonitische, die zou trouwen met koning Salomo en uiteindelijk de moeder zou worden van koning Rechavam. Alleen G’d geeft licht uit duisternis…Maar ons grootste lichtbaken is de Akedat Jitschak, de offerande.

Wie werd getest?
Vele commentatoren begrijpen de vers “En G’d beproefde Avraham” (Genesis 22 begin) als een test voor Avraham. De vraag is waarom het binden van Jitschak op het altaar ook niet voor zijn zoon een beproeving was. Ook Jitschak deed mee aan de beproeving! Het antwoord wordt duidelijk wanneer wij hoofdstuk 5 van Pirké Avot (ethiek van onze vaderen) opslaan: “Met tien beproevingen werd Avraham getest”. Maar alleen bij de offerande van Jitschak wordt door de Tora het woord ‘nissa’ – getest – gebruikt.

Was het inderdaad alleen een test voor Avraham? Een mogelijk antwoord luidt dat Avraham de eerste negen beproevingen als individu doorstond. De tiende is de test
van Avraham als ouder. Inderdaad, Jitschak werd ook getest. Maar zijn respons op de test was natuurlijk volledig afhankelijk van de vraag hoe Avraham hem als zoon had opgevoed.
Omdat deze beproeving anders was dan de negen voorgaande wordt alleen de tiende test ingeleid met het woord ‘nissa’. Dit was het ultieme examen voor Avraham als ouder.

Opvoeding en plezier
Het eerste gebod uit de Tora is “peroe oeweroe” wordt meestal vertaald als “Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u”. Als dat de juiste vertaling is dan lijkt er in deze mitsva (opdracht) iets dubbels, iets overbodigs te staan. Rabbi David Kimche stelt een andere vertaling voor: het eerste woord ‘peroe’ moet als ‘voortbrengen’ worden vertaald en ‘rewoe’ als ‘opvoeden’. Vanuit deze vertaling bekeken is het eerste gebod wel een van de moeilijkste Tora-opdrachten die er maar bestaat.

Een chassidische Rebbe leerde eens, dat de drie letters van het woordje ‘oneg’ – plezier – ook het woord ‘nega’ – plaag – vormen. Hij vroeg zich af wanneer er van plezier, en wanneer er van ellende kan worden gesproken. Het antwoord ligt in de vraag waar men de letter ajin plaatst. Als je de letter ajin aan het begin plaatst, krijg je ‘oneg’. Als deze aan het eind wordt geplaatst staat er ‘nega’ – plaag. Zo is het ook met het opvoeden van kinderen. Of kinderen in de toekomst oneg – plezier – of nega – een bron van ellende – zullen worden, hangt meestal af van de vraag op welk moment in hun leven hun ouders de aandacht op de kinderen richtten.
De letter ajin betekent oog. Als dit aan het begin van het leven wordt gedaan, vanaf de vroegste jeugd, mag men plezier verwachten van de kinderen. Indien wij onze kinderen in hun vroege jeugd verwaarlozen, en pas later, wanneer het mis dreigt te lopen, beseffen wat ons gebrek aan verantwoordelijkheid heeft opgeleverd, is het meestal een teken van nega – plaag.
Toen Ben Goerion brieven stuurde over de hele wereld met de vraag naar de definitie van “Wie is Jood?” kwam een Amerikaanse Rabbijn met het volgende antwoord: “Iemand die Joodse kleinkinderen heeft”.

Reacties zijn gesloten.