Parsja Wa’etchanan

WA-ETCHANAN (en ik smeekte): Mosjé herinnert het volk aan de Openbaring op de berg Sinaï, die voor de hele natie bestemd was. Er mag aan de Wet niets toegevoegd of afgenomen worden. Voorschriften moeten iedere generatie opnieuw overgedragen worden. Mosjé geeft een overzicht van de Tien Geboden en draagt op de Wet strikt na te leven: hebt ontzag voor G’d. Mosjé onderwijst Sjema, de centrale gedachte dat er slecht één G’d is. Bezondig je niet aan G’ds verboden, ga geen huwelijken aan met de inwoners van het Land en vernietig hun afgodische hoogten. Want de Bné Jisraëel zijn aan HaSjeem gewijd, ze mogen niet spiritueel vervallen en hun bijzondere opdracht vergeten. Mosjé voorspelt dat de Bné Jisraëel tot zonden zullen vervallen en dan verstrooid zullen worden onder de volkeren, maar uiteindelijk zullen terugkeren.
Sjabbat
In de Tien Geboden wordt de Sjabbatrust geformuleerd. In welke categorie past het voorschrift van de Sjabbatrust nu eigenlijk? In de categorie mens-milieu, in de relatie mens-G’d of is dit een sociaal voorschrift omwille van de mens en zijn individuele of maatschappelijke welzijn. En wat betekenen de woorden ‘al uw werk doen’? Hoe kunnen wij nu rusten alsof al het werk gedaan is? ‘Zes dagen zult u werken en al uw werk doen’: Maar is het dan mogelijk voor een mens om al zijn werk te doen in zes dagen? (Nee), maar rust alsof al je werk gedaan is!’

Heiliging van de tijd
Het eerste wat in de Tora kadosj – heilig – heet, is niet een voorwerp, een berg of een altaar, maar een dag, een stuk uit de tijd. G’d zegende de zevende dag en heiligde deze (Bereesjiet 2:3). In het Scheppingsverhaal is de Sjabbat heiliging van het begrip tijd. Opvallend is dat het woord kadosj – heilig – in het boek Bereesjiet verder niet meer voorkomt en pas weer aan de orde komt in Sjemot 19:6 wanneer er sprake is van een volk dat een specifieke opdracht krijgt: “Jullie zullen een heilig volk zijn” waarna al snel in de Tien Geboden volgt: “Gedenk de Sjabbat om die te heiligen” (Sjemot 20:8).

‘Heiligen’ betekent ‘afzonderen’ of ‘apart zetten’. De Sjabbat moet wachten totdat het volk Israël op het wereldtoneel verschijnt. Maar ‘heiligen’ betekent ook ‘tot bestemming brengen’. Zo vinden wij in het Rabbinale taalgebruik dat het woord ‘heiligen’ ook wel de betekenis van ‘huwen’ heeft. Wanneer man en vrouw elkaar vinden is het de bedoeling dat zij elkaars uiteindelijke bestemming gaan vormen. Dit beeld past ook bij de verbintenis van het Joodse volk en de Sjabbat. De Sjabbat wordt gezien als de bruid die iedere vrijdagavond door de bruidegom – Israël – weer opnieuw wordt verwelkomd. Zo vertelt de Babylonische Talmoed dat Rabbi Jannai altijd uitriep bij het verwelkomen van de Sjabbat: “Kom bruid, kom bruid!” hetgeen later verwoord is in het bekende welkomstlied ‘Lecha dodi’: ‘kom mijn geliefde (Israel) de bruid tegemoet om de Sjabbat te verwelkomen’, hetgeen nog steeds in alle Synagogen wordt gezongen.

Opvallend bij het werkverbod op de Sjabbat is dat iedereen tot rust wordt verplicht. Niet alleen de kinderen, de slaven en de dieren, maar ook het milieu wordt met rust gelaten. De menselijke heerschappij stopt een dag volledig. De grond wordt met rust gelaten, men mag niet ploegen en oogsten. De Rabbijnen hebben de Torawetgeving uitgebreid om de beheersinstelling van de mens in te dammen. Op Sjabbat laten wij zien dat wij niet de bezitters van de Schepping zijn maar dat deze ervaren wordt als een geschenk van Boven.

Abraham ibn Ezra (1092-1167) stelt duidelijk, dat het doel van Sjabbat en het Sjabbatjaar verdieping van de relatie met het Hogere is. Rabbi Ja’akov Koeli (1689-1732) breidt dit uit naar het zevende decennium, ongeveer overeenkomend met de periode waarin de meeste mensen in onze maatschappij stoppen met werken. Juist dan is het geboden te werken aan de spirituele toekomst. Met de eindigheid van het leven in het vizier, zou ieder mens op de dag van zijn pensionering volledig vrij zijn zich te wijden aan het Hogere. Juist aan het einde van het leven kan men voortbouwen op de kennis en religieuze ervaringen van de eerste zestig jaren van het leven. De lichamelijke lusten zijn duidelijk afgenomen en de geest is gerijpt en gezuiverd, vrij van dagelijkse beslommeringen, open voor het Hogere.

Kibboed Av va’Eem
Midden in de Tien Geboden staat – bijna als een scharnier waarom zeer veel draait – het bekende gebod “Eer uw vader en uw moeder…opdat u lang zult leven en het u goed zal gaan op de aarde, die G’d u geeft” (Dewariem 5:16).

De wederzijdse verantwoordelijkheid tussen ouders en kinderen heeft altijd centraal gestaan in de joodse ethiek. Het feit, dat dit opgenomen staat in de Tien Geboden getuigt van het eminente belang hiervan. De strategische positie binnen de Decaloog is opmerkelijk. Het vijfde gebod vormt de overgang tussen de eerste vier geboden, die de relatie tussen God en mens regelen en de laatste vijf geboden, die de intermenselijke relaties beheersen. De traditie leert ons, dat de eerste vijf geboden en de laatste vijf op aparte Tafelen beschreven stonden. Daarmee gaven de Wijzen aan, dat de Tien geboden twee verschillende systemen bevatten. Kibboed Av va’Eem werd opgenomen in de eerste categorie. Dit is op het eerste gezicht onbegrijpelijk. Kibboed Av va’Eem regelt bij uitstek een relatie tussen mensen; Kibboed Av va’Eem overbrugt de generatiekloof, een aangelegenheid, die weinig verband houdt met de invulling van de relatie tot God.

Abarbanel geeft het verband aan tussen de ouderlijke autoriteit en de aanhankelijkheid aan de traditie: ‘Kibboed Av va’Eem is bedoeld om het aanzien van de joodse traditie, die de ouders zich hebben eigengemaakt, te verhogen zodat de kinderen erin zullen geloven en erop zullen vertrouwen. En daarom bevindt Kibboed Av va’Eem zich binnen het kader van de eerste vijf geboden, die de relatie tussen mens en God regelen’. Respect voor de ouders, de primaire overdragers van het geloof, versterkt het respect voor de traditie, die zij uitdragen. Uiteindelijk wekt het een sfeer van gehechtheid aan de autoriteit van de traditie op. Kibboed Av va’Eem vormt de bron voor generalisatie van een houding, die nodig is voor het behoud van de traditie. Het is een delen van waarden, het samenbeleven van een ‘Weltanschauung’, die de jongere generatie niet uit zichzelf kan genereren. De samenloop in onze moderne maatschappij van het verwerpen van de ouderlijke autoriteit en het ontstaan van allerlei nieuwe cultuurvormen is zeker niet toevallig.

Waardencontinuüm
Ouders zijn aan God gebonden in een waardencontinuüm, dat het gezinsleven de waardigheid, die het toekomt, verschaft. Ouders en God zijn inderdaad compagnons in de mens. De Talmoed stelt niet, dat er medewerking van drie kanten nodig is voor een gezonde baby; dat is een algemeen bekend feit. De Talmoed is hier niet beschrijvend doch normatief aan het woord: een mens is pas een ‘Mensch’ wanneer de goddelijke traditie in hem doorwerkt via zijn ouders. De Talmoed spreekt niet op fysiek niveau doch op spiritueel niveau; de Wijzen zagen de formatie van de mens niet als een eenmalige gebeurtenis maar als een constante doordringing van de drie componenten, die zijn leven bepalen.

Binnen de context
Kibboed Av va’Eem fungeert dus slechts binnen de context, waarin het gegeven is. Uit zijn context gerukt, betekent het misbruik van ouderlijke macht. De door de Tora erkende bevoegdheden mogen nooit tegen de Tora-wet zelf aangewend worden. De Tora formuleert gewenst gedrag bijna altijd in termen van verplichtingen en vrijwel nooit in termen van rechten. De plicht de ouders te eren vormt de keerzijde van de plicht voor de ouders het authentieke jodendom onveranderd en zonder compromissen door te geven. Serieuze toewijding staat hierbij centraal. En hieraan schort het nogal eens bij bijzonder veel ouders. Voordat men zijn kinderen kan opvoeden, moet men eerst zichzelf opvoeden. Zichzelf opvoeden betekent zichzelf constant observeren en rectificeren. Dat impliceert groeien in de religie, kwantitatief en kwalitatief. Welke ouders kunnen van zichzelf zeggen dat hun religieuze beleving van maand tot maand groeit en bloeit? Groeien veronderstelt veranderen. Wie durft zijn levensstijl te wijzigen? Na de adolescentie ligt het levenspatroon bij de meesten vast. Stilstand is achteruitgang en dat geldt met name binnen de religie. De grootste misdaad in de opvoeding is oppervlakkigheid.

In de Talmoed (B.T. Kiddoesjien 30b) staat een moeilijk te bevatten uitspraak: ‘Onze Wijzen hebben voorgeleerd: Drie compagnons werken samen bij de mens: G’d, de vader en de moeder. Wanneer iemand zijn ouders eert, zegt G’d: ‘Ik reken het hen aan alsof Ik tussen hen woon en zij Mij eren’. Wanneer een kind zijn ouders verdriet doet, zegt G’d: ‘Ik heb er goed aan gedaan niet tussen hen te wonen, want zou Ik dit wel gedaan hebben dan zouden zij ook Mij verdriet hebben gedaan’. Dat de mens zijn fysieke bestaan te danken heeft aan zijn ouders en zijn spirituele leven aan G’d moge duidelijk zijn. Maar, vraagt Rabbi Moshe Lieber zich in zijn ‘Fifth Comandment’ af, wat betekent de frase ‘als iemand zijn ouders eert, reken Ik het aan alsof Ik tussen hen woon en zij Mij eren’? Wie zijn die ‘zij’ in het meervoud? Hiervoor werd slechts gesproken over een kind in het enkelvoud. En wat betekent het, dat G’d opeens met terugwerkende kracht niet meer bij de ouders gewoond heeft indien blijkt, dat het kind zijn ouders verdriet aandoet?

‘Eert uw vader en uw moeder’ dient eigenlijk alleen om de Joodse traditie te versterken. Als ouders hun rol als overbrengers van de traditie naar de letter en de geest van de Tora vervullen, zal het kind respect kunnen opbrengen zowel voor de inhoud van de boodschap als voor de dragers van de traditie. Falen de ouders hierin en verwerpt het kind de traditie – en dit is het grootste verdriet voor zijn gelovige ouders – dan blijkt met terugwerkende kracht dat zijn ouders op de een of andere manier wellicht laks, nalatig of onverschillig waren ten aanzien van de essentiële en cruciale rol, die de Tora hun heeft toebedeeld. Dan kan G’d met recht verklaren, dat het hele gezin – de ouders inclusief – Hem verworpen heeft; niet alleen nu, wanneer het kind groot is geworden en zijn eigen weg gekozen blijkt te hebben maar reeds eerder, toen hij klein was. Want nu blijkt, dat zij zich reeds toen niet optimaal hebben ingezet. ‘Wonen’ betekent regelmatig aanwezig zijn. Nu het kind de verkeerde kant opgaat, blijkt G’d in het desbetreffende gezin nooit werkelijk gewoond te hebben!

Ouders en G’d zijn inderdaad compagnons in de mens. Onze Wijzen zagen de formatie van de mens niet als een eenmalige gebeurtenis maar als een constante doordringing van de drie componenten, die zijn leven bepalen. Zo wordt ook een opmerking uit de Midrasj duidelijk: de Tora vertelt hoe de vrouw van Potifar haar dienaar Joseef probeert te verleiden. Joseef wijst haar af maar zijn weerstand brokkelt af. Op een bepaald moment dreigt hij te zwichten voor de wensen van de vrouw van zijn baas; op dat moment ziet hij het gezicht van zijn vader – en volgens een andere versie het gelaat van zijn ingetogen moeder Racheel – en weet hij zich te bedwingen. Hoe kon Joseef zo plotseling van gedachten veranderen en niet toegeven aan zijn gevoelens? Was hij bang voor een pak slaag van zijn vader? Zeker niet! Ja’akov kon zijn vaderrol ook op afstand in tijd en plaats waarmaken omdat hij te allen tijde het levende voorbeeld van een waarachtig Jodendom was geweest. Respect voor de overbrenger en respect voor de traditie gaan hand in hand!

Kibboed Av va’Eem zet ouders sec dus niet op een voetstuk. Met name in onze tijd vragen velen zich af hoe zij Kibboed Av va’Eem moeten opvatten bij een conflict tussen ouderlijke wensen en Tora-geboden. De halacha is hierin zeer duidelijk: de imperatieven van de Tora gaan voor. Een extreem voorbeeld: de ouders willen dat hun zoon in synagoge A dawwent (bidt) maar hij vindt dat hij in synagoge B zich beter kan concentreren. De zoon mag kiezen voor synagoge B, tegen de zin van zijn ouders in. Waarom? Omdat bidden – zo legt Rabbi Chaïm Brisker (19e eeuw) uit – staat en valt met de aandacht, die men heeft. Want Kibboed Av va’Eem was alleen gegeven om de Jodendomsbeleving te versterken. Een ander conflict speelt in de huwelijkssfeer: de zoon wil een vrouw trouwen, die de ouders om puur persoonlijke redenen totaal niet wensen. Rabbi Sjlomo ben Adret (13e eeuw) staat een dergelijk huwelijk expliciet toe. Hij verwerpt zelfs het argument, dat de ouders niet tegen de vervulling van het gebod van huwen per se zijn maar alleen tegen deze huwelijkskandidaat met het tegenargument, dat uit de Talmoed blijkt dat echtelieden voor elkaar door de Hemel bestemd zijn. Nu de ‘natuurlijke gang van zaken’ deze mensen bij elkaar heeft gebracht, past het ouders niet hierin tussenbeide te komen.

Verbod op moord
Vandaag lezen we “Gij zult niet moorden” (5:17) uit de Tien Geboden. Valt dit te rijmen met euthanasie? In Bereesjiet/Genesis 9:5 wordt aangegeven, dat ook doden uit liefde of medelijden een vorm van doodslag is: “En waarlijk, Ik zal uw eigen bloed eisen – het verbod op zelfmoord – en uit de hand van de mens, uit de hand van iemands broeder, zal Ik het leven van de mens opeisen”. De frase “uit de hand van iemands broeder” lijkt overbodig want broedermoord is geen geringer misdrijf dan gewone moord. Deze woorden belichamen het verbod op liefdevol doden. Het verbod op euthanasie staat niet op gespannen voet met het gebod “Heb uw naaste lief gelijk uzelve”. Stelde de Psalmist niet reeds: “G’d heeft mij zwaar gekastijd maar aan de dood heeft hij mij niet overgegeven”? (Ps. 118:18). Dit is gebaseerd op de zekerheid (niet slechts ‘geloof’), dat niet alleen het menselijke leven van onschatbare waarde is maar dat tevens ieder moment van ‘levensbelang’ is. Juist met het oog op het Hiernamaals kan nog veel veranderen. Wij gaan ervan uit, dat men in één moment van een ‘slechtaard’ kan veranderen in een rechtschapen mens, die zijn Schepper zonder vrees tegemoet kan treden: “Sommigen verwerven hun plaats in de Toekomstige Wereld in enkele ogenblikken” (Talmoed). Wij mogen onder geen beding voor G’d spelen en als ‘Engelen der Barmhartigheid’ het heft in eigen handen nemen.

Euthanasie of blijven leven is – dieper beschouwd – een vraag naar de zin van het lijden. Wij hebben de opdracht ook het kwade in ons leven te integreren en hieruit iets positiefs te creëren. De dood kan ook een diep louterende en betekenisvolle inhoud hebben, indien dit als onderdeel van het leven wordt aanvaard. Rabbi Jehoeda (2e eeuw) leed aan een verschrikkelijke ziekte. Zijn dienares bad voor zijn dood. De mens mag G’d verzoeken hem van zijn aardse verplichtingen te ontslaan wanneer de grens van het menselijk uithoudingsvermogen wordt overschreden. Maar de uiteindelijke beslissing ligt bij G’d. De mens mag niet op de stoel van de Rechter gaan zitten tot eigenrichting. Religieuze diepgang mag niet worden vervangen door een spuitje.

Sjema Jisra’eel – monotheisme
Het eerste gebod van de Tien Geboden duidt op onze overtuiging, dat G’d Eén is. Wij gaan er prat op dat wij het monotheïsme als eerste hebben ingevoerd. Wat is het grote goed van het monotheïsme en wat leert dit in onze moderne tijd? Het geloof in één G’d gaat ervan uit dat alles vanuit één centraal punt geschapen is. Dit verklaart waarom alles in het universum met elkaar samenhangt. Steeds meer komen wetenschappers er achter dat er een enorme correlatie bestaat tussen allerlei natuur-, psychologische, sociologische, fysiologische en andersoortige wetten. Veelgodendom veronderstelt dat elk gebeuren of fenomeen een aparte god heeft. Wij gaan ervan uit dat alles vanuit één centraal Principe geschapen en gestuurd wordt.

Universele religie
Het credo van het Jodendom ‘Sjema Jisraëel’, hoor Israël, HaSjeem is onze G’d, HaSjeem is Eén’ heeft overigens universele betekenis. Wij zijn geen stammengodsdienst. Ons geloof is bedoeld voor de hele wereld. Deze vers ‘Sjema Jisraëel’ betekent in feite ‘hoor Israël, G’d die nu nog onze G’d is zal eens Eén zijn voor de hele wereld’. Door het Eén-verklaren van G’d aanvaarden wij G’ds absolute heerschappij: ‘Kabbalat Ol Malchoet Sjamajiem’. Elk aspect van ons bestaan is onderworpen aan Zijn wil. Er zijn echter ook nog veel andere verklaringen voor Sjema. Sommigen lezen: ‘Weet, Israël, dat Hasjem, onze G’d, de Enige G’d is.’ Anderen lezen het als een geloofsverklaring: Hasjeem alleen is onze G’d en we hebben geen goden naast hem. Hasjeem is Één, alleen Hem mag men dienen. De letters ajien en dallet van Echad zijn groot geschreven omdat wij met het uitspreken met Sjema getuigen van de Eénheid van G’d. ‘Eed’ in het Hebreeuws is ‘getuige’ in het Nederlands

De vierletterige Naam
De vierletterige G’dsnaam mag niet uitgesproken worden. Dit wordt afgeleid uit Exodus 3:15: ‘Hasjeem, de G’d van jullie vaderen…dit is Mijn Naam voor eeuwig…’ Het woord voor eeuwig kan in ook in het Hebreeuws begrepen worden als ‘om te verbergen’. Dit betekent dan: Mijn naam die verborgen moet blijven, niet uitgesproken mag worden. Daarom komt daarvoor altijd de G’dsnaam Ado-naj voor in de plaats. De hogepriester mocht op Jom Kippoer in de Tempel de G’dsnaam uitspreken. Wanneer de priesters in het voorhof hun zegen uitspraken mochten ze ook de G’dsnaam uitspreken. Als het volk dit hoorde, knielden ze en zei men ‘baroech sjeem kevod maloechoto le’olam va’ed’. Na de dood van de hogepriester Sjimon Hatsaddiek (omstreeks 300 v.d.g.j.) werd de G’dsnaam niet meer uitgesproken door de kohaniem in hun priesterzegen. Buiten de Tempel was het uitspreken van de G’dsnaam al sinds mensenheugenis verboden.

De vierletterige G’dsnaam is een samentrekking van de drie werkwoordsvormen ‘haja, hove, jie-je’: Hij was, Hij is, Hij zal zijn. Wanneer deze drie tijdsvormen samenkomen, spreken we van de Eeuwige. De G’dnaam Elokiem, staat in het meervoud pluralis majestatis. Dit betekent niet dat G’d meervoudig is maar dat Hij zich manifesteert in een pluriforme wereld. Elokiem betekent tevens G’d zoals Hij verschijnt in het teken van het G’ddelijke recht: middat hadien. Elokiem betekent verder G’d als autoriteit, als eigenaar, Almachtige, heerser van de machten en krachten die door de schepping heengaan.

Baroech Sjeem Kevod Malchoeto Le’Olam Va’ed
Deze tekst staat niet in de Tora, maar werd door het verzamelde volk bij de Tempel uitgesproken als antwoord op het uitspreken van de heilige G’dsnaam door de Hogepriester, de koheen gadol, zoals op Jom Kippoer. Deze tekst wordt om verschillende redenen zacht uitgesproken. In de Talmoed (B.T. Pesachiem 56a) was dit het antwoord van de kinderen op het sterfbed van Ja’akov. Toen Ja’akov op zijn sterfbed lag en zijn kinderen vroeg of zij trouw waren aan G’d antwoordden zij: ‘Sjema Jisra’eel (Ja’akov) de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Één.’ Ja’akov antwoordde: ‘Baroech Sjeem Kevod Malchoeto Le’olam Va’ed’. Moeten wij deze woorden nou in onze gebeden uitspreken zoal Ja’akov die oorspronkelijk heeft uitgesproken (die later door Mosje werden overgenomen in de Tora)? Zeker. Maar omdat de woorden ‘Baroech Sjeem Kevod Malchoeto Le’olam Va’ed’ niet in de Tora staan, moeten we ze zacht uitspreken. Een tweede traditie wil dat Mosje deze frase van de Engelen hoorde. Hij droeg het over aan het joodse volk, maar wilde dit niet luid laten zeggen omdat het niet toegestaan is om een formule van de Engelen te gebruiken. Alleen op Jom Kippoer zeggen we ‘Baroech Sjeem Kevod Malchoeto Le’olam Va’ed’ hardop want dan staat het joodse volk op het niveau van Engelen.

Sjabbat Sjalom.

Reacties zijn gesloten.