Parsja Re’ee

Re’ee (Zie): Als HaSjeem de Bné Jisraëel het Land binnenbrengt moet de zegen worden uitgesproken bij de berg Geriziem en de vloek bij de berg Ebal. Alle afgodstekenen in het Land moeten vernietigd worden. HaSjeem zal een plaats bestemmen voor alle rituele handelingen, die nergens anders mogen plaatsvinden. Er mag binnen de poorten vlees gegeten worden, maar het bloed niet, want dat is de zetel van het leven. De Tora is volmaakt; er mag niets van weggelaten worden en niets aan toegevoegd. Voorts een waarschuwing tegen valse profeten; ook tegen hen die vreemde goden achterna willen gaan. Het is absoluut verboden kinderen te offeren. Aan de Levieten en aan de armen moeten op vastgestelde tijden tienden verstrekt worden. De dieren, die wel en die niet gegeten mogen worden, worden genoemd. Sommige gaven die men wil brengen naar het Heiligdom kunnen, als vervoer te moeilijk is, tegen geld gelost worden, zodat men in Jeroesjalajiem met dat geld kan kopen wat men wil. Na afloop van een zeven-jaren-cyclus moeten schulden kwijtgescholden worden, een vreemde mag je aanmanen. Slaven moet je in het zevende jaar vrijlaten en overladen met geschenken laten gaan, want je bent zelf slaaf geweest. Wil hij niet gaan, dan wordt zijn oor doorpriemd. De eersteling van het vee moet aan G’d gewijd worden indien het dier gaaf is. Een aantal bepalingen van Pesach, Sjawoeot en Soekot wordt herhaald.

Koheen (11:26-12:10) Zegen krijgen we wanneer we de mitswot in acht nemen en vloek wanneer we ze verwerpen. Deze gedachte zal herhaald worden door Jehosjoe’a bij de bergen Geriziem en de berg Ewal. Afgodenbeelden en tempels moeten vernietigd worden. Hetzelfde moeten we niet G’d aandoen (hetgeen betekent dat we de G’dsnamen niet mogen uitwissen). Het Mikdasj (de Tempel) wordt de focus van het spirituele leven. Alle offers mogen alleen daar worden gebracht. Alle geheiligde voedselsoorten (zoals het tweede tiende en vruchten van het vierde jaar) moeten in Jeruzalem worden gegeten.

Zie, ik leg u vandaag een zegen en een vloek voor: De vloek, wanneer u zult luisteren naar de geboden van de Eeuwige, uw G’d, die ik u vandaag gebied. En de vloek indien u niet zult luisteren naar de geboden van de Eeuwige, uw G’d, en zult afwijken van de weg die ik u heden gebied, door andere goden te volgen die u niet kent’ (11:26-28).

Re’ee staat in het enkelvoud. Maar de pasoek gaat verder in het meervoud: lifneechem (voor jullie). De Klie Jakar verbindt deze ‘switch’ met de befaamde Ma’amar Chazal (uitspraak van onze Wijzen), dat ‘we te allen tijde de wereld met ons spirituele oog moeten bekijken alsof deze exact in balans is, voor de helft zechoejot – verdiensten – en voor de andere helft awonot (aweres – overtredingen)’ (B.T. Kiddoesjien 40b). In de openingspasoek wordt de enkeling aangesproken op zijn verantwoordelijkheid voor de Klal – het geheel van de gemeenschap. Onze privé aangelegenheden gaan in feite iedereen aan. Deze gedachte wordt juist hier benadrukt omdat we zo meteen overgaan naar de mitsva van Har Geriziem en Har Eval, waar ‘heel Israel voor elkaar verantwoordelijk werden’.

Alles wat de Tora hier propageert, druist in tegen de normen en waarden van de ons omringende cultuur. Over het algemeen stelt onze omgeving, dat wat iedereen privé doet, hij of zij maar voor zichzelf moeten uitmaken. Dat gaat niemand anders wat aan. Zo is het inmiddels zelfs wettelijk geregeld. Wellicht is dit te begrijpen in een multi-culturele samenleving, waar honderden zeer uiteenlopende levensvisies op enkele duizenden vierkante kilometers gemoedelijk moeten zien samen te wonen. Het Joodse volk wordt echter geacht een veel grotere eenheid te vormen omdat ze ook een gedeelde levensvisie en een gemeenschappelijk doel hebben.

En wat betekent het woord ‘hajom’ – vandaag leg Ik jullie de zegen en de vloek voor? Hasjeem gaf Am Jisra’eel voldoende bedenktijd voordat zij die hoogstaande onderlinge verantwoordelijkheid op zich zouden nemen in Erets Jisra’eel. Geheel vrijwillig hebben we dat alles aanvaard: niet overhaast noch ondoordacht. Dit duidt op een hoge mate van eenheid en saamhorigheid, die Am Jisraeel gedurende de lange reis door goloes altijd heeft gekenmerkt.

Maar er zit een nog diepere gedachte achter. ‘Hajom’ duidt op de bron van de dag – de zon. De zon heeft vaak tegenstrijdige effecten: hij smelt was maar stolt ei. Het gezicht van de wasser wordt bruinverbrand maar het kledingstuk wordt blinkend wit. Al die verschillende effecten van het zonlicht duiden niet op veranderingen in de zon maar veeleer op de uiteenlopende wijzen waarop dat zonnelicht opgevangen en verwerkt wordt door de ontvangers. Hetzelfde geldt voor ‘berooches en keloles’ – zegen en vloek. Hoewel beide Hemelse invloeden verschillend op ons inwerken, zijn zij beide toch afkomstig van één en dezelfde Bron, die stelt: “Ik G’d ben niet veranderd” (Malachi 3:6). Van G’d komt goed noch kwaad. Het is de menselijke perceptie die alles kleurt en ‘labelt’.

“De beracha wanneer je zult luisteren”: bij de vloek staat dat die geldt wanneer men niet luistert en afwijkt van de weg (dwz. ook verkeerd handelt). Maar de beracha krijgen we al wanneer we alleen luisteren want ook bij enkel een ‘goede gedachte en wil wordt het al aangerekend alsof men de goede daad, die men zich had voorgenomen, heeft uitgevoerd’. Zo leren we ook onze medemens, die op dit moment misschien nog niet veel goeds doet maar wel die positieve intenties heeft, veel meer waarderen.

Levi (12:11-28) In Israël zal er een speciale plaats worden aangewezen voor het brengen van alle offers. Daar moeten we ons in geestelijke zin verheugen en de Levieten en de minderbedeelden ook mee laten genieten van onze zegeningen. Het is verboden offers elders te brengen. Alleen die offers die door lichamelijke gebreken niet meer geschikt zijn om op het Altaar te brengen, moeten gelost worden en mogen als gewoon vlees worden gegeten. Het bloed van deze dieren mag niet worden gegeten. Het is verboden om het tweede tiende buiten Jeruzalem te eten, of het nu van graan, wijn of olijfolie is. Vlees van offers mag niet buiten Jeruzalem of het voorhof van de Tempel gegeten worden. Als wij vlees willen eten, dan moeten we het op een juiste manier slachten (de details staan in de Mondelinge Leer). We mogen geen ledematen van levende dieren eten (het dier moet gedood worden voordat het vlees eraf gesneden wordt). Bloed moet uit het vlees verwijderd worden. De offers moeten op het Altaar gebracht worden, het bloed moet erop worden gesprenkeld en het vlees moet in het Mikdasj gegeten worden.

“Eet geen bloed opdat het u en uw kinderen na u goed zal gaan” (12:25).

Rabbi Efraim Luntshits vraagt zich af waarom ook de kinderen worden vermeld. Wanneer wij bloed eten, verandert dat kennelijk iets in onze psychische make-up of in de interactie tussen onze geest en het lichaam. Omdat onze kinderen onze genenstructuur overnemen, is het niet onwaarschijnlijk, dat de wreedheid en bloeddorstigheid, die wij enigszins overnemen van het geconsumeerde bloed, ook overgaat naar de volgende generaties. Als we geen bloed eten, is dat ook voor onze afstammelingen een zegen.

3e alija (12:29-13:19) Wij mogen ons niet interesseren voor de afgodische praktijken van de omliggende volkeren. We mogen niets toevoegen aan de Tora of er vanaf nemen. Als een profeet in naam van afgoderij waarzegt, is het verboden om naar hem te luisteren, zelfs wanneer hij wonderen verricht. De mens werd hier getest op zijn ware geloof in G’d. Wij moeten G’d volgen, Zijn geboden in acht nemen en ons aan Hem hechten. Een valse profeet moet worden gedood voor zijn pogingen om ons weg te halen bij G’d. ‘Heb uw naaste lief gelijk uzelf’ geldt niet voor degene die ons probeert te verleiden tot afgoderij en wij mogen hem niet in bescherming nemen. Wanneer een hele stad tot afgoderij vervalt, moet de zaak zeer goed onderzocht worden. De stad moet verwoest worden en mag nooit meer worden herbouwd.

“En Hasjeem zal je Rachamiem [erbarmen] geven en medelijden met je hebben” (13:18).

Na het zware vonnis tegen de ‘Ier Hanidachat’ – dat gepercipieerd wordt als wreed en hardvochtig (Klie Jakar) – moet Hasjeem de mens weer het medemenselijk gevoel teruggeven omdat wreedheid anders wellicht een deel gaat worden van onze persoonlijkheid. Daarom wordt ook hier gelet op de kinderen – want anders wordt achzarioet een deel van ons leven en vererven wij dat naar de volgende generatie. De Ba’al HaToeriem merkt nog op dat deze karaktereigenschap ‘Rachamiem’ direct gevolgd wordt door de frase ‘Kinderen zijn jullie van G’d’. Dit betekent, dat ‘iedereen, die Rachamiem heeft en sympathiek omgaat met zijn medemens, door Hasjeem als een eigen kind behandelt wordt en vanuit de Hemel positief benaderd wordt (B.T.Sjabbat 151b).

4e alija (14:1-21) Het is verboden om inkepingen in onszelf te maken voor afgodische doeleinden of om doden te betreuren. Ook is het verboden om in rouw haar uit te trekken. We mogen geen korbanot (offers) eten die gediskwalificeerd zijn. Tien zoogdieren mogen we eten (drie tamme en zeven wilde dieren). Kosjere dieren hebben gespleten hoeven en herkauwen. Vissen met schubben en vinnen mogen gegeten worden. Koosjere vogels mogen we eten. Daarna volgt een lijst van 21 soorten vogels die verboden zijn. (Welke eigenschappen kosjere vogels onderscheiden wordt niet vermeld. We kunnen tegenwoordig niet meer afgaan op de namen van de vogels, omdat het moderne Hebreeuws afwijkt van het Tora en Misjna-Hebreeuws. De enige aanwijzing is de traditie in onze gemeenschap. Zonder duidelijke traditie mogen we geen vogels eten). Gevleugelde insecten zijn verboden, behalve kosjere sprinkhanen. Als een dier niet koosjer is geslacht (newela), mag het niet gegeten worden. Mengsels van melk en vlees mogen niet gekookt of gegeten worden en men mag er geen voordeel aan ontlenen. 5e alija (14:22-29) Een tiende van de oogst wordt afgescheiden als ma’aseer sjenie (tweede tiende). Het blijft eigendom van de boer, maar moet naar Jeroesjalajiem om daar gegeten te worden in rituele reinheid. Als het tweede tiende teveel is mag men het lossen voor de marktwaarde plus 25% en het geld besteden in Jeroesjalajiem. Ga zorgvuldig om met armen en levieten die geen eigen deel in het land hebben: “opdat G’d u zegenen zal in al uw werk”.

Alles wat met Tsedaka (liefdadigheid) te maken heeft, staat met dubbele woorden beschreven, zoals ‘Aseer Te’aseer, Naton Titeen, Patoach Tiftach etc. Daarom staat ook de beloning met dubbele termen beschreven: Bareech Jevarechecha. Veel aspecten van Tsedaka zijn duaal: geven doe je met de hand maar een aardig woord – wat daarbij onmisbaar is – gebeurt mondeling. Zo wordt ook de uitspraak van onze Wijzen (B.T. Berachot 8b) uitgelegd, die stelt, dat voor men gaat davvenen (bidden) men ‘eerst de maat van twee deuren (openingen) moet wachten. Rabbi Efraim Luntschits legt uit, dat dit de basis vormt voor de raad, dat men voor het davvenen eerst wat Tsedaka geeft. Twee openingen slaat dan terug op Patoach Tiftach – opening van de hand en opening van het hart. Ook hierbij geldt, dat wanneer wij medelijden hebben met onze medemensen Hasjeem erbarmen met ons heeft. De interactie tussen de mensen weerspiegelt zich in de wisselwerking tussen de mens en Hasjeem.

Een andere verklaring voor de dubbele terminologieën bij Tsedaka luidt, dat ‘van het een het ander komt’. Gelijk de ene mitsva de andere veroorzaakt – en hetzelfde geldt helaas ook voor het kwade in de wereld – zo geldt ook bij Tsedaka dat de ene gift de andere gave opwekt. Als het ons gelukt is een maal te geven zal het de volgende keer een stuk makkelijker zijn. Patoach Tiftach – blijf geven. Geven roept een kettingreactie van goedheid en positiviteit op.

De Ba’al HaToeriem wijst ons nog op twee andere betekenislagen van de dubbele terminologie. Niet al het geven mag gelijk zijn. Men moet letten op de individuele verschillen en behoeften – en niet blind aan iedereen hetzelfde geven ongeacht zijn of haar situatie. Ook hier komt de emotionele betrokkenheid weer naar voren. Tsedaka is meer dan alleen maar ‘een girootje uitschrijven aan een verder onbekend doel’. Het is ook een ‘harteplicht’. Bovendien hoeven we niet alleen maar te wachten tot de arme bij ons aan de deur komt. Wij kunnen ook naar hem toe gaan als hij zich schaamt om bij ons aan te kloppen. Patoach Tiftach: breng het van jouw Petach (deur) naar zijn Petach als dat nodig is.

6e alija (15:1-18) Wanneer het zevende ‘sabbatical’ jaar (sjemita) voorbij is, kan men niet meer om terugbetaling van leningen vragen. Wanneer wij de Tora volgen zal er geen armoede zijn. Indien we worden geconfronteerd met armoede moeten wij de armen ondersteunen. Het is een grote mitsva om tsedaka (liefdadigheid) te geven en minderbedeelden op eervolle wijze te ondersteunen. Weiger geen leningen omdat het sjemita (zevende) jaar nadert. Want wanneer jij hem niets geeft, zal de arme G’d aanroepen en zal jij verantwoordelijk worden gehouden. Slaven mogen niet langer dan zes jaar werken en worden het zevende jaar vrijgelaten. U zult hem niet met lege handen laten gaan, maar bedenken van waar G’d u mee gezegend heeft. Als de slaaf niet weg wil, blijft hij tot het Joweeljaar in dienst.

“Na afloop van zeven jaren zult u vrijlating houden” (15:1).

‘Mikeets Sjeva Sjaniem’ – Nachmanides maakt melding van een bekend meningsverschil over de vertaling van het woord ‘mikeets’ – aan het einde van zeven jaar zul je de lening ‘loslaten’. Wat is hier de exacte datering van het ‘keets’ van 7 jaar? Keets betekent uiteinde. Maar dat kan ook het begin zijn. Moet de financiële loslating aan het begin of aan het einde van het Sjemita-jaar plaatsvinden? Voor de praktijk volgen wij de opvatting, dat hier na afloop van de zeven jaar bedoeld wordt en niet het begin. Andere groeperingen volgen de opvatting dat hier het begin van het Sjemita-jaar bedoeld is. Zij maken de ‘Proesboel’ – een contract waardoor de schulden worden overgedragen aan het Beet Dien en daardoor niet opgeheven worden – aan het begin van het Sjemita-jaar. Zeer scrupuleuze individuen maken zowel aan het begin als aan het eind van het Sjemita-jaar een Proesboel.

7e alija (15:19-16:17) De eerstgeborenen van koeien, schapen en geiten zijn heilig. Er mag niet mee gewerkt worden en men mag er geen profijt van hebben. Bechoriem moeten worden gegeven aan de Koheen (30 of 50 dagen na de geboorte). De eerstgeboren dieren worden als Korban binnen het jaar gebracht in de Tempel te Jeruzalem gegeten en door de Koheen en zijn familie gegeten. Wanneer ze niet meer geschikt zijn voor het altaar (bijvoorbeeld als zij een gebrek oplopen waardoor zij niet meer geschikt zijn als offerdier), blijft het eerstgeboren dier eigendom van de Koheen en kan hij daarmee doen wat hij wil. Neem de lentemaand in acht en breng een Pesach-offer. Chameets (gerezen producten) zijn verboden vanaf de dag voor Pesach ’s middags. Verheug je op de feestdagen. Breng offers naar de Tempel voor de Chagiem (feestdagen), verschijn daar niet met lege handen.

Sjabbat Sjalom

Reacties zijn gesloten.