Parsja Beha’alotecha

BEHA’ALOTECHA (bij het aansteken): Toen de tijd gekomen was voor het Pesachoffer bleken sommige mannen onrein. Zij krijgen verlof voor een inhaalmogelijkheid, het Pesach sjenie. De stammen trekken op of blijven op hun plaats als de wolk of de vuurzuil optrekt of pas op de plaats maakt. Het optrekken geschiedt volgens een vastgestelde volgorde. Er moeten twee zilveren trompetten gemaakt worden. Alle verschillende tonen hebben een speciale betekenis.

Bij het vertrek richting Israël vraagt Mosjé zijn schoonvader mee te gaan. Jitro wil echter naar zijn eigen land terugkeren. Als het volk klaagt omdat ze geen vlees kunnen eten en het Egyptische menu in de herinnering roept, breekt een Hemels vuur uit. Mosjé is wanhopig en beklaagt zich om de zware last die het volk op hem legt. HaSjeem besluit de leiderslast te verdelen over 70 oudsten. Het volk wordt beloofd dat ze een maand lang vlees zullen eten, totdat het hun neus uitkomt omdat ze G’d versmaad hebben. Inderdaad komen geweldig veel kwartels neer maar de G’ds woede treft het volk zwaar. Mirjam spreekt met haar broer Aharon kwaad over Mosjé; HaSjeem maakt duidelijk dat Hij direct met Mosjé, een zeer bescheiden mens, spreekt. Mirjam wordt melaats en Mosjé davvent (bidt) voor haar.

En de Eeuwige sprak tot Mosje in de woestijn Sinai in het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte, in de eerste maand”. (Bamidbar 9:1)

De eerste pasoek van het boek Bamidbar (1:1) begint met de telling van de Bnee Jisra’eel op de eerste dag van de tweede maand van het tweede jaar na de uittocht uit Egypte. In onze pasoek Bamidbar 9:1 (negen hoofdstukken later) spreekt Hasjeem in de eerste maand van het tweede jaar na de Exodus. De tijdsvolgorde lijkt omgekeerd. Het gaat hier in hoofdstuk 9 over de eerste Pesach in de woestijn, in het tweede jaar na de uittocht, en over het Pesach Sjenie.

Waarom Pesach Sjenie?
“Ieder mens, wanneer die onrein of op verre weg zal zijn, moet een Pesach voor HaSjeem maken, in de tweede maand op de veertiende” (9: 10-11). In Sefer Hachinoeg wordt uitgelegd, dat men niet alleen gerechtigd is tot een tweede Pesach wanneer men onrein was of ver weg. Ook wanneer men per ongeluk of zelfs opzettelijk heeft nagelaten het eerste Pesach te brengen, mag men dit op het Pesach sjenie – het tweede Pesach inhalen (B.T. Pesachiem 93a).

Een van de achtergronden van deze mitsva is, dat het Pesach-offer een duidelijk teken is voor alle wereldburgers, dat de wereld vanuit het niets geschapen werd. Bij de uittocht uit Egypte deed G’d voor ons duidelijke wonderen en heeft Hij ten overstaan van vele volkeren ingegrepen in de natuur. Alle wereldburgers hebben gezien, dat G’ds invloed en macht zich zelfs uitstrekken over deze lage, materiële aarde. Bij de uittocht uit Egypte geloofde iedereen weer, dat G’d de wereld had geschapen. Dat de wereld nieuw is, vormt een belangrijk geloofsfundament. Daarom wilde G’d een inhaalmogelijkheid. G’d wilde niet, dat wij door oponthoud of overmacht hier niet aan zouden kunnen deelnemen. Daarom biedt Hij ons een inhaalmogelijkheid in de tweede maand, 14 Ijar. Omdat besef van G’ds almacht zo essentieel is, is ook iemand die tussen de eerste en de tweede Pesach Bar mitswa (volwassen) of Joods wordt verplicht om deze mitswa van Pesach sjenie te vervullen.

Er zijn nogal wat verschillen. 14 Nisan (Pesach 1) mogen wij geen chameets (gerezen produkten) meer in ons bezit hebben maar op 14 Ijar (Pesach 2) mag chameets samen met matsa bij ons thuis liggen. Pesach sjenie duurt maar één dag en kent geen werkverbod, terwijl de eerste Pesach zeven dagen duurt en er een strikt werkverbod is op zowel de eerste als de zevende dag. Op de eerste Pesach moet er Halleel – een loflied uit Tenach – worden gezegd bij het eten van het Pesach-offer maar bij Pesach sjenie hoeft dit niet. Bij het klaarmaken van het Pesach-vlees echter moet bij beide Halleel wordt gezegd. Het Pesach-vlees wordt in beide gevallen gebraden gegeten, met matsot en maror en het schuift de Sjabbat-verboden terzijde. Bij beide Pesach-offers mocht men niets van het offer overlaten en geen botten breken.

Over de verhouding tot het eerste Pesach bestaan er drie meningen: men kan stellen, dat Pesach sjenie geen inhaalmanoeuvre is. Het is geen rectificatie maar een feest op zichzelf. De Tora zegt, dat er een nieuwe verplichting ontstaat op 14 Ijar voor degenen, die de eerste Pesach, op 14 Nisan, nog geen offer gebracht hadden. Daarom is ook niet zo relevant om welke reden men Pesach sjenie viert.

Een tweede mening stelt dat Pesach sjenie slechts een inhaalmanoeuvre is voor nalatigheid bij de eerste Pesach. Wanneer men het eerste Pesach-offer heeft nagelaten, is men in feite al straf schuldig. De straf blijft echter latent tot men het nagelaten eerste Pesach heeft ingehaald door bij Pesach sjenie een offer te brengen. Wanneer men dus per ongeluk of zelfs door overmacht gedurende Pesach sjenie geen offer heeft gebracht, blijft men schuldig. Men was de straf namelijk feitelijk al verplicht vanaf het moment, dat men geen offer bij het eerste Pesach had gebracht. Een derde opvatting meent, dat Pesach sjenie geen inhaalmanoeuvre is. Het is slechts een rectificatiemogelijkheid. Het is de laatste mogelijkheid om nog een korban (offer) voor Pesach te brengen.

Chronologie in de Tora
Voorgaande betreft het inhoudelijke. Rasji gaat in op de formele kanten: “De afdeling die aan het hoofd van het boek voorkomt werd niet uitgesproken voor de 2e maand Ijar 2449, terwijl deze parsja (9:1) over het Pesachoffer en Pesach sjenie al in de 1e maand Nisan werd uitgesproken. We leren hieruit dat er geen chronologische volgorde in de Tora bestaat. Waarom begint het boek Bamidbar niet met de vermelding van beide Pesachiem? Omdat het eigenlijk schandalig was dat het Joodse volk gedurende veertig jaar in de woestijn niet meer dan alleen dit Pesachoffer hebben gebracht”.

De Tora volgt meestal wel de volgorde van de gebeurtenissen. Maar soms gebeurt dit ook niet. Ramban is duidelijk tegen grootschalige toepassing van dit principe van gebrek aan tijdsvolgorde (Rasji past het nog wel eens toe, zie bijvoorbeeld Bereesjiet 6:3, Sjemot 4:20 en Vajikra 8:2). Ramban moet hier echter toegeven dat we de tijdsvolgorde niet anders kunnen begrijpen. Hoewel Ramban in zijn commentaar op Vajikra 8:2 stelt dat het absoluut onnodig is om het woord van de levende G’d om te keren, kan hij er hier niet onderuit. Rasji merkt op dat het een schande was voor het Joodse volk dat zij maar één keer een Pesachoffer hadden gebracht tijdens hun veertigjarige omzwerving.

Waarom maar één Pesachoffer in de woestijn?
Dit is echter moeilijk te begrijpen want Rasji zegt op Sjemot 12:25 dat de mitsva van korban Pesach (Pesachoffer) alleen maar verplicht werd toen de Joden Israël binnen trokken. In feite is de verplichting tot het brengen van een Pesachoffer in het 2e jaar in de woestijn (zoals hier in 9:2) een uitzondering op de regel dat het Pesachoffer pas weer in Israël aan de orde zou zijn.

Aan de andere kant is het feit dat de Joden zo lang in de woestijn zijn gebleven zeker te wijten aan de Bnee Jisra’eel zelf. Door de zonde van de verspieders moesten ze veel langer in de woestijn blijven dan gepland. Wellicht is dat het negatieve punt dat Rasji wil benadrukken.

Rasji stelt dat dit het enige offer was dat in de woestijn gebracht werd. Hoe weet Rasji dit? Misschien waren er wel ander Pesachoffers gebracht. Niet alles dat in de veertig jaar in de woestijn is voorgekomen, is vastgelegd in de Tora. In het boek Jehosjoe’a (5:2) lezen wij het volgende: “In die tijd, tijdens de intocht in Kena’an zei G’d tegen Jehosjoe’a: ‘Maak u stenen messen, besnijdt de Bnee Jisra’eel opnieuw, ten tweeden male’. Toen maakte Jehosjoe’a zich stenen messen en besneed de Bnee Jisra’eel op de heuvel van de voorhuiden.

Dit was nu de reden waarom Jehosjoe’a hen besneed: Al het volk van het mannelijk geslacht, dat uit Egypte getrokken was, alle krijgslieden waren in de woestijn onderweg gestorven nadat zij uit Egypte getrokken waren. Want al het volk dat uitgetrokken was, was besneden geweest, maar al het volk dat onderweg in de woestijn geboren was na de uittocht uit Egypte had men niet besneden. Want veertig jaar zijn de Bnee Jisra’eel door de woestijn getrokken totdat het hele volk omgekomen was, de krijgslieden die uit Egypte getrokken waren die naar de stem van Hasjeem niet geluisterd hadden, die G’d gezworen had dat Hij hen het land niet zou laten zien waarvan Hasjeem hun voorouders gezworen had dat Hij het ons geven zou, een land vloeiend met melk en honing. Maar hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld. Deze heeft Jehosjoe’a besneden omdat men hen onderweg niet besneden had”.

In de woestijn werd kennelijk niet besneden. Wanneer men zelf onbesneden is, of vader van een onbesneden kind is, mag men niet deelnemen aan het Pesachoffer. Na het debacle met de verspieders was er besloten dat men nog 39 jaar in de woestijn zou blijven. Er waren veel onbesneden mannen. Daarom was het niet meer mogelijk om het Pesachoffer te brengen. Direct nadat Jehosjoe’a alle mannen besneden had, staat er: “Ze maakten het Pesachoffer op de veertiende van de maand ’s avonds in de vlakte van Jericho” (Jehosjoe’a 5:10). Er was alleen maar één Pesachoffer gedurende al de jaren dat de Joden in de woestijn waren.

“En de wolk van Hasjeem was op hen bij dag, toen ze optrokken uit de legerplaats” (10:34).
Rasji zegt hierop dat zeven maal “wolk” wordt geschreven bij de tochten: er waren vier wolken aan de vier zijden, één boven, één onder hen en één vóór hen die hoog maakte wat te laag was en laag maakte wat te hoog was en slangen en schorpioenen doodde. Een ander verklaring van Rasji (die niet in de Choemasj van Onderwijzer staat afgedrukt) zegt dat min hamachanee: mimakom chani’atan – vanaf de plaats van waar zij hun kamp hadden opgeslagen. Dit zijn de laatste woorden van 10:34 en de vraag is wat Rasji met dit korte commentaar van de plaats van hun kampement wil uitleggen. Wat stoorde Rasji?

De mensen reisden door de woestijn en zetten hun kamp op waar G’ds wolk stopte. Wanneer zij doorgingen bleef niets van het machanee over. Het kamp waren de mensen zelf. Waar zij waren was het kamp. Als het woord machanee slaat op de mensen, hoe is het dan mogelijk dat de mensen uit hun kamp wegtrokken? Als de mensen en het machanee identiek zijn, kan men niet weggaan uit het eigen machanee. Rasji vertaalt daarom het woordje machanee als de plaats van het kamp en nu is het inderdaad mogelijk om daarvan weg te trekken.

De Joden in de woestijn volgden de G’ddelijke wolk, die hen begeleidde. Daar nooit van tevoren voorspelbaar was hoelang men op een bepaalde plaats zou blijven, betekende elke stop van de wolk dat men moest uitpakken met het risico dat men de volgende dag weer moest inpakken en vertrekken. Reizen onder leiding van G’ds wolk was een behoorlijke test. Was het Joodse volk bereid G’d overal te volgen? Soms wilden ze, aangekomen op een prachtige plaats, veel langer blijven. En uit een onherbergzaam oord wilden ze veel sneller weg. De Tora is een les voor eeuwig. Het leert ons, dat we niet altijd weten waar onze galoet (ballingschap) ons heenvoert.

Een deel van de parsja verklaringen van deze week is gebaseerd op “What’s bothering Rasji?” van A. Bonchek.

Sjabbat sjalom!

Reacties zijn gesloten.