Parsja Naso

”Neem het aantal op van de zonen van Gersjon, ook van hen, naar hun vaders huis, naar hun geslachten” (Bemidbar 4:22).

Rasji legt hierbij uit: “Ook hen, net zoals ik u bevolen heb omtrent de zonen van Kehat, om namelijk te zien hoeveel er zijn, die vallen in de termen van de dienst, die ze moeten verrichten”.
Een volkstelling
Bemidbar begint met de telling van de stammen. Alleen de stam Levi wordt apart geteld. En wel op twee manieren: eerst globaal en daarna met de bedoeling om vast te stellen wie oud genoeg waren om te dienen in de Tempel. Tussen de dertig en de vijftig jaar werd men geschikt geacht voor de Tempeldienst.

De stam Levi telde drie families: Gersjon, Kehat en Merrari. De woorden ‘ook hen’ staan wat vreemd. Rasji verklaart dit. Het woord ‘ook’ is meestal een toevoeging aan dat wat daarna komt. Rasji’s boodschap is, dat wij het woordje ‘ook’ moeten verbinden met de volgende pasoek, waarin staat dat ze vanaf dertig tot vijftig meegeteld worden. Niet alleen de zonen van Kehat moeten geteld worden van dertig en ouder, maar ook de zonen van Gersjon moeten tussen de dertig en de vijftig geteld worden. Daarom voegt Rasji de woorden toe, dat hier gekeken moet worden hoeveel mensen in aanmerking komen voor de dienst.

Een ander probleem is, dat de woorden ‘ook zij’ hier in de eerste persoon staat en niet als lijdend voorwerp. Er had moeten staan: ‘tel hen ook’ en niet: ‘ook zij’. Maar als wij de volgende pasoek (vers) erbij betrekken, wordt de eerste persoon van ‘zij’ duidelijk: wij tellen zij die tussen de dertig en de vijftig jaar zijn, of: ook zij van dertig tot vijftig moet men tellen. Rasji voegt de woorden: ‘evenals ik u bevolen heb betreffende de zonen van Kehat’ toe om te benadrukken dat het hier alleen nog maar de opdrachtfase was. Pas veel later (4:34) worden ze feitelijk geteld.

“En de gordijnen van het voorhof en het schutgordijn aan de ingang van de poort van het voorhof, dat om de woning en om het altaar is, rondom en hun touwen en al de voorwerpen voor hun gebruik en al wat ermee geschieden moet, zullen zij doen” (Bemidbar 4:26).

Rasji verklaart op de laatste woorden: ”Gelijk de vertaling ervan door Onkelos luidt: “En al wat aan hun, zonen van Gersjon, gegeven zal worden”. De stam ‘Ose’ kan ‘maken’ en ‘doen’ betekenen, maar hier kiest Rasji voor de vertaling: overdragen, opdragen of overgeven. Het gaat in de geciteerde pasoek om de Tabernakelvoorwerpen, die horen bij de taak van de zonen van Gersjon. Maar deze dienstvoorwerpen waren helemaal niet voor Gersjon en zijn kinderen gemaakt. Ze waren gemaakt voor de Tabernakel en in die hoedanigheid voor het hele Joodse volk. Dus:’gemaakt voor de kinderen van Gersjon’, kan het niet betekenen. Bovendien gebruikt de Tora hier een toekomstige tijd. Terwijl de dienstvoorwerpen al lang gemaakt waren.

Als we het met Rasji vertalen als: ‘de voorwerpen die overgedragen zouden worden aan de kinderen van Gersjon’, is het goed. De overdracht moest nog plaatsvinden en het werd aan hen overgedragen, hoewel zij niet voor hen gemaakt waren.

En als de man geen bloedverwant heeft, om aan deze de schuld terug te geven, dan is de schuld die teruggegeven wordt voor G’d, voor de priester, behalve de ram der verzoening”, waarmee hij voor Hem verzoening doet” (Bemidbar 5:8).

Volgens Rasji wil dit zeggen dat de eiser, die hem heeft laten zweren, gestorven is en geen erfgenamen heeft om het verschuldigde aan terug te geven. Wanneer de overtreder later besluit zijn misdaad te bekennen, dan moet hij het teruggeven aan G’d, voor de koheen.

Terugbetalen van schulden
Rasji vervolgt: “En onze geleerden zeggen: ‘is er dan iemand onder Israël, die geen bloedverwanten heeft, hetzij een zoon of een broer, of een bloedverwant, die een nabestaande is van het geslacht van zijn vader, wanneer men opklimt tot Aartsvader Ja’akov?” Maar degene die hier bedoeld is, is de bekeerling, die gestorven is en geen erfgenamen heeft, die na zijn bekering dus geen kinderen meer gekregen heeft. Want zijn vroegere bloedverwanten worden niet meer als familie beschouwd, omdat alle vroegere familiebetrekkingen door zijn bekering geheel afgesneden worden (B.T. Sanhedrin 68b).

Het gaat hier (vgl. Rasji 5: 6) om een persoon die geld geleend of gestolen heeft. Toen hem verzocht werd om het terug te betalen, ontkende hij alles en zweerde hij zijn onschuld. Daarna gaf hij zijn overtreding toe. Daarom moet hij zijn schuld terugbetalen, plus een vijfde, en ook nog een offer brengen. Degene die zijn eigendommen opeiste, was inmiddels gestorven. De gedaagde had zijn onschuld gezworen. Toen stierf de eiser. Daarna kwam de gedaagde tot een ander inzicht, deed tesjoeva en gaf zijn schuld toe. De gedaagde wilde zich niet onbetuigd laten en zwijgen, nu zijn eiser overleden was. De man was echt tot inkeer gekomen. Er zijn geen familieleden die de rechtszaak zouden kunnen voortzetten.

Rasji legt verder uit dat hier geen familie is, hoever men ook teruggaat in de geschiedenis. Zijn oorspronkelijke familie heet, door zijn overgang, niet meer echt zijn familie, qua erfrecht. Hij heeft ook geen kinderen gekregen, nadat hij Joods is geworden.

Vergelijk dit echter eens met Vajikra 25:25-26: “Wanneer je broeder verarmt en van zijn bezittingen verkoopt, dan zal zijn losser komen, die hem nabij is, en lossen wat verkocht is door zijn broeder. En wanneer iemand geen losser heeft maar zijn vermogen is toereikend en hij heeft zich verworven zoveel als nodig is voor zijn lossing, dan berekene hij de jaren sinds zijn verkoop…”. Hier stelt Rasji dezelfde vraag: “Maar is er dan iemand onder het Joodse volk die geen bloedverwanten heeft, wanneer men tot de oudste tijden opklimt, dan blijkt het immers dat Israël slechts één grote familie is? Maar de bedoeling is: een bloedverwant die het door hem verkochte, lossen kan”.

Waarom geeft Rasji niet op beide pesoekiem dezelfde verklaringen? Wanneer wij de context erin betrekken, zien wij het grote verschil. In Vajikra wordt er gesproken over erfgoed. Het spreekt van iemand die het land heeft geërfd van zijn familie, wat oorspronkelijk toegewezen was aan de Joodse stammen die uit Egypte waren vertrokken. Deze mensen waren niet Joods geworden.

Als we de context uit Bemidbar zien, dan begrijpen we dat de eiser hier zelf de betaling in ontvangst zou moeten nemen. Hij is niet meer in leven, dus krijgen zijn naaste familieleden het. Waarom zouden zijn erfgenamen zijn bezittingen weigeren? Niemand onder Israël is zonder familie, als men maar ver genoeg in de geschiedenis teruggaat. Daarom is de enige mogelijkheid dat het hier gaat over iemand die Joods is geworden en geen kinderen heeft gekregen, nadat hij Joods is geworden.

“Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tegen hen: ‘Wanneer van elke man ook, de vrouw afdwaalt en ontrouw tegen hem pleegt” (Bemidbar 5:12).

Rasji verklaart dat onze Geleerden uitleggen dat echtbrekers pas ontucht plegen, nadat een geest van krankzinnigheid in hen gevaren is. Want er is geschreven: ‘Wanneer zij krankzinnig wordt’ (afdwaalt kan ook vertaald worden als krankzinnig worden). En van hem, van de man, wordt geschreven: ‘Wie overspel pleegt met een vrouw is zonder verstand’ (Spreuken 6:32). Maar de eenvoudige zin van de pasoek is: ‘Wanneer zij afwijkt van de wegen van ingetogenheid en in zijn ogen verdacht is, zoals wijk af daarvan en gaat voorts’ (Spreuken 4:15), ‘laat uw hart niet afwijken tot haar wegen’ (Spreuken 7:25).

De overspelige vrouw?
Waarom wordt de eerste verklaring gezien als een midrasj en de tweede als pesjat (eenvoudige verklaring)? Afwijken en gek worden zijn in de Tora twee verschillende woorden. ‘Sjote’ is een dwaas en ‘sote‘ is iemand die van de weg afraakt. Wanneer men die overgang van de ‘s’ naar de ‘sj’maakt, is er sprake van een ander woord. Om die kloof te overbruggen, heeft men een midrasj nodig. Aan de andere kant is moeilijk te begrijpen, dat deze dame alleen maar afwijkt van de voorschriften van tseni’oet, ingetogenheid. Deze vrouw wordt van overspel verdacht. Waarom meent Rasji dat de eenvoudige verklaring een afwijking van de voorschriften van ingetogenheid is?

Het antwoord luidt als volgt. De man verdenkt zijn vrouw alleen maar van overspel. Er is geen hard bewijs. Dat is het punt: er zijn geen getuigen. Zijn verdenking is natuurlijk wel ergens op gebaseerd: de manier waarop zijn vrouw zich gedraagt en kleedt, waar ze met haar hoofd is. Deze afwijkingen van de ingetogenheid geven de man te denken. Hij gaat haar verdenken en wordt bezeten van jaloezie. De vrouw is echter onschuldig en blijft onschuldig totdat er bewezen is dat zij schuldig is.

Rasji wil alleen maar duidelijk maken dat de vrouw niet veel meer heeft gedaan dan afwijken van de wegen van tseni’oet. Wanneer ze zich ook nog een keer afzondert met een vreemde man, ondanks de waarschuwingen van haar echtgenoot, wordt de zaak wel heel verdacht.

Hetzelfde idee vinden we in het volgende citaat: “Maar wanneer u afgedwaald bent in ontrouw jegens uw man en wanneer u verontreinigd bent en, behalve uw man, iemand zijn bijslaap bij u heeft gehouden” (Bemidbar 5:20).

Het woordje ‘kie’ heeft vier betekenissen: het kan ‘want’ zijn, ‘wanneer’, ‘als’en ‘maar’ (behalve). Rasji kiest voor: ‘als’. De vertaling van de zin is dus niet: ‘omdat je afgedwaald bent tot onreinheid, maar: ‘als je afgedwaald bent tot onreinheid’, want het gaat hier over een vrouw die alleen nog maar verdacht wordt van overspel en zelfs nog niet eens in staat van beschuldiging is gesteld. Daarom moet hier vertaald worden:’als je vreemd bent gegaan’, want ‘omdat je vreemd bent gegaan’ is nog totaal niet bewezen. Vergelijk dit echter met de openingszin: “Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: wanneer, van welke man dan ook, de vrouw afdwaalt en ontrouw tegen hem pleegt”. Daar zegt Rasji niet dat je hier ‘als’ moet vertalen, maar ‘wanneer’. Waarom is dat zo? Omdat in 5:12 gesproken wordt over onzekerheid, een waarneembare afwijking van het normale, ingetogen gedrag. Of ze verder is gegaan, weten we niet. Het is onduidelijk of ze een affaire heeft gehad met een andere man. Daarom gaat Rasji daar niet verder op in.

Maar in Bemidbar 5:20 spreekt de koheen tot de vrouw. Hij waarschuwt haar. Hij spreekt in onzekere termen omdat hij niet weet of zij inderdaad overspel heeft gepleegd. En daarom zegt hij: “Als je overspel hebt gepleegd, zal er dat en dat gebeuren. En als je geen overspel hebt gepleegd, zal je niet gestraft worden”.

Lees echter ook nog even: “Daarna zal de koheen haar beëdigen en zeggen tot de vrouw: ‘Indien een man u niet heeft bijgewoond. Indien u niet bent afgedwaald tot onreinheid in ontrouw jegens uw man, wees dan vrij van dit bittere, vloekaanbrengende water” (5:19).

Het bittere water
De Tora gebruikt hier het woordje ‘im’. Dit betekent duidelijk:’als’. Er is dus een nuanceverschil tussen zin 5:19 en zin 5:20. De koheen zegt eerst ‘als’: ‘als je niet hebt geslapen met een andere man, ben je onschuldig’. Wanneer de koheen de mogelijkheid van overspel benadrukt, gebruikt hij het vagere woord ‘kie’. Het kan of: ‘als’, of: ‘omdat’ betekenen. Er zit dus een dubbele betekenis in. De van ontucht verdachte vrouw kan het opvatten als: slaand op haar eigen subjectieve toestand: schuldig of onschuldig. Dan kan ze horen: ‘als je overspel hebt gepleegd, dan ben je schuldig en als je geen overspel hebt gepleegd, dan ben je niet schuldig’.

Zij kent haar schuld of onschuld zelf het beste. Maar aan de andere kant kan ze het woord ‘kie’ opvatten als ‘omdat’: ‘omdat je overspel hebt gepleegd’, welbeseffend dat ze het inderdaad heeft gedaan. Met het ambigue woord ‘kie’ in 5:20, in plaats van het duidelijke woord ‘im’ in 5:19, heeft de Tora een geweldig subtiele psychologie blootgelegd.

“En de man zal vrij zijn van schuld, maar deze vrouw zal haar schuld dragen” (Bemidbar 5:31).

Rasji legt dit als volgt uit: als de beproeving van water uitwerking op haar gehad heeft, dan moet de man zich niet schuldig voelen en zeggen: “Ik ben schuldig aan haar dood”. Hij is vrij van de straf . Een andere verklaring: “Nadat hij haar heeft doen drinken, zal ze tegenover hem weer geoorloofd zijn en hij zal dan vrij van misdaad zijn, wanneer hij weer met haar samenleeft. Want voor die tijd, toen zij nog van onzedelijkheid werd verdacht, was ze ongeoorloofd voor haar man”.

Rasji geeft hier twee verklaringen voor het woord ‘avon’ (schuld of straf). Het eerste commentaar vertaalt het als ‘straf’: de man is vrij van straf . In het tweede commentaar legt hij het uit als ‘zonde’: de man is vrij van zonde. De hele parsja van sota spreekt van een vrouw die van ontucht wordt verdacht. Ze kan schuldig zijn of onschuldig maar wat heeft dat met de man te maken? Waar is hij schuldig aan?

Rasji’s bedoelingen zijn duidelijk: de man kan zich schuldig voelen, omdat hij haar aan de bittere waterprocedure heeft onderworpen. Zij sterft een pijnlijke, schaamtevolle dood. De Tora zegt dat hij vrij is van straf. Hij was inderdaad onderdeel van de hele procedure, maar niet schuldig aan een straf. De vrouw heeft zelf ontucht gepleegd en werd terecht gestraft.

Volgens de tweede uitleg mag de man alleen geen relatie hebben met zijn vrouw. Voordat zij het vloekbrengende water gedronken had, was haar onschuld nog niet bewezen. Ze was verboden voor haar man, maar nu dat ze gedronken had van het bittere water en de test overleefd had, is dat een bewijs dat ze onschuldig is. Haar man mag weer met haar samen zijn. Bij de test zijn er twee mogelijke uitkomsten: of ze is schuldig en sterft, of ze is onschuldig en gaat dan gewoon terug naar haar man. Beide betekenissen van ‘avon’ zijn hier duidelijk vertegenwoordigd . ‘Avon’ kan twee dingen betekenen: zonde of straf. Het bekende gebed Avinoe Malkenoe gebruikt deze termen ook.

Een deel van de parsja verklaringen van deze week is gebaseerd op het werk “What’s bothering Rashi?” van A. Bonchek.

Sjabbat sjalom

Reacties zijn gesloten.