Parsja Korach

Korach, Datan en Awiram en nog 250 man rebelleren tegen het leiderschap van Mosjé en Aharon. G’d wil de hele gemeenschap vernietigen maar laat alleen de aanstichters verdwijnen. De hele gemeenschap neemt dit Mosjee en Aharon kwalijk. G’ds woede ontbrandt en er breekt een plaag uit. Zeer velen sterven. Aharon doet verzoening voor hen, waarna de plaag ophoudt. Op bevel van G’d brengt elke stam een staf met de leiders naam naar het Heiligdom. De volgende morgen bloeit de staf van Aharon, waarmee zijn priesterschap is bevestigd. Kohaniem en Levieten worden verantwoordelijk gesteld voor de goede gang van zaken in het Heiligdom. De taken worden vastgelegd. De eerstgeborenen van mensen en van reine dieren zijn voor de Kohaniem; de eerstgeboren jongens bij de mensen moeten gelost worden, evenals de eerstgeboren ezel. De stam Levie krijgt geen land maar ontvangt de tienden van het volk. Hiervan geven zij weer een tiende aan de Kohaniem.
“Korach, de zoon van Jitshar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, en Datan en Aviram, zonen van Eliav en On, de zoon van Pelet, zonen van Ruben namen” (Numeri 16:1).

Rasji stelt, dat deze parsja goed wordt uitgelegd in de Midrasj van Rabbi Tanchoema. Hoewel Rasji doorgaans weinig gebruik maakt van deze Midrasj, verwijst hij ons er hier wel naar. Rasji citeert niet alles van de Midrasj Tanchoema omdat dat niet nodig is voor het eenvoudige begrip. Maar hij wil ons er wel op opmerkzaam maken, dat het voor een goed en volledig begrip van de geschiedenis met Korach aan te bevelen is om de Midrasj Tanchoema te lezen om alle achtergronden te begrijpen.

Korach was boos dat Mosjee hem niet had aangesteld als de prins van de familie van Kehat. In Korachs plaats werd Elitsafan aangesteld. Uit wraak heeft Korach toen alle mensen opgehitst tegen Mosjee. Rasji legt uit, dat Korach hen kleedde in kleren, die helemaal van hemelsblauw draad gemaakt waren. Toen kwamen ze voor Mosjee en zeiden tegen hem: “Moet een kledingstuk dat helemaal hemelsblauw is nog steeds tsietsiet hebben of niet?” Mosjee antwoordde: “Ja, ook zo een kledingstuk moet tsietsiet hebben”.

Toen begonnen de volgelingen van Korach Mosjee uit te lachen. “Is dat mogelijk? Als de kleren van welk materiaal dan ook door tsietsiet met één hemelsblauwe draad vrijgesteld worden van de mitsva van tsietsiet, dan is een kledingstuk dat helemáál van hemelsblauwe draad is gemaakt toch zéker vrijgesteld?!” Korach kon duizenden andere vragen stellen. Waarom heeft hij juist deze vraag gekozen? Korach wilde met deze vraag benadrukken dat alle Joden gelijk waren. Dat zegt hij ook in 16:3: “Want de hele gemeente, allemaal zijn heilig, en Hasjeem is in hun midden. Waarom verheffen jullie je boven de gemeenschap van Hasjeem?”. Hij wilde aantonen, dat net zoals een kledingstuk dat helemaal van techelet (hemelsblauw) is gemaakt en symbolisch helemaal heilig is, niet nog een extra hemelsblauwe draad zou moeten hebben, ditzelfde ook gold voor de gemeenschap. Ook de hele gemeenschap was heilig omdat zij allemaal met G’d hadden gesproken en zij niemand nodig hadden die extra heilig was, om de baas over hen te spelen.

Volgens de Midrasj stelde Korach nog een vraag: “Als een huis vol is met Tora-rollen, moet er dan nog een mezoeza aan de deur?”. Hier gebruikt hij dezelfde logica als bij de techelet. De mezoeza bevat slechts twee parsjot (afdelingen) van de Tora, terwijl een Tora-rol de parsjot van de mezoeza bevat en nog zeer veel andere parsjot. Dus als een huis vol is met sifree Tora, waarom is er dan nog een mezoeza nodig? Rasji kiest de vraag over de tsietsiet omdat dat de laatste halacha was aan het einde van de vorige parsja. De vraag over de mezoeza heeft geen direct verband met de parsja van Korach. Rasji zoekt díe Midrasj, die het meeste bij de psjat (de eenvoudige verklaring) aansluit.

Korach wilde diep in zijn hart geen gelijkheid voor iedereen. Hij wilde alleen zijn eigen positie versterken: “Alle Joden zijn gelijk, maar sommigen zijn meer gelijk dan anderen”. Mosjee werd kwaad, en hij zei tegen Hasjeem: “Wendt U niet tot hun meeloffer. Zelfs één ezel van hen heb ik niet genomen en ik heb niemand kwaad gedaan” (16:15).

Rasji legt hier uit dat Mosjee Rabbenoe bedoelde te zeggen dat hij geen ezel van een van hen genomen had: ”Zelfs toen ik vanuit Midjan naar Egypte reisde en mijn vrouw en zonen op een ezel moest zetten, en ik een ezel op jullie kosten had kunnen bestellen, zelfs toen heb ik alleen mijn eigen spullen genomen.” In eerste instantie zegt Rasji hoe wij het stukje zin: ”Niet één ezel van hen heb ik genomen” moeten begrijpen. Daarna legt Rasji uit dat Mosjee zelfs geen ezel nam toen hij recht had op een reiskostenvergoeding van het volk. Wat bedoelt Rasji met zijn eerste verklaring?

Normaliter hadden wij de pasoek vertaald als: ”Zelfs geen ezel heb ik van hen genomen”. Maar Rasji zegt dat het betekent: ”Niet de ezel van één van hen heb ik genomen.” Rasji geeft hier antwoord op de claim van Datan en Aviram. In 16:13 hadden zij Mosjee beschuldigd van autoritair gedrag. Wanneer Mosjee dan zegt: ’van hen’, bedoelt hij dat hij van Datan en Aviram geen ezel heeft genomen.

Mosjee Rabbenoe is er niet op uit te ontkennen, dat hij onterecht gedeclareerd heeft maar dat hij Datan en Aviram, zijn critici, nooit benadeeld heeft. In feite zegt Mosjee Rabbenoe tegen hen: ”Wat klagen jullie, heb ik jullie ooit benadeeld of misbruikt?”. De volgorde van de woorden is hier cruciaal. Er staat nl. letterlijk in de tekst: ”Geen ezel van één van hen heb ik genomen.”

Politici vandaag de dag zouden er trots op zijn om te kunnen zeggen dat ze nooit iets van de gemeenschap hebben genomen of ontvangen. Dit zou hun eerlijkheid en zuiverheid benadrukken. Mosjee wil niet alleen stellen dat hij geen misbruik heeft gemaakt van openbare fondsen maar ook dat hij niet beschuldigd kan worden van misbruik van zijn positie als leider. Deze positie heeft hij nooit misbruikt om er zelf beter van te worden. Zijn leiderschapspositie heeft hij nooit voor zichzelf aangewend, zelfs niet toen hij daar, formeel gesproken, recht op had.

“Zij vielen op hun gezicht en ze zeiden: ’G’d, Meester over de geesten van al het vlees, één man zondigt en op de hele gemeente zult U boos zijn?” (16:22).

Rasji benadrukt in zijn verklaring dat wij de toekomstige tijd in de woorden van Mosjee en Aharon als een tegenwoordige tijd moeten lezen. Er staat letterlijk: “Eén man zal zondigen”. De toekomstige tijd is hier niet op zijn plaats omdat de zondaar, Korach, reeds bekend was. Dit gebeurt vaker in het Hebreeuws, dat de toekomstige tijd een doorlopende tijdsduur aangeeft. “Hij zal zondigen” moet dus niet als een toekomstige tijd gelezen worden maar als een duurzame tegenwoordige tijd: ”Eén man zondigt langdurig.”

De eerste drie Hebreeuwse woorden zijn dus stellend en niet vragend. “Er is maar één man die zondigt: wordt U nu kwaad op de hele gemeente?”.
Rasji waarschuwt ons voor een foutief begrip van de tekst. Voor het woord ‘man’ staat een ‘he’, Deze ‘he’ kan een vragende ‘he’ zijn, als een vraagteken aan het einde van de zin in het Nederlands, maar het kan ook een bepalend lidwoord zijn. In vragende zin zou er dan staan: ”Als één man zondigt, wordt U dan op de hele gemeente boos?”. Maar als bepalend lidwoord staat er: ”De ene man zondigt. Zult U dan boos worden op de hele gemeenschap?”

Rasji kiest voor het laatste alternatief omdat de ‘he’ hier geen vragend voorzetsel is maar een bepalend lidwoord. Rasji ziet dit aan de punctuatie. Bij een vragende vorm zou de ‘he’ als vraagteken gepunctueerd worden met een ‘patach’ (een plat streepje). In de Tora-tekst staat echter een ‘kamats’ onder de ‘he’, wat op een bepalend lidwoord duidt. Rasji is erg gevoelig voor grammaticale nuances.

“Spreek tot de gemeente als volgt: zorg dat u wegkomt vanuit de omgeving van de woning van Korach, Datan en Aviram” (16:24).

Vraag: hoe vertalen we de woorden ‘lemisjkan Korach’? Betekent dit: trek op vanuit de omgeving richting de woning van Korach, Datan en Aviram of betekent dit: trek op vanuit de omgeving van de woning van Korach, Datan en Aviram? De lamed is verwarrend. Het kan een richting aangeven: in de richting van de woning van Korach of het kan gewoon een voorzetsel zijn bij saviv (rondom). Rondom de woning van Korach, schrijft men in het Hebreeuws als: saviv lemisjkan. Saviv maakt gebruik van het voorzetsel ‘le’.

Rasji maakt duidelijk dat we moeten lezen: trek op vanuit de omgeving van de woning van Korach en niet: trek op vanuit de omgeving naar de woning van Korach. Daarom geeft Rasji ook een meervoud bij saviv (sevivot) om duidelijk te maken dat het erom gaat dat de mensen moeten vertrekken uit de nabijheid van de woning van Korach.

“Als G’d echter een Schepping maakt en de aarde haar mond opent en al het hunne verslindt, zodat ze levend in hun graf afdalen, dan zult u weten dat deze mannen G’d hebben gesmaad” (16:30).

Het gaat hier om een novum, een nieuwe Schepping door Korach, Datan en Aviram te doden op een manier waarop tot op heden nog niemand gestorven was. Wat was die Schepping? “En de aarde haar mond opent en hen verslindt, dan zult u weten dat zij G’d gesmaad hebben en ik, Mosjee, op bevel van de Almachtige gesproken heb.”

Korach was in opstand gekomen tegen Mosjee en Aharon. Hij deed alsof zij hun belangrijke posities ter meerdere glorie van henzelf hadden ingenomen. Het eerste probleem dat Rasji moet beantwoorden is dat in Genesis 4:11 de aarde haar mond ook opent om het bloed van de gedode Hevel (Abel) op te nemen. Rasji wil hier benadrukken dat er een nieuwe Schepping is, in die zin dat de aanhangers van Korach gedood worden door de opening van de aarde (en niet dat de aarde alleen het bloed opneemt van de vermoorde Abel).

Verder wil Rasji benadrukken dat Mosjee dusdanig bescheiden was dat hij de frontale aanval op zijn persoonlijkheid en gedrag niet zozeer als een persoonlijke belediging opvatte maar veel meer als een belediging van G’d die bepaalde mensen had gevraagd bepaalde taken op zich te nemen. Mosjee maakte zich geen zorgen over zijn eigen gelijk maar meer over de vraag hoe Korach en zijn aanhang rebelleerde tegen de autoriteit van G’d, die zich uit in het leiderschap van Mosjee en het hoge priesterschap van Aharon. Mosjee en Korach waren tegengestelden: bij Mosjee stond G’ds eer centraal; bij Korach zijn eigen koved.

“Tot herinnering voor de kinderen Israëls, opdat geen vreemde man, die niet van de afstammelingen van Aharon is, dichterbij zal komen om het reukwerk in rook te doen opgaan voor G’d en het hem niet zo zal vergaan als Korach en als zijn aanhang…” (17:5)

De woorden: “En het hem niet zal vergaan als Korach en als zijn aanhang” vertaalt Rasji met: ”Opdat hij niet als Korach zal zijn.” Deze zin kan op verschillende manieren worden vertaald. De koperen vuurpannen, die de zondaren gebracht hadden en die tot overdekking van het altaar geplet waren, herinneren ons eraan dat alleen de afstammelingen van Aharon dienst mogen doen en niet-kohaniem niet zullen worden als Korach.

Op deze manier vertaald lijkt het op een gebod, maar men kan het ook vertalen als een belofte voor de toekomst: op deze manier zal niemand zijn als Korach. Men kan ook zeggen dat het betekent dat hij niet zou handelen als Korach, wat dan de bedoeling van de vuurpannen overdekking van het altaar uitlegt. Maar men kan het ook vertalen zoals Opperrabbijn Onderwijzer doet: ”Opdat het hem niet zal vergaan als Korach.” Rasji kiest voor een uitleg in de zin van doelmatigheid en doeltreffendheid. De Tora zegt: ”Mosjee, maak een overdekking over het altaar zodat een niet-Koheen niet zal offeren en zodat hij niet zal zijn als Korach.” Hiermee wordt het doel van de vuurpannen volledig voor het voetlicht geplaatst.

Uiteindelijk gaat het om de betekenis van de letter ‘vav’. De letter ‘vav’ kan de tijd omdraaien: van verleden naar toekomstige en van toekomstige naar verleden tijd. Dit noemen wij de ‘vav hahipoeg’. Het kan ook, als in ons geval, betekenen: ‘opdat’. Verder kan het zoiets betekenen als: `en’ en ‘of’. “Hij die zijn vader of zijn moeder vloekt, zal gedood worden” (Exodus 21:17).

“En je zult ze leggen in de tent van de samenkomst, voor de getuigenis, waar Ik met u tezamen kom… (17:19)…..Mosjee sprak toen met de kinderen Israëls en alle vorsten gaven hem één staf, telkens voor één vorst van hun vaders huizen en dan komen we aan twaalf staven. En de staf van Aharon was temidden van hun staven” (17:21).

‘Betoch’ in het Hebreeuws kan twee dingen betekenen: ‘binnen’ en ‘temidden van’ (in het middelpunt). Onkelos vertaalt het als: ‘temidden van’: ”Aharons staf werd temidden van de andere staven gelegd.” Rasji volgt deze vertaling van Onkelos niet omdat hij van mening is dat de overbodigheid van de herhaling van 17:19 en 17: 21 erop duidt dat 17:21 nog iets naders wil verklaren over de positie van de staf van Aharon. Uit 17:19 wisten we al dat Aharons’ staf binnen de overige staven lag. In 17:21 wordt dit herhaald, wat benadrukt dat Aharons’ staf in het centrum lag. De vraag is dan: waarom? Rasji verklaart dat Aharons’ staf in het midden lag van alle andere staven omdat niemand zou zeggen dat Aharons’ staf ging bloeien omdat hij vlakbij de Sjechina lag.

“Mosjee kwam in de tent van het Getuigenis, en zie gebloeid had de staf van Aharon, van het huis van Levi, hij had bloesem voortgebracht en knoppen geschoten…” (17:23).

Rasji benadrukt hier dat de laatste bloesem term (‘hij had bloesem voortgebracht’) letterlijk genomen moet worden. In deze zin komt het woord ‘bloesemen’ twee keer voor. Omdat de tweede keer een volgend groeistadium aangeeft, moet het zijn dat het werkwoord ‘bloesemen’ in een meer globale, inleidende betekenis gebruikt wordt. De tweede uitdrukking van ‘bloesem’ is heel concreet een echte bloesem die de voorloper is van de amandelen.

“En de heilige spijzen van de kinderen Israëls zult u niet ontwijden en u zult niet sterven” (18:32).

Rasji legt hier uit: “Indien u het ontwijdt u wel zult sterven.” Rasji wil hiermee benadrukken dat een zin als: “en u zult niet sterven” niet letterlijk bedoeld is. Iedereen zal een keer sterven, ook al ontwijdt hij niet. Daarom zegt Rasji dat hier de ‘vav’ niet ‘en’ betekent maar ‘opdat’: ”Opdat jullie niet zullen sterven.”

De parsja verklaringen zijn deze week gebaseerd op “What’s bothering Rashi?” van A. Bonchek.

Sjabbat sjalom!

Reacties zijn gesloten.