Parsja Eekev

EKEV (onderweg naar de beloning): Nogmaals brengt Mosjé de mensen onder ogen dat ze, als ze zich houden aan de geboden, gezegend zullen zijn, maar als ze hooghartig zijn, problemen zullen krijgen. Hij brengt hen de zonde van het gouden kalf in herinnering en hoe HaSjeem het volk had willen vernietigen. Het lukte Mosjé G’ds woede tot bedaren te brengen. Weest niet hardnekkig maar dien G’d met heel je hart. Mosjé brengt veel gebeurtenissen in herinnering, ook de Stenen Tafelen van het Verbond. Mosjé legt de nadruk op G’ds goedheid en de wonderen die Hij voor het volk verricht heeft. Ze hebben met eigen ogen gezien wat G’d met de Egyptenaren gedaan heeft. Ook Israël zal worden veroverd met de hulp van HaSjeem.
Koheen, 7:12-8:10. Mosjé herinnert aan de ‘deal’: als wij ons aan de Tora houden, zal G’d ons liefhebben en zegenen. Onvruchtbaarheid en ziekten zullen niet meer bestaan. HaSjeem zal ons de machtigste volkeren laten overwinnen. De verovering van Kena’an zal langzaam geschieden, omdat het land anders overspoeld raakt van wildgedierte. Afgoden moeten vernietigd worden. Het Manna diende als test. De zeven soorten van Israël zijn tarwe, gerst, druiven, vijgen, granaatappelen, olijven en dadels. Na het eten moeten we bensjen.

“Wanneer – kie – je in je hart zal zeggen: ‘Teveel zijn deze volkeren, hoe kan ik ze verdrijven?’ 18. Wees niet bang voor hen. Herinner je alles dat G’d voor je heeft gedaan met Farao en met heel Egypte (7:17-18).

Rasji legt uit dat het woord “kie” hier een uitdrukking van “misschien” is. “Misschien zul je in je hart zeggen: ‘Omdat zij veel zijn, zal het onmogelijk zijn om ze te verdrijven’. Rasji herhaalt, dat je “kie” niet anders uit kan leggen. Anders past het niet in zin 18: “Wees niet bang”. Het woordje “kie” kan vier dingen betekenen: 1. als of wanneer, 2. misschien, 3. maar, 4. omdat.

In pasoek 17 kan het alleen “misschien/wellicht” betekenen. Rasji wil niet naar de verklaring van “wanneer je in je hart zult zeggen” omdat dit zou betekenen dat ze al bang waren. Het is erg moeilijk om tegen mensen die al bang zijn te zeggen, dat ze niet hoeven te vrezen. Daar worden zij niet mee geholpen. Enkel zeggen, dat ze niet bang hoeven zijn is te weinig. “Kie” op deze plek vertalen als “wanneer” of “als” is niet realistisch. De andere twee vertalingen kloppen hier zeker ook niet.

Het enige dat overblijft is “misschien”: “Misschien zul je in je hart zeggen dat de volkeren te veel zijn, hoe kan ik ze verdrijven? G’d verzekert dan dat je niet bang hoeft te zijn. Daarom herhaalt Rasji dit nog een tweede keer, omdat hij wil benadrukken dat het verband tussen de twee pesoekiem (17:17 en 17:18) alleen op deze manier goed te begrijpen is.

Levi, 8:11-9:3. Zeg niet: “Kijk wat ik bereikt heb op eigen kracht”. Herinner altijd dat het G’d was die Zijn belofte aan onze voorouders in acht neemt. Weet dat afgoderij leidt tot vernietiging. 3e alija (9:4-29). Mosjé vertelt, dat G’d het volk wilde vernietigen. Zelfs Aharon moest het ontgelden.

Zeg niet in je hart, wanneer Hasjeem hen verdrijft voor jullie, als volgt: ‘Door mijn goedheid heeft G’d mij gebracht om het land in bezit te nemen’. Door de slechtheid van de volkeren heeft Hasjeem ze voor jullie uit gedreven. Niet door jouw rechtvaardigheid of oprechtheid kunnen jullie het land erven, maar door hun slechtheid heeft G’d hen voor u verdreven en om de zaak uit te voeren die G’d beloofd heeft aan jullie voorouders, Avraham, Jitschak en Ja’akov” (9:4-5).

De verzen 4 en 5 lijken tegenstrijdig. Ten eerste wordt er gezegd dat we niet moeten denken dat onze rechtvaardigheid ons het land heeft doen erven, en dat we niet moeten denken dat de volkeren zo slecht waren dat G’d ze heeft verdreven, maar in feite zegt de volgende pasoek (vers) dat dat wél de realiteit is. De slechtheid van de volkeren heeft hen uit het Heilige land gezet. Rasji laat ons duidelijk merken dat wij niet moeten denken dat beide factoren tot de intocht hebben geleid. Het was voornamelijk de slechtheid van de volkeren die er toe geleid heeft dat zij verdreven werden. Het was niet zozeer onze goedheid maar de verdienste van de voorvaderen, Avraham, Jitschak en Ja’akov die ertoe geleid hebben dat wij Israël kregen.

Dit staat overigens al aangegeven bij het verbond tussen de stukken (Bereesjiet 15:15): “De vierde generatie zal hier terugkeren omdat de verdorvenheid van de Amorieten nog niet volledig is”. Toen het land Israël het kwalijke gedrag van de Amoirieten niet meer kon tolereren, werden zij eruit gezet. Toen konden de Joden het Land veroveren.’’

4e alija (10:1-11). De stam Levie krijgt een speciale rol vanwege het slechte gedrag van de rest van het volk

“En nu, Israël, wat wil G’d van u? Slechts om hem te vrezen, te gaan in zijn wegen en Hem lief te hebben en Hem te dienen met heel uw hart en heel uw ziel” (10:12).

Rasji zegt: “Onze Chagamiem hebben hieruit afgeleid dat alles in de hand van de Hemel is, behalve vrees voor G’d”. Wanneer Hasjeem van ons vraagt om Hem te vrezen, betekent dit dat de zaak als het ware buiten Hem om gaat. Als dit de enige zaak is die G’d van ons verlangt, dan betekent het dat alle andere zaken niet binnen ons bereik liggen. De Mosjav Zekeniem (van de Tosafisten) citeert de Talmoed in B.T. Ketoevot 30a waar staat dat alles in de hand van de Hemel is, behalve “tsiniem” en “pagiem”. Tsiniem zijn doornen en pagiem zijn vallen (Spreuken 22:5). Voorzichtige mensen voorkomen dat ze daardoor beschadigd worden. Iedereen is daarvoor zelf verantwoordelijk. Als de mens niet oppast, zal G’d hem wellicht niet beschermen. Kennelijk is er meer “niet in G’ds hand” dan alleen maar de vrees voor de Hemel.

Er bestaan inderdaad twee gebieden waar de mens zelf verantwoordelijk is; de aardse en de hemelse wereld – gasjmioet en roechnioet. In de aardse zin kunnen bepaalde schadelijke invloeden vermeden worden. Hogere zaken zoals persoonlijkheid of intelligentie zijn in G’ds handen en van te voren bepaald. Het enige wat wij daar zelf kunnen kiezen is of wij G’d zullen vrezen.

Beide uitspraken zijn dus niet tegenstrijdig. Het gaat over twee verschillende levensgebieden, het geestelijke en het materiële. In beide sferen bestaat een bepaald gebied waarin G’d ons volledig vrij laat. De profeet Jirmijahoe geeft dit al duidelijk weer: “Zo zegt Hasjeem: ‘Een wijs mens moet zichzelf niet beroemen op zijn wijsheid, een sterke moet zichzelf niet beroemen om zijn kracht, en een rijk man moet zichzelf niet beroemen op zijn rijkdom. Maar hij die zich wil beroemen, moet zich hier in beroemen: dat hij verstand heeft en Mij kent, dat Ik Hasjeem ben, die goedertierenheid, recht en gerechtigheid op aarde doet. Want in die mensen heb Ik behagen’, zegt Hasjeem” (9:22).

We kunnen alleen trots zijn als wij zelf iets hebben gepresteerd. Maar de meeste dingen in ons leven zijn gaven van G’d. Het enige waar we werkelijk trots op kunnen zijn is het kennen van G’d. Dat is onze eigen inzet en inspanning. Dit staat ook aangeduid in de woorden van de pasoek: “wat wil G’d van u?” In het Hebreeuwse “van u” staat hier “me’imach”. Dit betekent: “Wat wil G’d van dat wat bij u is”. In de Hebreeuwse taalnuance betekent dit “dat wat jij bij jezelf hebt”. Niet noodzakelijk je materiële bezittingen, maar meer je spirituele verworvenheden. Dat vraagt G’d, van wat bij je is, wat jij zelf verworven hebt.

5e alija (10:12-11:9). We moeten speciaal liefde betonen aan de bekeerling.

“Want Hasjeem is de G’d van alle goden, de Heer van alle heren, de G’d die groot, machtig en ontzagwekkend is, die geen aanzien des persoons erkent en geen omkoping aanneemt” (10:17).

Rasji legt hier uit dat G’d ons niet voortrekt als men Zijn juk verwerpt en geen omkoopgeld aanneemt om Zich tevreden te stellen met geld. De pasoek lijkt op zichzelf duidelijk. Toch moet hier iets verklaard worden. In Bamidbar 6:26 staat dat het Joodse volk wordt toegewenst dat G’d hen mag voortrekken. Dit wordt bevestigd in B.T. Berachot 20b. Wij mogen G’d inderdaad verzoeken om ons beter te behandelen dan wij eigenlijk verdienen. Als G’d een barmhartige G’d is, dan zal hij dat zeker vaak doen. Maar dit kan alleen wanneer wij in principe G’ds wegen volgen.

Maar wat bedoelt Rasji met zijn tweede verklaring? Dat wij G’d niet kunnen omkopen? Omkopen is zeker niet in de aardse zin bedoeld omdat er geen hand uit de Hemel komt die ons tsedaka-geld aanneemt. De enige manier om G’d om te kopen zou kunnen zijn door het doen van veel mitsvot (goede daden), of door het geven van tsedaka (liefdadigheid). Zowel Maimonides (in zijn commentaar op Pirkee Avot 4:28) als Nachmanides in zijn commentaar op deze pasoek, stellen dat men het met G’d niet op een akkoordje kan gooien door te stellen dat we veel mitsvot zullen doen om een aantal overtredingen goed te maken. G’d straft voor een overtreding en beloont voor goede daden. Ze worden niet tegen elkaar weggestreept. Toch is het niet helemaal te begrijpen. Waarom zou het niet zo kunnen zijn dat iemand door veel goede daden te doen zijn slechte gedrag als het ware doet vergeten?

In Spreuken 16:6 staat: “door liefde en waarheid zal zonde vergeven worden” en “met de vrees voor G’d wijkt men af van het kwade”. Het doen van goede daden alleen is niet voldoende. Het is alleen de eerste stap in de richting van tesjoeva (inkeer). Wij moeten bij G’d vergiffenis vragen voor onze zonden en moeten de waarheid erkennen. Waarheid betekent dat wij onze slechte daden niet proberen te verdoezelen. We moeten ze toegeven en ze mondeling erkennen. We kunnen nog zo veel liefdadigheid geven, maar we kennen geen “aflaat”, hoeveel mitsvot we ook doen. G’d is niet omkoopbaar. Eerlijkheid tegenover G’d over onze misdaden is onze enige remedie.

6e alija (11:10-21). Tefilien, Tora-leren en mezoeza staan garant voor een lang leven in het land.

“Nemen jullie Mijn woorden op in jullie hart en in jullie ziel, bindt ze als een teken op jullie hand en laat ze als herinneringsband tussen jullie ogen zijn” (11:18). 

Tot slot een bescheiden greep uit de minder bekende voorschriften uit de Kitsoer Sjoelchan Aroech over Tefillien:

Als men geen Tefillien heeft en de gemeente davvent al, doet men er goed aan om te wachten tot na het davvenen van de gemeente. Daarna vraagt men van iemand Tefillien te leen om Keriat sjema en Sjemonee Esree met Tefillien te zeggen. Dit is beter dan samen met de gemeente te davvenen, zonder Tefillien.

Als men echter vreest, dat de tijd van Sjema voorbijgaat, voordat men erin slaagt Tefillien te vinden, moet men Sjema’ zeggen zonder Tefillien. Als men vermoedt dat ook de tijd voor de Sjemonee Esree ondertussen voorbijgaat, dient men bovendien de Sjemonee Esree [zonder Tefillien] te davvenen. Wanneer men later Tefillien krijgt, moet men deze met berachot aandoen, en dan zegt men een psalm of davvent men met Tefillien aan mincha. Het is toegestaan om Tefillien van iemand anders te lenen, ook zonder zijn medeweten en ze met een beracha om te doen.

Tefillien vereisen een schoon lichaam. Wie ziek is aan zijn ingewanden, is vrijgesteld Tefillien te leggen, ook als hij geen pijn heeft, omdat hij zich niet behoorlijk schoon kan houden. Maar als hij denkt, dat hij zich tijdens het zeggen van Sjema en Sjemonee Esree kan goedhouden, moet hij ze wel leggen. Overige zieken die ten gevolge van hun lijden zich niet voldoende kunnen concentreren, zijn vrijgesteld van de mitsva om Tefillien te leggen. Het is immers met Tefillien om verboden zijn aandacht te laten afleiden. Als men zich wel kan concentreren, is men wel verplicht Tefillien te leggen.

Betreffende het Tefillien leggen op Chol hamo’eed is er verschil van mening tussen de rabbinale autoriteiten en zijn er verschillende minhagiem. De Hollandse minhag is om Tefillien te leggen met berachot. Maar in sommige plaatsen handelt men volgens die autoriteiten die zeggen dat men op die dagen geen Tefillien legt. In andere plaatsen gaat men volgens die autoriteiten die zeggen dat men wel Tefillien moet leggen, maar dat men dan niet hardop in de sjoel de berachot zegt, zoals op de overige dagen van het jaar. Anderen zijn gewoon Tefillien zonder berachot te leggen. Men moet erop letten dat men in één sjoel niet gelijktijdig verschillende minhagiem volgt, want dan lijkt het zeker dat men het verbod (Devariem 14:1): lo titgodedoe [maak geen aparte groepen] overtreedt.

Wanneer Tefillien eenmaal kosjer zijn bevonden, mag men ze volgens de wet kosjer blijven beschouwen, zolang de huisjes volledig intact zijn. Dan neemt men ook aan, dat de perkamenten rolletjes met de Tora-afdelingen in orde zijn. Toch is het verstandig hen regelmatig te laten nakijken, omdat Tefillien door transpiratie in kwaliteit achteruit gaan. Als men de Tefillien slechts zo nu en dan legt, moet men ze minstens twee maal in de zeven jaar onderzoeken, wegens kans op schimmel. Indien het huisje is opengescheurd of in het water is gevallen, moet men ook de perkamenten rolletjes onderzoeken. Als er geen bevoegd persoon is, die Tefillien kan onderzoeken en ze daarna weer kan dichtnaaien, mag men deze Tefillien blijven leggen. In dat geval mag men echter de berachot niet zeggen.

7e alija (11:22-25). Als we in G’ds voetsporen volgen, zullen wij triomferen.

(Deels gebaseerd op “What’s bothering Rashi?” van A. Bonchek)

Shabbat Shalom.

Reacties zijn gesloten.