Parsja Bereesjiet

LICHT EN DUISTERNIS: SPIRITUALITEIT EN GEESTELIJKE DUISTERNIS

“En G’d zei, laat er licht zijn, en toen was er licht” (1:3).
Bij de schepping van de wereld werd het licht als eerste gecreëerd. Opmerkelijk! Licht is alleen nuttig wanneer andere dingen daar gebruik van kunnen maken. Planten hebben licht nodig om te kunnen groeien, mensen en dieren hebben licht nodig om te kunnen zien. Het belang van licht is dus afhankelijk van de andere schepselen. Het zou daarom logischer zijn geweest als het licht vlak voor de schepping van planten of dieren gecreëerd zou worden. Desondanks werd het licht als eerste gecreëerd. Wat kan hiervoor de achterliggende reden zijn? Opperrabbijn Lord Jonathan Sacks geeft ons een duidelijke verklaring. Hij citeert eerst een bekende uitspraak van onze Chagamiem (Wijzen):“Het licht dat op de eerste dag gecreëerd werd, werd hierna verborgen, voor de rechtschapenen in de Olam Haba, het Hiernamaals” (B.T. Chagiga, 12a; Bereesjiet Rabba 3:6).
Paradox
Deze Rabbijnse uitleg bevat iets paradoxaals. Het licht, dat als doel heeft om te verlichten, werd verborgen vlak nadat het gecreëerd werd. Wat was het nut dan van deze creatie? En als G’d voorzag dat het licht direct na de schepping verborgen zou worden, waarom heeft Hij het licht dan in het begin gecreëerd?
Een andere paradox vinden we in de uitleg van de Zohar (III, 28b). De Zohar merkt op dat het Hebreeuwse woord voor “licht” en het Hebreeuwse woord voor “geheim” dezelfde gematria (=getalswaarde) hebben. Dit betekent dat deze woorden ook met elkaar in verband staan. Dit is vreemd: licht is in essentie openbaar, terwijl een geheim juist verborgen is. Hoe kunnen deze twee tegenpolen een gemeenschappelijke vorm hebben?

Blauwdruk
Ter beantwoording stelt de Midrasj (Bereesjiet Rabba, begin): “Net als dat een koning die een paleis wil laten bouwen, dit niet spontaan doet maar zich baseert op de plannen van de architect, zo ook heeft G’d in de Tora gekeken aan de hand waarvan Hij de wereld schiep”.

Voordat we iets concretiseren, iets creëren, hebben we een plan nodig waar vaak een hoop denkwerk aan vooraf is gegaan. Dit plan bestaat in eerste instantie uit het doel dat we willen bereiken met ons werk. Hierna kan er pas actie ondernomen worden. Op dezelfde wijze schiep G’d de wereld. Het doel van de schepping van het universum (een plaats waar het Goddelijke licht verborgen is onder de sluiers van de materiele werkelijkheid) is om de fysieke wereld te zuiveren en het verborgen licht van G’d te openbaren. G’d zocht een “huis in de lagere wereld” met de bedoeling dat Zijn verborgenheid (duisternis) getransformeerd zou worden in een geopenbaarde Aanwezigheid (licht) (vgl. Tanja I:36).
Dit beantwoordt de vraag waarom het licht als eerste gecreëerd werd. Omdat licht het doel van de hele schepping was, en het formuleren van een doel de eerste stap is in het uitwerken van een actieplan, werd het licht als eerste gecreëerd. De intentie van de rest van de schepping van de wereld lag dan ook verankerd in de openingszin “laat er licht zijn”.

Goed=licht
Bij alle opeenvolgende scheppingsdagen staat er een zinspeling naar licht. Elke scheppingsdag werd afgesloten met “en G’d zag dat het goed was”. Het woord “goed” zinspeelt op “licht”. Er staat namelijk “en G’d zag het licht dat het goed was” (Bereesjiet 1:4; vgl. B.T. Sota 12a). Hieruit volgt dat licht op alle scheppingsdagen aanwezig was. Hoe kan dit, als licht het doel is van de schepping en daarom alleen expliciet aanwezig is aan het begin?

Elk stadium
Het antwoordt hierop is dat een doel zich op twee manieren kan manifesteren:
1) expliciet aan het begin van een taak en
2) impliciet in elk stadium van het uitwerken van een taak. Dit is van belang voor het sturen van de taak zodat het op de gewenste wijze voltooid wordt. Dit betekent dus dat het licht op de eerste dag expliciet geopenbaard werd, als het doel van de schepping, nog voordat er iets anders gecreëerd werd. Op de andere scheppingsdagen was het licht impliciet aanwezig (alleen maar als zinspeling), om de schepping in goede banen te leiden.

Vervulling
De Zohar wijst op het verband tussen “licht” en “geheim”. De Rabbijnen stelden dat het licht verborgen is voor de Tsadikkiem (rechtschapenen) in de Olam Haba, het Hiernamaals. Men kan dit vergelijken met een gebouw dat nog in aanbouw is. De uiteindelijke vorm is nog niet zichtbaar, behalve in de gedachten van de architect. Pas als het werk af is, zal het onthuld worden. Hetzelfde geldt voor de wereld. Pas wanneer het helemaal af is, zal het doel van de wereld (het licht) geopenbaard worden. Dit is ten tijde van de Masjiach. Maar waar is het licht dan nu verborgen aanwezig? De Chagamiem zeggen (Midrasj Ruth; Zohar Chadasj 85a) dat dit in de Tora verborgen is. Dit kan men wederom vergelijken met een architect: net als de tekeningen van de architect bepalend zijn voor de bouw, zo ook wijst de Tora ons – door het leren van Tora en het doen van de mitsvot (geboden) – de weg bij het vervullen van het doel van de wereld.

Microcosmos
Men kan dit ook betrekken op ieder afzonderlijk individu. Elk mens is een microcosmos van de wereld met eenzelfde lot als de wereld. “Licht” is ieders doel. We moeten onze eigen situatie in licht transformeren. Dit doet men niet alleen door het verdrijven van het duistere (het slechte) door zich te weerhouden van averot, zonden. Maar ook door de duisternis te veranderen in licht. Dit doet men door zich op een positieve manier te wijden aan het goede. Dit moeten we op dezelfde manier doen als G’d dit gedaan heeft bij de schepping. Hierbij is het van het grootste belang om allereerst een duidelijk levensdoel te formuleren. We moeten elke dag ervaren als een nieuw begin, alsof we weer opnieuw geschapen zijn (Jalkoet Sjimoni) en alsof de wereld in zijn geheel opnieuw geschapen is (Tanja, deel II). Zo moeten wij ook elke dag voor ogen hebben dat het onze taak is “laat er licht zijn”. Dit doel moet vervolgens impliciet in al onze daden terug te zien zijn – door ons te richten op de Tora, de blauwdruk van de schepping.

We kunnen nu concluderen dat licht het doel is van alles dat geschapen is. Dit zou betekenen dat licht ook het doel is voor de duisternis. Duisternis is niet alleen geschapen met als doel om vermeden te worden (om de mens een keuze te geven tussen goed en slecht) maar ook om getransformeerd te worden in licht. De wereld werd geschapen zodat Israël door middel van de Tora de wereld zal veranderen in het eeuwige licht van G’ds geopenbaarde aanwezigheid, zoals in de tijd van de Masjiach zal gebeuren. Jesjaja voorspelt (60:19): “de zon zal niet langer als daglicht dienen, noch zal de maan licht geven voor helderheid: maar de Koning zal een eeuwigdurend licht voor je zijn” (gebaseerd op Torah Studies, samenvattingen van Sichos van de Lubavitsher Rebbe).

“Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar” (1:27-28). Hasjeem (G’d) wil, dat de mensen zich vermeerderen. Een uiterst belangrijk gegeven, zowel in Israël als daarbuiten. De joodse voortplanting wil niet zo lukken. In Israël staan de islamieten op 4,4 tegenover 2,6 aan voortplantingsscore aan joodse zijde. In het Westen is het gemiddelde niet-joodse gezin groter dan het joodse. Natuurlijk bestaan hiervoor allerlei redenen en achtergronden maar in een democratische staat geldt, dat hij die de meerderheid heeft het voor het zeggen heeft.

Instrument G’ds
Het is niet zo maar, dat deze mitsva van peroe oerevoe (voortplanting) als eerste in de Tora vermeld wordt. De Talmoed noemt het zelfs een heel belangrijke mitsva. Het voortbestaan van het joodse volk is ervan afhankelijk. In B.T. Berachot 10a vertelt de Talmoed dat koning Chizkia niet wilde trouwen omdat hij voorzag dat zijn kinderen resja’iem – slecht – zouden zijn. De profeet Jirmija onderhield hem daarover:”Met G’ds plannen heb jij niets te maken”. Hoe G’d ook beschikt over het karakter van de kinderen, het blijft een plicht om kinderen op de wereld te zetten. Tegenwoordig hoort men nogal eens het argument, dat men geen kinderen wil ‘neerzetten in deze rampzalige wereld’. Ook daarvoor geldt: met wat de toekomst ons brengt, hebben wij niets te maken. Onze Wijzen stellen zelfs (B.T. Jevamot 63a) dat iedereen die zich weigert voort te planten het aangerekend wordt als hij (potentieel en spreekwoordelijk) `bloed vergoten heeft’. Het wordt hem zelfs verweten, dat hij het `G’ddelijk beeld in de wereld vermindert’. De mens werd naar G’ds evenbeeld geschapen. Hoe meer van dit grootse schepsel op aarde vertegenwoordigd is, hoe meer de G’ddelijke ziel reliëf krijgt op aarde. De Talmoed stelt zelfs dat de weigeraar er de oorzaak van is, dat de Sjechina – de G’ddelijke Aanwezigheid – van de aarde vertrekt omdat er zonder mensen geen `instrument’ is om de Sjechina in deze wereld te beleven: ”op wie moet de Sjechina hier rusten? Op hout en steen?”.
Ook voor de vrouw?
Niet voor niets sprak ik de hele tijd in de mannelijke vorm. De vrouw is vrijgesteld van deze mitsva, omdat bevallen meestal een gevaar voor het leven van de moeder inhield. De Tora is gegeven ”om te leven en niet om te sterven”. Hoewel de pasoek (vers) 1: 27-28 inderdaad in het meervoud staat geschreven – dus ook aan de vrouw gericht lijkt – is dit volgens Rasjie meer een beracha (zegen) dan een werkelijke opdracht. Toch hebben de Talmoedgeleerden de vrouw later ook verplicht om te trouwen.
In feite moet een man al op zijn achttiende een levenspartner gaan zoeken. Voor zijn twintigste moet men getrouwd zijn. Tegenwoordig zijn we wat later rijp en is de mitsva enkele jaren uitgesteld. Volgens Beet Hilleel heeft men de mitsva vervuld met een vruchtbare zoon en dochter. Wanneer men Joods wordt en voor de gioer al kinderen had, worden deze meegerekend voor de mitsva van `pirja werivja’ wanneer ook de kinderen joods worden. Ook op latere leeftijd moet men (her)trouwen; meer kinderen dan twee is zeer aanbevelenswaard.

Overbevolking?
Rabbi Jitschak Abarbanel (1437-1508) stelt, dat de mens had kunnen denken, dat – omdat hij naar G’ds gelijkenis geschapen werd – het hem te min zou zijn om zich te verlagen tot de daad van voortplanting. De mitsva maakt duidelijk dat hij ook dit lichamelijke aspect niet mag verwaarlozen. Is de mens dan meer dan een dier? Wanneer wij deze mitsva met een Hemels doel in ons achterhoofd vervullen, verheffen wij de voortplanting tot een hoger plan en schudden wij het dierlijke van ons af.
Is de wereld te vol? Moeten wij een bevolkingsexplosie vrezen? Rabbi Mosje Alsjiech beantwoordde deze vraag al in de 16e eeuw. Mensen zonder geloof – zo stelt hij – koesteren deze vrees inderdaad. Maar wanneer wij geloven, dat G’d de wereld heeft geschapen en tegelijkertijd de mitsva van voortplanting heeft gegeven, kan het niet anders zijn dan dat de wereld voldoende mogelijkheden biedt om alle monden te voeden. Rabbi Chaim ibn Attar voegt hier nog aan toe, dat onbevolkte gebieden schadelijk voor de mensheid kunnen zijn. Twee-derde van de wereld is nog niet bevolkt. Tegen de tijd dat het ook daar `vol’ is, kunnen we nog altijd uitwijken naar de maan. Ook in deze mitsva komt een groot principe van de Tora naar voren: van de nood wordt een deugd gemaakt.

“En G’d zegende de zevende dag” (2:3).
Rasjie legt hier uit, dat de Sjabbat gezegend werd met Manna, omdat alle dagen van de week voor iedere woestijnreiziger een Omer per persoon uit de Hemel afdaalde. Op vrijdag kregen ze echter lechem misjne – dubbel Manna-brood. G’d heiligde de zevende dag met Manna, omdat het niet op Sjabbat viel. Deze pasoek werd uiteraard geschreven met het oog op de toekomst. Rasjie lijkt te zeggen, dat deze G’ddelijke zegen alleen bestemd was voor de periode in de woestijn. Dit lijkt erg beperkt.
De beracha (zegen) van Sjabbat is echter voor eeuwig bedoeld. De inhoud van deze zegen is, dat wanneer men de heiligheid van de Sjabbat inhaleert, men tot rust komt alsof al het werk gedaan is en er niets meer ontbreekt. Dit is de ware beracha van de zevende dag: de zekerheid dat alles perfect is en geen aanvulling behoeft. In de woestijn had het joodse volk deze zegen in tastbare en concrete vorm. Op vrijdag viel er een dubbele portie. Op Sjabbat hoefden zij het niet meer in te zamelen. Hun parnassa (levensonderhoud) was reeds vrijdag verzekerd. Deze beracha is voor ons wat minder concreet maar niet minder belangrijk: het gevoel op Sjabbat, dat er niets ontbreekt, schenkt ons iedere week weer de gemoedsrust om ons op onze dubbele taak – die tussen mens en G’d en de intermenselijke – te bezinnen.

“En G’d zegende de zevende dag…die Hij geschapen had om te doen.”
Wat betekent dit ‘geschapen zijn om te doen’? De Midrasj stelt, dat de wereld geschapen is om te verbeteren: tikoen olam. De wereld werd met opzet `onaf’ geschapen om de mens als partner van G’d te kunnen laten optreden. Zou het universum perfect geschapen zijn dan had de mens niets kunnen bijdragen aan de opbouw van de wereld. `Om te doen’ betekent in deze uitleg, dat er een bijzondere taak van tikoen olam (verbetering van de wereld) voor de mens is weggelegd.

Shabbat shalom!

Reacties zijn gesloten.