Parsja Matot-Masee

Bemidbar/Numeri 30:2–36:13 18 juli 2009 / 26 Tammoez 5769

Rabbijn mr. drs. R. Evers

MATOT (staven): Numeri 30:2 – 32:42. Als iemand een eed of een gelofte aflegt dan moet die precies uitgevoerd worden, maar een vader of een echtgenoot kan eventueel de eed of de gelofte van dochter of echtgenote teniet doen. De oorlog met de Midjanieten begint. De vrouwen worden gespaard. Daarover is Mosjé kwaad, want juist de vrouwen vormden de valstrik. Alleen de kleine meisjes mogen blijven leven. De buit wordt geteld. Daarna moeten de mannen zichzelf en objecten van onreinheid bevrijden, buiten de legerplaats. De buit is voor de helft voor hen die ten strijde waren getrokken, de andere helft is bestemd als gewijde gave. Omdat alle soldaten uit de oorlog weerkeerden, gaf men uit dankbaarheid goud als gewijde gave. De stammen Gad en Re’oeween hebben veel vee en willen ten oosten van de Jordaan blijven, omdat daar veel weidegrond is. Mosjé vreest dat de andere stammen bang zullen worden en dat Hasjeem boos zal zijn, maar de beide stammen beloven plechtig dat ze eerst Het Land zullen helpen veroveren en pas daarna terugkeren naar hun kudden. Als Mosjé dat hoort is hij tevreden. Later voegt de halve stam Menasjee zich bij hen.

MASA’EE (tochten): Een lange rij van plaatsen wordt opgenoemd waar de Bnee Jisra’eel hun kampen opslaan in de 40-jarige woestijntocht. Als ze het Land binnentrekken moeten ze alle bewoners verdrijven en de afgodsbeelden vernietigen. Zo niet, dan zullen ze ‘tot doorns in je vlees worden’. Aharon moet de berg Hor bestijgen, alwaar hij sterft. Nog eens wordt besproken hoe de verdeling van Het Land moet verlopen en ook worden de grenzen genoemd. De Levieten krijgen 48 eigen steden en grond eromheen; zes ervan zijn tegelijkertijd de asielsteden waarheen iemand die per ongeluk een moord gepleegd heeft, kan vluchten. Drie ervan aan de ene en drie aan de andere kant van de Jordaan. Enkele stammen zien in dat, als de dochters van Tselofchod trouwen buiten de eigen stam, ze hun grondbezit mee zullen nemen naar die andere stam. Hasjeem stelt vast, dat de dochters binnen de eigen stam moeten trouwen. Hiermee eindigt het vierde boek van de Tora.

“En als haar vader haar tegenhoudt op de dag dat hij het hoort, dan zullen al haar geloften en verboden die zij zichzelf heeft opgelegd niet blijven bestaan. G’d zal het haar vergeven, want haar vader heeft haar weerhouden” (30:6).

►Rasji vraagt zich af welk geval de Tora ziet. Het antwoord luidt dat het hier gaat om een vrouw die een gelofte gedaan om een Nazira te zijn. Haar man of vader hoorde dat en hief de gelofte op. De vrouw was zich hier echter niet van bewust. Ondanks haar gelofte dronk ze toch wijn, of maakte ze zich onrein door contact met een stoffelijk overschot. Hoewel de gelofte opgeheven was, moet het haar toch vergeven worden. Als het zo is dat iemand wiens geloften al opgeheven zijn al vergeving nodig heeft, dan is het toch zeker zo dat iemand wiens geloften niet opgeheven zijn, vergeving nodig heeft.

►Rasji moet deze verklaring wel geven, want de Tora spreekt over een geval waarin de gelofte direct is opgeheven. Toch stelt de Tora dat de vrouw vergiffenis nodig heeft. De vraag is waarom hier vergiffenis nodig is. Er is geen enkele overtreding begaan. Hieruit blijkt, dat ook kwade intenties vergiffenis nodig hebben.

“En de koningen van Midjan doodden zij bij hun verslagenen: Evie en Rekem en Tsoer en Choer en Reva, de vijf koningen van Midjan en Bile’am zoon van Be’or doodden zij met het zwaard” (31:8).

►Rasji legt uit dat Bile’am tegen Israël opkwam met hun speciale eigenschappen en zijn speciale eigenschappen met hun speciale talenten verwisselde. Omdat het Joodse volk alleen maar kan triomferen door hun mond (door te davvenen) en hij hen imiteerde door hen te vloeken met zijn mond, kwamen zij ook tegen hem op en namen zij de handelswijze van de overige volken aan die het zwaard hanteren, zoals er staat: “Bij uw zwaard zult u leven” (Bereesjiet 27:40).
Wat in de pasoek heeft Rasji aanleiding gegeven om deze midrasj te brengen? Wanneer een niet-Joods volk aanvalt, staat er altijd de uitdrukking: ‘doden met het zwaard’. Wanneer Israël echter aanvalt staat er altijd: ‘doden met de mond van het zwaard’, zie bijvoorbeeld Numeri 20:18, in contrast met Exodus 17:13.

►In dit verschil tussen Joods attaqueren en niet-Joods attaqueren is Tenach consequent en consistent. Hier (in 31:8) wordt gesproken over een Joodse aanval richting Bile’am. Hier staat niet dat de Bnee Jisra’eel Bile’am doodden met de mond van het zwaard. Er staat alleen, dat zij Bile’am doodden met het zwaard. Dit moet Rasji uitleggen: wanneer de Bnee Jisra’eel ten strijde trekken davvenen ze eerst tot G’d. Dit legt uit waarom er altijd bij Joodse oorlogsvoering staat dat men met de mond van het zwaard doodt. De profeet Zecharia (4:6) zegt het al zo fraai: “Noch bij kracht, noch bij macht maar bij Mijn Geest, zegt G’d.” G’d is de ‘Man van oorlog’ en Zijn hulp moet voor iedere oorlogsinspanning aangeroepen worden.

“Maar (Hebreeuws: `ach’) het goud en het zilver, het koper, het metaal, het tin en het lood” (31:22).

►Rasji legt hierbij uit dat, `hoewel Mosjee jullie alleen over de voorschriften van rituele onreinheid heeft geïnstrueerd, jullie ook kennis moeten nemen van de voorschriften van het kasjeren. ‘Slechts het goud’ wil iets uitsluiten. Het wil zeggen: “Jullie mogen de voorwerpen zelfs na reiniging van de toema (onreinheid) van contact met doden, pas gebruiken wanneer ze ook gereinigd zijn van absorptie van verboden vlees.” Onze Wijzen zeggen dat ‘alleen het goud’ leert dat men het roest moet verwijderen voordat het gereinigd wordt. Dit is de bijbetekenis van ‘alleen’. Alleen het metaal, zoals het is (zonder roest)’. Einde citaat. Naast de rituele reiniging door onderdompeling in het mikve is er ook een kasjroet reiniging nodig door de vernietiging of verwijdering van absorptie in de pannen en het bestek.

►‘Ach’ is altijd een beperkend woord. De vraag is wat hier beperkt wordt. Wanneer men een pasoek eenvoudig vertaalt, lijkt het dat de Tora wil zeggen dat alleen voorwerpen van goud, zilver, koper, ijzer, tin en lood door het vuur gehaald worden maar andere voorwerpen niet. Dit kan echter niet de verklaring zijn omdat er verder geen andere voorwerpen buit gemaakt werden op de Midjanieten. Wat sluit het woord ‘ach’ dan wel uit?

►Rasji legt het beperkende woordje ‘ach’ op twee manieren uit. In eerste instantie stelt Rasji dat het beperkende ‘ach’ terugslaat op wat ervoor stond. Eerst moet het in mikve gedompeld worden, maar daarna moet het ook nog van treife absorptie worden gekasjerd. In tweede instantie legt Rasji het woord ‘ach’ uit als ‘alleen de voorwerpen’. De voorwerpen moeten eerst gereinigd zijn van roest voordat ze werkelijk gekasjerd kunnen worden (zonder het roest erop). Deze tweede verklaring slaat op de woorden na ‘ach’. Alleen de voorwerpen van goud, zilver, koper, ijzer, tin en lood moeten door het vuur gehaald worden maar niet wanneer er ook nog roest op zit. Samenvattend kunnen we stellen dat het woordje ‘ach’ altijd beperkt. De vraag is alleen wat het beperkt. Beperkt het wat ervoor komt? Dan is dit de eenvoudige verklaring. Maar soms beperkt het woordje ‘ach’ datgene wat erna komt en dan is het een wat meer complexere verklaring die wij midrasj noemen.

“Zij naderden tot hem (Mosjee) en zij zeiden: ‘Wij zullen hier verblijven voor ons vee bouwen en steden voor onze kleine kinderen’” (32:16).

►Rasji legt hier uit dat de tweeënhalve stam, die Mosjee benaderde om aan de overkant van de Jordaan te mogen blijven wonen, zich meer druk maakte om hun bezit dan om hun kinderen. Ze lieten namelijk de verblijven voor hun vee voorgaan boven de huizen voor hun kinderen. Mosjee gaf hen een standje: “Dat is niet goed. Laat de belangrijkste zaken voorop staan en de minder belangrijke zaken daarna. Eerst moeten jullie steden bouwen voor jullie kinderen en daarna schaapskooien voor jullie kleinvee.”

►Rasji sluit hier aan bij een verkeerde prioriteit van de tweeënhalve stam: Gad, Ruben en half Menasjee. In feite citeert Rasji het antwoord van Mosjee in pasoek 32:24. Daar zegt Mosjee letterlijk: “Bouw steden voor jezelf en voor je kinderen en schaapskooien voor jullie schaapjes.” Rasji was alert op dit antwoord van Mosjee. Rasji zegt zeer duidelijk dat ze eerst steden moeten bouwen voor hun kinderen en daarna pas verblijven voor de dieren. De woordvolgorde is niet toevallig. Wanneer de tweeënhalve stam antwoordt aan Mosjee, maken zij duidelijk dat ze zijn impliciete les begrepen hebben. Ze zeggen letterlijk: “Uw dienaren zullen doen zoals onze meester ons instrueert. Onze kinderen, vrouwen en kleinvee zullen in de steden van Gilad blijven.” Verderop (32:34-36) staat ook duidelijk dat ze die volgorde ook hebben aangehouden toen ze hun plannen realiseerden.

“Want wij zullen met hen niet mee erven aan de overkant van de Jordaan en verder, want ons erfdeel is al tot ons gekomen aan de overkant van de Jordaan in het oosten” (32:19).

►Rasji legt hier uit dat de eerste uitdrukking ‘aan de overkant van de Jordaan’ de westbank bedoelt. Terwijl de ‘tweede overkant van de Jordaan’ betekent: ‘het erfdeel dat we al aan de oostkant van de Jordaan hebben ingenomen’. Rasji wordt hiertoe genoodzaakt omdat ‘aan de overkant van de Jordaan’ twee dingen kan betekenen: het huidige Transjordanië of de huidige Westbank. Het hangt er maar vanaf waar we staan. Toen de tweeënhalve stam voorstelde om gewapend uit te trekken voor de Bnee Jisra’eel die het land zouden binnen trekken, bedoelden zij dat zij niet zouden meedelen aan de westkant van de Jordaan. Hun deel aan de oostkant van de Jordaan hadden zij reeds in bezit genomen.

►Rasji wordt genoodzaakt tot deze verklaring omdat het allereerst verwarrend is dat de term ‘aan de overkant van de Jordaan’ hier in twee verschillende geografische betekenissen gebruikt wordt. Bovendien kan ‘aan de overkant van de Jordaan’ in het Hebreeuws ook een plaatsnaam zijn, zoals in het Nederlands: het tegenwoordige Transjordanië. Hiermee wordt bedoeld de overkant van de Jordaan, bekeken vanuit het westen. Het zou de tegenwoordige staat Jordanië zijn. Om duidelijk te maken dat hier geen plaatsnaam bedoeld wordt, licht Rasji toe, dat de `overkant van de Jordaan’ een relatieve naam is, afhankelijk van de plaats waar de toeschouwer staat. De tweede keer moet `de overkant van de Jordaan’ betekenen dat zij hun erfdeel aan de oostkant van de Jordaan reeds gekregen hebben omdat onder de letter ‘beet’ van het woordje `ba’a’ (kwam) een klemtoon staat. Dat maakt het tot een verleden tijd.

►De tweeënhalve stam spreekt met het oog op de toekomst: wanneer wij aan de overkant van de Jordaan mee zullen vechten om Israël te veroveren, hebben wij reeds de oostkant van de Jordaan in erfenis gekregen.

“Novach ging en veroverde Kenat en haar omliggende steden. Hij noemde het (‘la’ in het Hebreeuws) Novach, naar zijn naam” (32:42).

►Rasji vraagt zich af waarom het woord ‘la’ (het, de stad) geen punt in de ‘he’ heeft. Rasji citeert het commentaar van Rabbi Mosjee Hadarsjan: dat ‘la’ zonder punt in de ‘he’ moet worden begrepen als ‘lo’ (lamed alef, ‘nee’ of ‘niet’). Dat betekent dat zijn naam niet lang heeft voort geduurd. Rasji verwijst vervolgens naar twee andere plaatsen in Tenach waar ‘la’ zonder punt in de he wordt geschreven. Onder andere staat er in de rol van Ruth (2:14): “Toen zei Boaz tegen haar.” Hetzelfde staat in de profeet Zecharia (5:11): “Om haar een huis te bouwen.” Volgens Rasji kan ‘la’ op deze twee plaatsen niet als ‘lo’ begrepen worden. Rasji verbaast zich hierover, want hoe kunnen we het zelfde woord op verschillende wijzen uitleggen?

►Nachmanides (Ramban) legt echter uit dat de Midrasj deze twee verzen zonder punt in de ‘he’ bij het woord ‘la’ wel uitlegt. In Ruth (2:14) bijv. wordt het woord ‘la’ inderdaad uitgelegd als ‘lo’. Ruth zei namelijk tegen Boaz: “Moge ik constant gunst in uw ogen vinden, mijn heer, omdat u mij getroost hebt en omdat u tot het hart van uw dienares gesproken hebt, ook al ben ik zelfs niet een van uw dienaressen. Boaz zei toen tegen haar (‘la’)”. Onze Wijzen leggen uit dat Boaz tegen Ruth zei: “Nee! G’dbeware! Jij bent niet een van onze dienaressen maar je bent een van onze Aartsmoeders.” Ramban geeft hoog op van Rasji’s encyclopedische kennis en begrijpt niet dat Rasji deze midrasj niet kende. Hoewel het niet met zekerheid te achterhalen is, is het mogelijk dat Rasji deze midrasj inderdaad niet in zijn bezit had en er daarom geenk gebruik van heeft kunnen maken bij zijn uitleg op Tenach.

(Gebaseerd op “What’s bothering Rashi?” van A. Boncheck)

Reacties zijn gesloten.