Mosjee stuurt twaalf mannen, één van iedere stam, om Kena’an te verkennen. Ze keren na veertig dagen terug en vertellen dat het land inderdaad overvloeit van melk en honing. De vruchten zijn groot en als bewijs tonen ze een druiventros die aan een draagstok door twee man gedragen moet worden. Maar de mensen in dat land zijn groot en de steden versterkt. Tien van de twaalf verkenners raden aan om niet op te trekken omdat het volk daar te sterk is en ze vrezen dat vrouw en kinderen krijgsbuit zullen worden. Alleen Kalev en Jehosjoe’a pleiten ervoor wel op te trekken omdat G’d met hen is. Het volk jammert dat het terug wil naar Egypte. HaSjeem wordt geweldig boos en wil het volk vernietigen, maar Mosjee weet dat door gebed te voorkómen. Voor elke dag van verkennen moet het volk echter een jaar in de woestijn blijven en zij die HaSjeem geminacht hebben, zullen het land niet zien maar in de woestijn sterven, met uitzondering van Jehosjoe’a en Kalev. Sommigen van het volk, met spijt over hun houding, trekken toch op maar worden smadelijk teruggeslagen. G’d geeft Mosjee instructies over uiteenlopende offers en gewijde gaven die gebracht zullen worden als het volk in het land gevestigd is. Een man die hout sprokkelde op Sjabbat moest ter dood gebracht worden. De mitswa van Tsietsiet (schouwdraden) volgt.
Koheen, 13:1-20. G’d benadrukt tegenover Mosjee, dat hij uit eigen vrije wil de verspieders kan sturen, maar dat dit niet op bevel van G’d geschiedt.
”Stuur mannen dat zij het land Kena’an zullen verspieden, dat Ik aan de kinderen Israëls geef. Eén man telkens voor de stam van zijn vaders zult u zenden, allen de vorsten onder hen” (13:1).
Rasji stelt hierbij de volgende vraag: waarom volgt de afdeling over de verspieders direct na de afdeling over de melaatsheid van Mirjam? En het antwoord luidt: omdat zij gestraft werd vanwege de lastertaal die ze gesproken had over haar broer Mosjee. Deze slechte verspieders zagen dit en hebben daar geen les uit geleerd. Rasji geeft kritiek op de spionnen maar de vraag is of dat wel te vergelijken is met het ‘roddelen’ van Mirjam. De verspieders praatten over een stuk land maar Mirjam sprak over de man van G’d, de grootste profeet die we ooit gekend hebben. Mirjam en Aharon spraken kwaad over de vrouw uit het land Koesj, die met Mosjee getrouwd was. Volgens de eenvoudige uitleg was zij zwart. Rasji vermeldt dat Mirjam voor haar kwaadsprekerij gestraft werd met melaatsheid die wit is als sneeuw (12:10). De zwarte vrouw van Mosjee leek zwart aan de buitenkant maar was puur aan de binnenkant. Mirjam leek puur aan de buitenkant maar ze was onzuiver van binnen, zij het zeer subtiel.
We kunnen hieruit leren dat we niet naar het uiterlijk moeten oordelen. We moeten de zaken dieper bekijken. Wat er aan de oppervlakte slecht uitziet kan geweldig goed van binnen zijn. Ook de verspieders keken alleen naar de buitenkant van het land. Mosjee vroeg hen om het land te bekijken en de steden waar de inwoners van het land in wonen, of ze open of versterkt zijn. Rasji legt hier uit dat Mosjee hen een teken gaf. Als zij in open steden leven zijn ze sterk maar als ze in ommuurde steden leven zijn zij zwak. Het is precies het omgekeerde van wat wij zouden denken: een vesting ziet er moeilijk te veroveren uit. Maar Mosjee wilde de verspieders duidelijk vertellen dat zij niet alleen op het uiterlijk moesten afgaan. De verspieders zondigden en keken alleen naar de buitenkant. Zij kwamen met uiterlijke beschrijvingen thuis: “De steden zijn ontzettend stevig versterkt” (13:28). Ze zijn sterk omdat ze in sterke steden wonen. De verspieders maakten één grote fout. Ze konden niet door de oppervlakte heen prikken.
Hoe Rasji aan dit psychologische inzicht komt wordt duidelijk uit 13:18: ”U zult het land in ogenschouw nemen wat het is en het volk wat er op woont. Of het sterk is of zwak, of het weinig is of veel.” Op de woorden ‘of het sterk is of zwak’ zegt Rasji dat Mosjee de verspieders een teken meegaf: als ze in open steden wonen zijn ze sterk omdat ze op hun kracht vertrouwen, maar als ze in versterkte steden wonen zijn zij zwak.
Als Rasji zijn teken haalt uit het feit dat Mosjee hen aanraadt om te kijken naar het soort steden waar zij wonen, had hij ook de openingswoorden van zijn verklaring naar die steden waarin ze wonen moeten richten. Bij alle tegenstellingen die de Tora vermeldt (of het weinig is of veel, of het goed is of slecht, of men in open of gesloten steden woont, of het vet is of mager, of er bomen staan of niet) staat er altijd het woordje ‘of’, behalve bij: of het sterk is of zwak. Daar staat het woordje ‘of’ niet (hoewel wij dat wel zodanig vertaald hebben). Er staat in feite: dat het sterk is, dat het zwak is. Wat wij normaliter zouden vertalen: Is het sterk? Is het zwak? Maar in feite kan je dit lezen als: de sterke, dat is de zwakke. En dat betekent dat alles wat er sterk uitziet uiteindelijk een teken is van zwakte. Dit was het teken wat Mosjee hen gaf.
Levi, 13:21-14:7. De verspieders beschrijven de grote kracht van de inwoners van Kena’an. Het volk komt in opstand maar Kalev vertelt hun dat ze moeten optrekken naar Israël. De andere tien verspieders spraken kwaad over het land. De Kena’anieten zijn sterker dan wij: “En wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen.”
“Wees slechts tegen G’d niet weerspannig, dan hoeven jullie het volk van het land niet te vrezen. Want ons brood zijn zij. Hun schaduw is van hen geweken. G’d is met ons, vrees hen niet” (14:9).
Rasji geeft als commentaar: “Wees niet weerspannig en dan hoeven jullie ook niet te vrezen.“ Oorspronkelijk had ik gelezen in de pasoek: “Jullie mogen niet weerspannig zijn en jullie mogen niet vrezen.” Maar Rasji verandert het in: “Jullie mogen niet weerspannig zijn en dan zullen jullie niet vrezen.” Het eerste is een opdracht. Het tweede is geen opdracht maar een belofte: jullie zullen niet bang zijn. Overwinning of nederlaag hangen niet af van onze fysieke kracht of ons numerieke overwicht. Het gaat erom aan wiens kant G’d staat. Jehosjoe’a wilde dit punt benadrukken en hij zegt het ook heel duidelijk: ”Als G’d behagen in ons schept, dan brengt Hij ons naar dit land en geeft Hij ons een land dat vloeit van melk en honing” (14:8). Op de woorden: “Want zij zijn ons brood”, zegt Rasji: ”Wij zullen hen verteren als brood.”
De verspieders vertelden de mensen dat de inwoners van het land krachtig en machtig zijn en dat ze wonen in zwaar versterkte burchten. Ze zagen er ook kinderen van reuzen. We kunnen niet tegen dit volk vechten omdat ze sterker zijn dan wij. Het land wat zijn inwoners verteert en alle mensen die we hebben gezien waren enorm groot. Jehosjoe’a en Kaleev spreken de berichten over de fysieke kracht van de inwoners niet tegen. Het enige wat ze zeggen is: “Het land waar wij doorgetrokken zijn om te verspieden is een erg goed land. Als G’d wil kan Hij ons naar dat land brengen en zal Hij het ons geven. Het is een land wat overvloeit van melk en honing. Maar weet dit wel: kom niet in opstand tegen Hasjeem en dan hoef je het volk van het land niet te vrezen, want zij zijn ons brood. Hun bescherming is verdwenen. Hasjeem is met ons, wees niet bang voor hen.” Jehosjoe’a en Kaleev vermelden de kracht van de inwoners van het land niet.
Rasji stoort het feit dat Jehosjoe’a en Kaleev niet de fysieke kracht van de Kena’anieten weerspreken. De Kena’anieten zijn zeker niet makkelijk te overwinnen. Het is alleen omdat G’d aan onze kant staat dat wij ze als brood kunnen verteren. Als je de pasoek vertaalt als: “Omdat zij ons brood zijn” en daarmee aangeeft dat we ze makkelijk kunnen verslaan omdat ze zwak zijn, dan slaan we de plank mis: ze waren sterk en krachtig. Jehosjoe’a en Kaleev wilden alleen maar aangeven dat als wij op G’d vertrouwen, wij hen kunnen verslaan, ondanks hun enorme kracht. In de bekende haftara (Jesaja 55: 8-9) wordt het woordje ‘kie’ ook als ‘als’ vertaald. Die nuance neemt Rasji over om aan te geven dat het, ondanks de geweldige overmacht van de Kena’anieten, een eenvoudige verovering zal zijn.
3e alija, 14:8-25. G’d wordt kwaad op het volk en stelt Mosjee voor, dat hij uit hem een groter en machtiger volk zal maken. Mosjee houdt een pleidooi. G’d verzoent Zich en Hij belooft, dat mannen van deze generatie het land niet zullen bereiken, met uitzondering van Kalev en Jehosjoe’a.
“Toen zei G’d: ‘Ik heb naar jouw woord vergeven’” (14:20). (Lett.: “Zoals jij gezegd hebt”)
‘Zoals je hebt gezegd’ legt Rasji uit dat G’d zegt: “Ik heb vergeven volgens dat wat jij gezegd hebt Mosjee, dat de Egyptenaren niet zouden zeggen dat G’d niet bij machte is om de Joden naar Israël te brengen” (zie eerder 14:16). Mosjee hield een pleidooi voor het Joodse volk tegenover G’d, waarin hij twee belangrijke punten benadrukte. Als G’d de Joden vernietigt en hen niet naar het Heilige land brengt, dan zullen de volkeren concluderen dat G’d niet in staat was om Zijn belofte te vervullen aan de Aartsvaders. Dat zou een chiloel Hasjeem zijn. Bovendien spreekt Mosjee G’ds barmhartigheid aan en herhaalt het gebed dat G’d hem speciaal had geleerd na de zonde van het Gouden Kalf (Exodus 34:6).
G’d vergaf het Joodse volk alleen naar aanleiding van de woorden van Mosjee. G’d wilde geen chiloel Hasjeem. Dat deze generatie zou het niet overleven maar de volgende generatie zou het land Israël wel bereiken. Het was dus maar een gedeeltelijke vergiffenis. Het tweede deel van de pleidooi van Mosjee was gebaseerd op G’ds Eigen woorden in Exodus. Zou Hasjeem vergeven naar Zijn Eigen woorden na het gebed bij het Gouden Kalf, dan zou de zonde van het Joodse volk volledig vergeven zijn. Nu vergeeft Hasjeem alleen naar de woorden van Mosjee. Een Chiloel Hasjeem werd het niet, maar de generatie die had geklaagd na het verslag van de spionnen stierf in de woestijn. De vergiffenis was slechts gedeeltelijk.
4e alija, 14:26-15:7. Het volk moet 40 jaar in de woestijn blijven. Sommigen hebben spijt en willen het land direct binnentrekken. Mosjee waarschuwt ze. De stoutmoedigen worden verslagen. Details over het meel- olie- en wijnoffer dat de meeste offerdieren begeleidt.
En toen stierven de mannen die lasterlijke taal hadden uitgebracht over het Land met een plaag voor Hasjeem (14:37).
Rasji legt hier uit dat zij gestorven zijn door die dood die voor hen gepast was als straf met gelijke maat: “Zij hadden gezondigd door spraak en nu werd hun tong heel lang. Zo lang dat hij tot hun navel reikte. Wormen kwamen uit hun tong en gingen hun buik in. Daarom wordt er gezegd door de sterfte en niet door een sterfte. De bedoeling van voor Hasjeem is dat het een straf was die voor hen gepast was volgens de eigenschappen van Hasjeem die met gelijke maten meet en vergeldt”. Rasji komt tot deze laatste verklaring omdat er in de Tora staat de plaag, een plaag waar wij bekend mee zijn. Dit is echter moeilijk te begrijpen omdat er hiervoor geen vermelding was van een plaag.
De Maharal van Praag legt in zijn Goer Arjee uit dat de tong hier gekozen werd als straf vanwege de lasjon hara die gesproken werd over Israël. De wormen symboliseren het proces van langzame vernietiging omdat zij een vrucht langzaam opeten. De navel is het eerste lichaamsdeel van de mens. Onze Wijzen zeggen in Sota 25b dat de mens vanuit de navel geschapen wordt en het hele lichaam daaromheen wordt gebouwd. De tong, ons spraakvermogen, werd het laatste geschapen. De navel was het eerste en de tong was het laatste. Lasjon hara is een negatieve kracht die de hele mens vernietigt, van zijn navel tot zijn tong. De wormen gingen van de tong naar de navel en laten zien hoe de mens langzaam kapot wordt gemaakt door lasjon hara. Dit is vergelding met gelijke maat.
5e alija, 15:8-16. Details van het meeloffer en de plengoffers. 6e alija, 15:17-26. De mitsva van Challa geldt direct bij de intrede in Kena’an. Men geeft een heffing van het deeg aan de Koheen. Dan volgt het offer bij een onopzettelijke zonde van de gemeente. 7e alija, 15:27-41. Nu volgt het individuele zondoffer, wanneer onopzettelijk een zonde werd begaan. De houtsprokkelaar, een Sjabbatschender, wordt opgepakt en gedood. Waarschijnlijk was dit Tselofchod. De parsja eindigt met de afdeling over de tsietsiet.
De parsja verklaringen van deze week zijn gebaseerd op “What’s bothering Rashi?” van A. Bonchek.
Shabbat shalom!
