KI TAVO (als je komt): Als het Land vrucht draagt, moet je de eerstelingen naar het Heiligdom brengen en een verklaring afleggen dat je alles aan G’d te danken hebt, dat je de geboden hebt uitgevoerd en de opgedragen tienden aan de rechthebbenden hebt gegeven. Mosjé stelt nog eens dat G’d een wederzijdse afspraak met de Bné Jisraëel heeft gemaakt: Hij heeft Zich de Bné Jisraëel als volk genomen en het volk zal alle geboden nakomen. Als het volk de Jordaan overtrekt moeten grote stenen genomen worden die later op de berg Ewal geplaatst zullen worden. Op de stenen moet de hele Tora worden geschreven. Er moet op de Ewal een altaar gebouwd worden dat niet met ijzer mag worden bewerkt.
Na het overtrekken van de Jordaan moet de helft van de stammen op de berg Geriziem staan en de andere helft op de berg Ewal, terwijl de Levieten twaalf (zegeningen en) vloeken reciteren, waarop het volk Ameen moet antwoorden. Mosjé noemt dan de zegeningen die het volk deelachtig zal worden als ze de ge- en verboden in acht nemen, maar als ze dat niet doen dan komen de ergste vervloekingen over hen.
Bikoeriem: dankbaar voor het Heilige Land
Ki Tavo begint met de mitsva van de bikoeriem, het brengen van de eerste rijpe vruchten naar de Tempel in Jeruzalem:
“Wanneer je dan in het land dat G-d je als erfgoed geeft, gekomen bent, het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen, moet je van het eerste van alle vruchten van de bodem nemen die je binnen brengt van het land dat
G-d je geeft en die in een mand doen, dan moet je gaan naar de plaats die G-d zal uitkiezen om daar Zijn Naam te vestigen.
En als je bij de priester gekomen bent, die in die dagen de dienst verricht, moet je hem zeggen: “Heden verklaar ik voor uw G-d dat ik gekomen ben in het land dat G-d onder ede aan onze voorouders beloofd heeft … Een Arameeër verwoestte mijn vader …” (26:1-5).
Het brengen van de bikoeriem naar Jeruzalem herinnert ons eraan dat alles dat wij hier op aarde bezitten van Hasjeem komt. Wanneer wij na het land bewerkt te hebben de eerste rijpe vruchten oogsten, geven wij niet onszelf een schouderklopje voor ons harde werk, maar wenden wij ons eerst tot G-d, die ons met deze rijkdom gezegend heeft.
Pas daarna kunnen wij zelf genieten van de vruchten van ons harde werk. Op deze manier worden wij gedwongen te realiseren dat alles wat wij bezitten uiteindelijk aan G-d te danken is, iets wat wij makkelijk zouden kunnen vergeten wanneer wij zelf hard hebben moeten zwoegen om iets voor elkaar te krijgen.
Hoe makkelijk is het in zo een situatie om te denken dat onze bezittingen onze eigen verdiensten zijn en te vergeten dat G-d in goede én in slechte tijden voor ons zorgt. Deze herinnering dat G-d de Bron van álles is, is één van de redenen voor het brengen van de bikoeriem.
Wanneer men in de tijd van de Tempel de bikoeriem als offer naar Jeruzalem bracht, werd het brengen van dit offer ingeleid met een vidoej (belijdenis) waarvan hierboven het begin wordt weergegeven. De lange weg van de Avot (Aartsvaders) wordt genoemd en de verlossing uit Egypte.
Maar waarom begint deze vidoej met het noemen van een Arameeër? Wie is deze Arameeër die probeerde onze “vader” te vermoorden? Wanneer wij alle vijanden van de Aartsvaders en het Joodse volk op hun lange weg tot de intocht in Israël de revue laten passeren, denken wij niet als eerste aan een Arameeër, eerder aan Farao, de Egyptenaren of aan Amalek. Toch wordt deze Arameeër in een tijd van dankbaarheid bij het brengen van de eerste rijpe vruchten herinnerd. Wat mag dit betekenen?
Blokkades op de weg
In de Hagada van Pesach lezen we ook over een Arameeër, die het Joodse volk probeerde te verwoesten door onze vader Ja’akov uit te schakelen. Terwijl Farao alleen de Joodse jongetjes wilde vermoorden – aldus de Hagada, probeerde Lavan ons geheel te vernietigen.
Toch is dit niet hoe wij het verhaal van Ja’akov en Lavan in de Tora begrijpen. Lavan wilde zijn schoonzoon Ja’akov vermoorden toen hij stiekem met zijn familie het schoonvaderlijk huis had verlaten, maar Lavan werd hiervan door G-d in een droom weerhouden en deed Ja’akov daarom geen kwaad. Dit is toch zeker niet het grootste onheil dat op het pad van onze voorvaders is gekomen, of toch wel? Uit de woorden van Lavan zelf kunnen wij begrijpen wat nu precies het grote gevaar was in Lavan’s bedoelingen:
“Niet eens heb je me in staat gesteld mijn zonen en mijn dochters te kussen … De dochters zijn mijn dochters, de kinderen zijn mijn kinderen” (Bereesjiet 31:28, 43)
Lavan beschouwde de kinderen van Ja’akov als zijn eigen kinderen. Het Joodse volk ontstond pas met de kinderen van Ja’akov, zij waren de twaalf stammen van Israël. De kinderen van Ja’akov vormden de voltooiing van alles dat Avraham, Jitschak en Ja’akov hadden opgebouwd. Zonder hen zou hier niets van overblijven.
Lavan wilde zich van Ja’akov ontdoen en de kinderen voor zichzelf houden. Als hij hierin geslaagd zou zijn, zou dat het einde van het Joodse volk betekend hebben, nog voordat het werkelijk “geboren” was, en dit was ook precies wat hij voor ogen had.
Lavan kende de kracht van de missie van Avraham, Jitschak en Ja’akov. Zijn zusje was getrouwd met Jitschak en was met de geboorte van haar zoon Ja’akov een stapje dichter bij de vervolmaking van deze boodschap gekomen.
De échte vervolmaking hiervan zou pas bestaan in de geboorte van het Joodse volk. Hiervoor waren de twaalf stammen nodig. Als Lavan Ja’akov zou uitschakelen en de kinderen bij zich zou houden, dan had hij voorkomen dat de boodschap van G-ds Eenheid over de wereld verspreid zou worden.
Lavan wist dat in een wereld waar deze boodschap verspreid zou worden uiteindelijk geen plaats zou zijn voor mensen zoals hij.
Toen men ten tijde van de Tempel de eerste rijpe vruchten van Israël als offer bracht, was het daarom gepast om Lavan te noemen als eerste obstakel op de weg van het Joodse volk, een weg die zou eindigen met de inname van het Heilige Land.
Met de intocht in het Land kreeg het Joodse volk ook al het goede van het land. Maar zij mochten nooit vergeten via welke weg en met Wiens hulp zij op die plek gekomen waren. Om daaraan te herinneren werd de vidoej (belijdenis) ingesteld bij het brengen van de bikoeriem.
G-d dienen in vreugde
De mitsva van het brengen van de bikoeriem is een vreugdevolle aangelegenheid maar wordt na nog enkele geboden, die betrekking hebben op de intocht, direct gevolgd door een opsomming van de vloeken die het Joodse volk te wachten staan wanneer zij zich niet aan de voorschriften van de Tora houden.
Waarom staan vreugde en vloek zo vlak na elkaar?
De antwoord op deze vraag staat aan het einde van de opsomming van de vloeken:
“Al deze vervloekingen komen over jou … Omdat je geen gehoor hebt gegeven aan de roep van
G-d, je te houden aan Zijn geboden en wetten, die Hij je heeft opgedragen … Omdat je G-d niet blij en welgemoed wilde dienen toen er overvloed aan alles was …” (28:45,47).
De kelalot zijn niet alleen vloeken voor het niet nakomen van Hasjeems geboden, de vloeken zijn een straf voor een gebrek aan vreugde in de dienst van Hasjeem!
Wanneer wij G-d niet in vreugde dienen, ontstaat er langzamerhand een weerstand die uiteindelijk zal leiden tot het geheel verlaten van G-ds wegen. Net zoals de teneergeslagen Kajin uiteindelijk zijn broer Hevel vermoordde en daarmee volledig van G-ds pad af raakte, zo kan een gebrek aan vreugde in het uitvoeren van de mitsvot leiden tot het nalaten van bepaalde mitsvot en uiteindelijk het vergeten van Hasjeem, G-d verhoede!
Het brengen van de bikoeriem is dus niet alleen een mitsva ter herinnering aan G-ds Almacht, maar ook een mitsva die met vreugde uitgevoerd moet worden, zodat de herinnering niet alleen in het hoofd, maar ook in het hart blijft leven, waardoor het Joodse volk dicht bij Hasjeem blijft.
Ook vandaag de dag moeten wij hiervan leren de mitsvot niet als routine te beschouwen, iets dat we nu eenmaal moeten doen omdat het zo hoort, maar juist als een middel om dichter bij Hasjeem te komen door Hem in vreugde te dienen.
Alleen door dankbaar te zijn voor alles wat wij hebben en de mitsvot met blijheid in ons hart uit te voeren, kunnen wij de Tora levend houden. Alleen op deze manier kunnen wij er voor zorgen dat ook onze kinderen de Tora zullen voortzetten, met liefde voor de mitsvot.
Het is Eloel, de maand voorafgaand aan Rosj Hasjana en Jom Kippoer, de tijd van bezinning en verzoening.
Er wordt gezegd dat Eloel een acroniem is voor “ani le’dodi ve’dodi li”, ik (het Joodse volk) ben er voor mijn geliefde (G-d) en mijn geliefde is er voor mij. Dit is de periode dat G-d het dichtst bij ons staat en is daarom bij uitstek de tijd om aan onze relatie met G-d te werken. Als wij het initiatief nemen Hem naderbij te komen, zal Hij ons tegemoet komen. Maar wanneer wij de mitsvot beschouwen als een verplichting zal het moeilijk worden die eerste stap te nemen en blijft Hij op afstand.
Wanneer diende het Joodse volk Hasjeem niet in vreugde volgens onze pasoek? “Toen er overvloed aan alles was.” Juist de tijden van overvloed worden hier genoemd. Waarom?
Wanneer er overvloed is de mens geneigd naar zijn eigen verdiensten te kijken als bron van succes. Dan kunnen de mitsvot ook makkelijk een last lijken, de tijd die in de mitsvot gestoken moet worden kan immers ook gebruikt worden om nóg meer winst te maken, nog mooiere oogsten binnen te halen, nog meer eer te behalen of nog meer te genieten.
Na succes ligt arrogantie op de loer. Een negatieve houding ten opzichte van de mitsvot die weer leidt tot nalatigheid en verwaarlozing van ons culturele erfgoed.
Sjabbat Sjalom.
