Parsja Nitsaviem-Wajelech

Zonder voorbereiding is er geen goede spirituele stijging mogelijk. Wanneer wij Rosj Hasjana naderen is tesjoeva de essentiële opdracht. Wanneer wij terugkeren tot G’d met heel ons hart en heel onze ziel is dat volgens de Tora geen al te moeilijke opdracht:”Het is niet voor ons verborgen noch is het erg ver.”Het is niet in de hemel zodat we ze moeten zeggen:”wie kan voor ons naar het uitspansel opklimmen en het voor ons halen, zodat we er naar kunnen luisteren en het kunnen uitvoeren.” De zaak is dichtbij in onze mond en in ons hart om het te doen.
Koheen, Levi en 3e alija, 29:9-28. (Nadat we aan het einde van Ki Tawo de Tochaga (strafredenen) hebben gehoord) begint Nitsaviem op geruststellende toon. We staan allen voor G’d en beginnen weer een nieuw verbond, dat niet alleen vernieuwd wordt met de huidige generatie, maar ook met allen die (nog) niet aanwezig zijn. Wanneer iemand verstokt blijft en niet wil luisteren naar Hasjeem, dan zal G’d die persoon niet willen vergeven. Wanneer reizigers het verwoeste Israël zien en vragen: “Waarom heeft G’d zo met dit land gedaan?” zal men antwoorden, dat men het verbond met G’d heeft verlaten.

Want dit gebod, dat Ik u vandaag opleg, is niet te moeilijk voor U en het is niet te ver weg…Maar dit woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart” (30:11-14). Volgens Rasji (11e eeuw) gaat het hier over het leren van de Tora maar Seforno (15e eeuw) legt uit, dat het hier gaat over tesjoeva (inkeer). We hoeven geen profeet te raadplegen of een goeroe van ver weg. Het is in ons hart en onze mond om te doen. Tesjoeva begint met het verbaliseren van onze spirituele gebreken. Pas dan gaan we realiseren dat wij daar iets aan moeten doen. Rasji (1040-1105) gaat er echter vanuit dat de Tora met deze mondelinge mitsva het bestuderen van de Tora bedoelt.

De Talmoed (Avoda Zara) geeft aan dat wanneer een echte ketter tot inkeer komt, het kan zijn dat G’d hem spoedig laat sterven omdat de ketterij zo diep in zijn genen zit, dat hij makkelijk kan terugvallen tot zijn oude gewoonten en opvattingen. Zeker bij mensen die hun hele leven het omgekeerde hebben gedaan van wat de Tora als juist ziet, is het moeilijk om op het juiste pad te blijven. Terugval is nooit uitgesloten. Vandaar dat G’d soms oordeelt dat het goed is dat wanneer de mens eenmaal het goede heeft gekozen, hij zo snel mogelijk moet verdwijnen van deze wereld. Het is nooit zeker dat hij het goede volhoudt.
De Tora heeft een geweldige kracht. Wanneer men Tora leert kan het zelfs zijn dat men een van de drie zwaarste overtredingen van het Jodendom heeft begaan, en men toch weer terugkeert door het grote spirituele licht dat in de Tora verborgen ligt.
Dat bedoelt de Tora wanneer er staat dat “het dichtbij jou is in je mond en je hart om te doen”. Wanneer je de Tora leert, uitspreekt en internaliseert en incorporeert in je leven, is de kans dat je blijft groeien veel groter. Daarom zijn er twee verklaringen voor de manier waarop wij tesjoeva moeten doen. Het verwoorden van onze gebreken is het begin. Het uitspreken en leren van Tora geeft de houvast die iedereen nodig heeft om te blijven groeien en zich te ontwikkelen tot een topper in religieuze, spirituele zin. Waar we ook zijn, we kunnen altijd die verbondenheid met G’d weer oppakken. Maar zonder voorbereiding gaat het niet.

De eerste mens heette Adam omdat hij uit de aarde geschapen was. De aarde moet beploegd worden voordat ze iets opbrengt. De mens bestaat uit een spirituele en een materiële neiging. De materiële neiging zoekt enkel lichamelijke expansie: meer geld, meer auto’s, meer rijkdom. Wanneer we bezig zijn met de Tora beploegen we ons spirituele potentieel in de hoop dat er iets moois uit voortvloeit.
Soms sluimeren we in spirituele zin. Het geluid van de sjofar maakt ons wakker. G’d stuurt ons allerlei beproevingen en tragedies om ons alert te houden. Wanneer wij verzwakken, vallen wij in slaap. Dan zijn we ongevoelig voor ieder hoger streven. Willen we iets meenemen van Rosj Hasjana dan moeten we ons voorbereiden. De mens is niet alleen op aarde om te genieten maar ook om te werken. Te werken aan zichzelf en zijn geestelijke groei. Elk jaar gaan we weer een nieuwe cyclus van voorbereidingen door. Het begint in de zomer met Tisja be’av, de nationale treurdag. Dan doen wij tesjoeva, uit bitterheid. Dan gaan we door Elloel naar Rosj Hasjana en doen wij tesjoeva uit angst. Met Jom Kippoer doen we tesjoeva uit ontzag en uiteindelijk bereiken we Soekot, het Loofhuttenfeest, waar wij tesjoeva doen uit liefde en vreugde. Maar alles heeft voorbereiding nodig. Daarzonder kunnen we al die hogere gevoelens niet in ons opnemen.

Hakheel
Eén keer in de zeven jaar, aan het einde van het sjemita (sabbatical) jaar, wanneer het land braak ligt, is er een openbare Tora-voorlezing door de koning in de Tempel in Jeruzalem. Deze bijeenkomst heet hakheel en de bedoeling van deze hakheel, ‘verzamel het Joodse volk’, is: ”Opdat het Joodse volk zal luisteren en G’d zal leren vrezen.” Daar moet eerst een heel jaar lang het land voor braak liggen. De boeren hebben dan tijd voor hun eigen spirituele ontwikkeling. Ze laten zich niet afleiden door allerlei aardse beslommeringen en zijn een jaar lang totaal bezig met de Tora. Alleen op die wijze kan men zich goed voorbereiden voor die openbare Tora-voorlezing door de koning. Wil Rosj Hasjana een inspirerende ervaring worden, dan moeten wij ons daar totaal op richten.

Opwekking van beneden
De Midrasj vertelt ons dat de woorden van de Rabbijnen voor G’d geliefder zijn dan de woorden van Zijn Eigen Tora. Waarom zijn de uitspraken en beperkingen die de Chagamiem (Wijzen) ons hebben opgelegd, belangrijker dan ‘wijn van de Tora’ zelf? Rabbenoe Jona legt uit dat wij, door extra omheiningen om de Torawet te maken, laten zien dat wij niet alleen geïnteresseerd zijn in het behoud van de Tora maar dat wij het ook willen uitbreiden met onze eigen inzet en onze eigen gevoelens. We vervullen de Tora niet als een mechanische opdracht maar voegen daar zelfs extra omheiningen aan toe.
Wij zijn beperkt en breekbaar. We zijn bang dat de Torawetten overtreden worden. We willen de Tora graag een belangrijk onderdeel van ons leven maken. Daarvoor is het noodzakelijk dat wij hem uitbreiden. We laten duidelijk zien dat wij G’d vrezen en liefhebben.

De Chagamiem (Wijzen) zeggen: ”Op de plaats waar ba’alee tesjoeva staan, kunnen zelfs de grootste tsaddikiem (heiligen) niet staan”. Ba’alee tesjoeva (spijtoptanten) hebben een moeilijke periode doorgemaakt. Ze waren verslaafd aan allerlei zaken maar vonden de kracht om zich daar bovenuit te werken. Ze laten duidelijk zien dat ze G’d vrezen en liefhebben. Vanaf hun jeugd waren zij totaal niet opgevoed in de religie maar uiteindelijk hebben zij de waarheid gezien. Daarmee staat een ba’al tesjoeva hoger dan een werkelijke tsaddiek. Aan het einde van de Tora wordt vermeld dat het Joodse volk vele problemen zal meemaken: vervolgingen, pogroms, etc. Een eindeloze stroom van ellende. Toch hebben we standgehouden.

Rosj Hasjana is de dag van de beoordeling, een moment van intense berechting van de gehele mens. Wanneer wij deze angstaanjagende periode tegemoet gaan, zouden we eigenlijk angstig en treurig moeten zijn. Ons leven hangt aan een zijden draadje. Toch schrijft de Sjoelchan Aroeg voor dat wij ons juist op een positieve manier moeten voorbereiden op Rosj Hasjana. We moeten ons baden, feestelijk kleden en heerlijk eten staat op tafel. Hoewel zelfs de Engelen deze dag van berechting met angst en beven tegemoet zien, moeten wij zeker zijn dat G’d ons positief zal beoordelen. We moeten erop vertrouwen dat we het allemaal zullen halen.
Hoe kunnen we zo positief blijven ondanks een mogelijk negatief vonnis? Omdat wij juist in moeilijke tijden op ons best zijn. Wij hebben de capaciteit om de waarheid aan te voelen. Juist wanneer wij geconfronteerd worden met de zwaarste omstandigheden, zijn wij op ons best. Wij worden beoordeeld maar wij begrijpen dat wij er goed doorheen komen als we maar het kwade afzweren en ons leven positief willen inrichten.

4e en 5e alija, 30:1-6. Na berouw komt de verlossing. Wanneer wij tot G’d terugkeren met heel ons hart, zal G’d medelijden met ons hebben. Hij zal ons verzamelen uit de volkeren, zelfs uit de meest afgelegen gebieden.

Minjan essentieel
Wanneer wij ons voorbereiden op Rosj Hasjana doen wij dat als een deel van het volk. Als onderdeel van het grote geheel kunnen we G’d beter benaderen. Wanneer we ons deel voelen van een gemeente, zijn de verdiensten van de gemeente ons deel. Dat is de boodschap van Nitsaviem: ”Jullie staan vandaag sterk voor Hasjeem.” Waarom is het nodig om te verklaren dat wij sterk voor Hasjeem staan? Omdat hier vlak voor het Joodse volk achtennegentig keer gevloekt werd.
De Bnee Jisra’eel werden depressief, radeloos en redeloos en voelden dat ze dat niet zouden overleven. Maar G’d laat het Joodse volk door Mosje verzekeren dat ze zullen blijven bestaan ondanks alle tegenslag.
In Ha’azinoe schrijft de Tora dat G’d al Zijn pijlen in het Joodse volk heeft geschoten. De Midrasj vergelijkt het met een boogschutter die zijn pijlkoker leegschiet op een houten stam. De stam blijft intact maar de pijlen zijn op. Het Joodse volk zal eeuwig blijven bestaan ondanks alles of misschien juist door alle tegenslagen.

Andere volkeren hebben de tijd niet weerstaan. Ze zijn verdwenen in de vaart van de geschiedenis omdat ze niet in staat waren van de rampen te leren. De enige functie van rampspoed is om de mensen aan te zetten tot inniger verbondenheid met G’d. Wanneer men er deze les niet uit kan halen, verdwijnt men door de rampspoed. Alleen wanneer men in staat is om de boodschap van problemen te vatten, zal men er daardoor juist sterker uit voortkomen.
Het Joodse volk heeft de les van de geschiedenis begrepen. Vroeg of laat zal ze moeten terugkeren tot G’d. Of dat nu is uit angst of uit liefde. Natuurlijk gaan we voor de liefde maar ook angst is een manier om de mens terug te drijven tot G’d. Op deze manier viert men Rosj Hasjana zoals het moet. Maar zonder voorbereiding gaat het niet. We zijn al een hele maand bezig met het blazen op de sjofar. De les van de sjofar is groei: we moeten wakker worden en durven zeggen dat wij van G’d houden. Wij moeten aan iedereen durven laten zien dat wij Joods zijn uit liefde. We moeten durven tonen dat wij de mitsvot vervullen omdat wij geloven in ons spirituele potentieel. Zonder groei, hoop en toekomstvisie zijn wij verloren. De Tora is uit de Hemel aan de mens gegeven. Het is de opdracht van de mens om zijn geestelijke vermogens te ontplooien en steeds verder te ontwikkelen. Dit is een levenslange taak.

Bij de geboorte kregen we levenslang. Levenslang niet om zoveel mogelijk euro’s te verdienen maar om zoveel mogelijk spiritueel te groeien en te stijgen. Dat kan alleen wanneer wij niet alleen bezig zijn om Joodse instituten in stand te houden (hetgeen een belangrijk streven is), maar ook om te proberen zelf wat mee te nemen van de diepere inhoud van alle gebeden.
Zich verbonden voelen met G’d op deze Jamiem Nora’iem, ontzagwekkende momenten, is essentieel. Er is geen gelegenheid in het Joodse jaar, waarop we zo met onszelf geconfronteerd worden.
Het leven is geen toeval. We leven niet alleen om te werken of om te genieten. We leven om te stijgen. De geschiedenis is geen toeval. Vanaf het begin van de schepping tot het einde der dagen heeft G’d een duidelijk plan met deze wereld.
Iedereen heeft zijn eigen problemen en testen. De een zijn kracht is de ander zijn zwakte, de een zijn brood is de ander zijn dood. Waarom zijn we hier allemaal op de wereld? Met een duidelijk doel? Om onszelf te ontstijgen. Niets is zomaar gegeven. Niets is statisch. G’d heeft een duidelijk plan met ons. Maar wij moeten dat realiseren. We zijn geen robots: G’d heeft ons een vrije wil gegeven.
De verleidingen zijn groot maar toch zal het Joodse volk uiteindelijk de goede keuzes maken, goedschiks of kwaadschiks.

6e alija, 30:7-14. Wanneer wij tot G’d terugkeren zal G’d ons een regen van zegeningen op ons laten neerdalen. 7e alija, 30:14-20. Leven wordt met het goede geassocieerd en de dood met het kwade.

Sjabbat Sjalom

Reacties zijn gesloten.