Bemidbar/Numeri 25:10 – 30:1; 11 juli 2009 / 19 Tammoez 5769 PINCHAS (persoonsnaam)
Pinchas krijgt van Hasjeem Zijn vredesverbond aangeboden, omdat hij het recht van Hasjeem heeft opgeëist door het leven te nemen van de Midjanietische Kozbi bat Tsoer en haar minnaar Zimri ben Saloe. Tevens beveelt G’d vijandelijkheden tegen de Midjanieten te openen, omdat ze de Joden in de (afgoden)valstrik lieten lopen. Mosjee en Elazar moeten van het volk de 20-jarigen (dienstplichtigen) en daarboven tellen.
Er volgt een lange lijst met namen van families en het getal van de volwassen mannen is meer dan zeshonderdduizend. Er is niemand bij die Mosjee en Aharon hadden geteld in de woestijn Sinaï, behalve Kalev en Jehosjoe’a.
Mosjee moet het land in erfelijk bezit verdelen naar de omvang van iedere stam. De Levieten horen niet bij de getelden. Zij krijgen geen erfelijk bezit. De vijf dochters van Tselofchad claimen land, omdat hun overleden vader geen zoon had. Hasjeem vindt dat zij gelijk hebben, wijst het land toe en onderwijst de wetten van het erfrecht.
G’d gebiedt Mosjee de berg Arawiem te bestijgen en uit te kijken over het Beloofde Land, waarna Mosjee moet sterven. Mosjee vraagt G’d iemand aan te wijzen die het volk kan leiden. Jehosjoe’a wordt aangewezen. In het openbaar draagt Mosjee op hem zijn leiderschap over. Daarna volgen een aantal voorschriften omtrent de offerdienst.
Koheen 25:10-26:4 Toen Pinchas Zimri en Kozbi doodde, ontstond er een geweldig meningsverschil over de vraag of hij juist gehandeld had. G’d getuigt, dat Hij akkoord is. De plaag stopte. Pinchas wordt beschreven als de kleinzoon van Aharon, de Hogepriester en G’d biedt hem een eeuwig priesterverbond aan, een verbond van vrede.
“En de naam van de verslagen vrouw, van de Midjanietische, was Kozbi, dochter van Tsoer, hoofd van een stamhuis in Midjan” (25:15).
►In deze pasoek staat de afstamming van het Midjanietische slachtoffer. Rasji legt hier uit dat haar naam en afstamming vermeld worden om te kennen te geven hoezeer de Midjanieten de Joden haatten. Zij gaven de dochter van de koning aan ontucht prijs om Israël te laten zondigen.
►Waarom zegt Rasji hier niet dat dit Pinchas’ moed toont? “Hoewel zij een Midjanietische prinses was, heeft hij toch de stoute schoenen aangetrokken en haar gedood”. Het antwoord luidt dat het doden van een vijand niet zoveel moed kost. Het doden van een Joodse prins, daar was moed voor nodig. De afstamming van Kozbi, de Midjanietische, was niet bedoeld om de onverschrokkenheid van Pinchas te benadrukken maar veel meer om te laten zien hoe de Midjanieten een hekel hadden aan het Joodse volk. De koning van Midjan was bereid om zijn eigen dochter te grabbel te gooien om zijn geloof te promoten. Kozbi verleidde Zimri tot afgoderij.
Levi 26:5-51 Om het leger samen te stellen in de oorlog tegen Midjan, wordt een nieuwe telling gehouden. De Tora vermeldt alle stammen met hun families en het aantal mannen van dienstplichtige leeftijd. 3e alija (26:52-27:5) Aan deze mensen wordt het land toegewezen. De verdeling zal geschieden door een loting, door HaSjeem geïnspireerd, en houdt rekening met deze telling en de telling, die direct na de uittocht uit Egypte plaatsvond. De Tora geeft allerlei details van de stamboom van Levi, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de familie van Amram (Mosjé’s vader). De dochters van Tselofchad benaderen Mosjé, Elazar, de leiders van de stammen en het volk om een aandeel in het Heilige Land. Ze benadrukken dat hun vader geen deel had in de opstand van Korach maar om zijn eigen zonden gestorven is. 4e alija (27:6-23) G’d antwoordt de dochters van Tselofchad dat zij hun vaders deel zullen krijgen en een dubbel deel in hun grootvaders land (omdat Tselofchod de eerstgeborene van Chefer was). Hierna volgt het erfrecht. Mosjé moet de Ha’awariem op om het land te zien, hetgeen hij niet mag betreden. Daarna moet Mosjé zich eigenlijk voorbereiden op zijn einde. Mosjé vraagt een geschikte leider in zijn plaats. Jehosjoea zal de taak overnemen. Elazar was al Hogepriester in plaats van Aharon.
”De dochers van Tselofchod spreken juist. Geef hen zeker een erfdeel temidden van de broeders van hun vader en geef het erfdeel van hun vader aan hen” (27:7).
►Rasji legt hier uit dat de Targoem het woord ‘keen’ als ‘correct’ vertaalt. “Zo staat dit hoofdstuk voor Mij in de hemel geschreven. Dit leert ons dat hun oog meer zag dan Mosjee’s oog”. Normaal wordt het woordje ‘keen’ als ‘zo’ of als ‘aldus’ vertaald. In Genesis 1:7 staat ‘dat het zo was’ . Dit betekent, dat er eerder een G’dsspraak was en dat werd zo gerealiseerd in de materiële wereld. Maar in onze pasoek (vers) past het niet om het als ‘zo’ of ‘aldus’ te vertalen. De dochters van Tselofchod waren net klaar met spreken. Als G’d dan zou zeggen: ‘Aldus spreken de dochters van Tselofchod’, is dat niets anders dan de herhaling van het voorgaande. G’d wil alleen bevestigen dat zij juist hebben gesproken. Dat is wat Rasji hier vertaalt.
►In zijn verklaring maakt Rasji het echter wat gecompliceerder. Nadat hij het woord ‘keen’ als juist heeft vertaald, zegt hij verder: ‘Zo staat het voor Mij in de hemel beschreven’. Dit is echter niet relevant. Rasji wil alleen bevestigen dat G’d stelt dat de dochters correct hebben gesproken. Het is zo correct omdat zij dit met een profetenoog moeten hebben gezien in de Hemel. Deze afdeling staat daar exact zo beschreven.
Mosjee sprak tot G’d als volgt: “Moge G’d, de G’d van de geesten van al het vlees, iemand over de gemeente aanstellen” (27:15-16).
►Rasji legt hier uit dat de Tora de lof van de rechtvaardigen bekend maakt. Wanneer zij sterven zijn ze niet bezorgd over hun eigen zaken maar zijn ze bezig met de noden van de gemeenschap. Vlak hiervoor (27:12-14) had G’d aan Mosjee verteld dat hij zich moest voorbereiden op zijn overlijden. Mosjee reageerde onmiddellijk met het verzoek om een opvolger om het volk te leiden na zijn overlijden. Mosjee had eigenlijk aan G’d moeten vragen of hij niet toch het Heilige Land mocht betreden. In plaats daarvan heeft hij zich bezig gehouden met de behoefte van de gemeente. Het nationaal belang ontsteeg zijn eigen belang. Het feit dat Mosjee hier G’d aanspreekt is de enige keer in de Tora waar dit voorkomt. Normaal is het: ‘G’d sprak tot Mosjee.’ Hier is het: ‘Mosjee sprak tot G’d.’ Net zoals G’d altijd spreekt ten behoeve van anderen, om anderen op het goede pad te leiden en te houden, zo spreekt Mosjee puur en alleen met het oog op het algemeen belang. Rasji geeft nog een ander commentaar.
►Toen Mosjee hoorde dat G’d hem zei dat de dochters van Tselofchod hun deel moesten hebben, dacht hij bij zichzelf: ‘Nu is de tijd gekomen voor mijzelf op te komen. Laat mijn kinderen mijn leiderschapspositie overnemen.’ G’d zei toen tegen hem: ‘Dat is niet Mijn bedoeling. Jehosjoe’a moet beloond worden voor zijn diensten omdat hij jouw tent nooit verlaten heeft.’ Dit is de betekenis van de uitspraak van koning Salomo: ‘Hij die de vijgenboom bewaakt zal zijn vruchten eten’ (Spreuken 27:18). Deze uitspraak van Rasji lijkt tegenstrijdig met de voorgaande. Eerder zegt Rasji dat Mosjee alleen bezig was met de gemeenschapsbelangen. Hier lijkt hij een beetje zijn persoonlijke belang te willen behartigen.
►Een antwoord zou kunnen zijn dat Mosjee hoopte dat het gemeenschappelijke en zijn persoonlijke belang zouden kunnen samenvallen. Nepotisme wordt niet beloond in de Tora. Degene die het meest geschikt is moet de leider worden. Er wordt niet gekeken naar familieachtergrond. Noch de zoon van Jehosjoe’a, noch de kinderen van Sjemoe’eel, erfden hun vaders leidersrol.
►Het draait om je eigen inzet en je eigen verdiensten. Een mamzeer (bastaard) die een Talmied Chagam is, gaat voor een Hogepriester die ongeletterd is (B.T. Horajot 13a). Deze gedachte loopt als een rode draad door Tenach en Talmoed, de primaire Joodse bronnen. Het vers uit Spreuken 27:18 wordt niet volledig geciteerd door Rasji. Het is de moeite waard om de rest van de pasoek te zien: “De bewaker van zijn meester zal geëerd worden.” Dat was wat Jehosjoe’a deed, en dat was wat hij kreeg.
5e alija (28:1-15) Het dagelijkse ochtend- en namiddagoffer volgen.
“Zeg tegen hen: ‘Dit is het brandoffer dat zij moeten brengen voor G’d, schapen van onder het jaar, volledig, twee per dag, een eeuwig durend brandoffer” (28:3).
►Rasji legt uit dat de twee per dag hier in de eenvoudige zin begrepen moet worden. Maar, gaat Rasji verder, eigenlijk wil het ons leren dat zij tegenover de dag geslacht moeten worden. Het dagelijkse ochtendoffer moest in het Westen geslacht worden en het dagelijkse middagoffer moest in het Oosten van de ringen geslacht worden. Rasji geeft ons twee verklaringen. De eerste is een pesjat (eenvoudige verklaring) en de tweede is een drasj (een diepere verklaring). In eenvoudige zin worden er elke dag twee offers gebracht. De diepere verklaring vertelt ons echter dat de twee offers op verschillende plaatsen in de Tempel geslacht moeten worden. Het ochtendoffer in het Westen en het middagoffer in het Oosten.
►Vlak bij het buitenste altaar waren vierentwintig ringen, in zes rijen van vier. Deze ringen waren vastgemaakt aan de vloer van de Tempel en werden gebruikt om offerdieren vast te zetten voordat geslacht werden zodat het niet kon bewegen tijdens het slachten. Volgens de eenvoudige verklaring betekent “jom” dag, maar volgens de diepere verklaring betekent het zon. Het offer moet dus tegenover de zon worden geslacht, in de tegenovergestelde windrichting. Rasji komt tot zijn drasjverklaring, die moeilijk te begrijpen lijkt, omdat de volgende pasoek (vers) al heel duidelijk aangeeft dat er elke dag twee offers gebracht moesten worden. Waarom is het nodig om dit nogmaals te benadrukken? In zijn drasj geeft hij een totaal andere betekenis aan het begrip “jom”. We moeten slachten tegenover de zon.
►Waarom dit noodzakelijk is wordt uitgelegd door de Malbiem. Vroeger werd er veel voor de zon geofferd. Een van de redenen dat er offers worden voorgeschreven in de Tora, is om de Joden los te weken van afgoderij. In Leviticus 17:3 e.v. wordt duidelijk gemaakt dat wij niet meer mogen offeren voor afgoden, maar in plaats daarvan onze offers moeten richten tot G’d. Daarom moeten wij in de tegenovergestelde richting slachten, tegenover de zon, om duidelijk te maken dat wij in een totaal andere spirituele richting slachten. Daarom was waarschijnlijk het Allerheiligste aan de westelijke kant van de Tempel gevestigd.
►Wij davvenen naar het Oosten omdat wij naar Jeruzalem moeten davvenen. Joden in Kazachstan davvenen naar het Westen, Joden in Oekraïne naar het Zuiden en Joden in Zuid Afrika naar het Noorden. Davvenen naar het Oosten op zich is geen mitsva. Zonaanbidding was nog in de tijd van de profeet Jechezkeel (18:16) heel normaal. Hij zegt daar dat hij door G’d naar de Tempel werd gebracht, waar hij mannen zag davvenen met hun rug naar het Heiligdom van Hasjeem en met hun gezichten naar het Oosten. Zij bogen dus naar de zon.
6e alija (28:16-29:11) Hier volgen de Moesafoffers van de feestdagen, te beginnen met Pesach. 7e alija (29:12-30:1) De moesafoffers van Soekot en Sjeminie ‘Atseret (Slotfeest). De Sidra eindigt met een verwijzing naar alle offers in de Tempel.
(Gebaseerd op “What’s bothering Rashi?” van A. Boncheck)
Sjabbat Sjalom.
