Parsja Bemidbar

BEMIDBAR (in de woestijn). Bij telling blijken er meer dan 600.000 mannen van 20 jaar en ouder te zijn. De Levieten worden apart geteld: vanaf één maand. Het vervoer van het draagbare Heiligdom is hun taak. De stammen worden in een vierkant gelegerd rondom het Heiligdom: drie stammen per windrichting, ieder met zijn eigen banier. Zo moeten ze ook optrekken. De stam Levi wordt rondom het Heiligdom gelegerd; de stam Joseef wordt verdeeld in Efraïm en Menasjé. De rol van de eerstgeborenen wordt overgenomen door de Levieten omdat zij het gouden kalf niet hadden gediend. De Levieten worden verdeeld in de drie belangrijkste families: de Gersjonieten, de Kehatieten en de Merarieten. De draagtaken van de onderdelen van het Misjkan worden verdeeld.
Numeri 1:1: “En G’d sprak tot Mosje in de woestijn Sinai in de tent van samenkomst, op de eerste van de tweede maand, in het tweede jaar van hun uittocht uit het land Egypte, als volgt”.

Rasji citeert drie stukjes tekst: ‘en Hij sprak’, ‘in de woestijn Sinai’, ‘op de eerste van de maand’. Rasji verklaart: `uit liefde van G’d voor het Joodse volk telt Hij hen ieder ogenblik. Toen zij uit Egypte trokken heeft Hij hen geteld. Toen zij gevallen waren door het Gouden Kalf heeft Hij hen geteld, om het aantal van de overlevenden te weten te komen. Nu, dat Hij Zijn Sjechina, Zijn G’ddelijke Majesteit, op hen wil laten rusten, telt Hij het Joodse volk weer. De telling hier gebeurde naar aanleiding van het oprichten van het Misjkan, want op de eerste Nisan werd het Misjkan opgericht. Op de eerste Ijar heeft Hij hen geteld’.

Welke woorden citeert Rasji hier uit de Tora-tekst? Zijn citaat bestaat uit drie onderdelen: ’G’d sprak’, ‘in de woestijn Sinai’, ‘op de eerste van de maand’. Rasji geeft geen enkele verklaring voor al deze woorden maar toch moet Rasji ze citeren. De eerste woorden van alle vijf boeken van de Tora wordt altijd door Rasji geciteerd.
Hoewel hij er geen verklaring op geeft, citeert Rasji de openingswoorden van elk boek van de vijf boeken van de Tora toch. Datzelfde geldt voor de sidrot. De openingswoorden van vrijwel elke sidra worden door Rasji geciteerd, ook wanneer hij ze niet becommentarieert.
Zie bijvoorbeeld het begin van de parsja Besjalach (Sjemot 13:17) en de een na laatste sidra van het boek Devariem, Vajelech (31:1). Waarschijnlijk wilde Rasji, die zijn commentaar op losse rollen papier schreef, duidelijk maken wat hij nu precies becommentarieerde. Vandaar dat hij elke nieuwe sidra even kort aangeeft.
Hetzelfde geldt voor de vijf boeken van de Tora. Rasji citeert de openingswoorden om duidelijk te maken waar hij zijn commentaar op schrijft. In Bereesjiet is het eerste woord van het boek tevens de naam van de sidra en het woord waarop Rasji zijn commentaar geeft. Hier is het anders. Bemidbar is de enige sidra, waar het eerste woord van het boek, de naam van de sidra en de woorden waarop Rasji commentaar geeft, alle verschillen. Rasji begint zijn commentaar op elk van de vijf boeken van de Tora met een midrasj, die de liefde van G’d voor het volk en het land benadrukt.
In het eerste boek van de Tora, Bereesjiet, laat G’d zien hoe Hij het Joodse volk en het land Israël liefheeft. Voor deze twee doelen heeft Hij de wereld geschapen. In het tweede boek van de Tora, Sjemot, toont Hij Zijn liefde voor het Joodse volk door een opsomming van de 70 zielen, die afdaalden naar Egypte. In Vajikra toont G’d Zijn liefde voor de G’ddelijkheid van de Tora. In het vijfde boek van de Tora, Devariem, laat G’d het volk subtiel maar niet shockerend waarschuwen. En aan het begin van het 4e Tora-boek Bemidbar toont Hij Zijn liefde door het feit dat zij allemaal apart geteld worden.

Wat opvallend is, is dat al deze tellingen plaats vonden binnen 14 maanden. De eerste telling vond plaats op 16 Nisan 2448, vlak na de uittocht uit Egypte, wat duidelijk maakte hoe vruchtbaar het volk was geweest in Egypte. Met 70 zielen kwamen ze naar Egypte, met zeshonderd duizend mannen tussen de 20 en de 60 verlieten ze Egypte. De 2e telling vond direct plaats na Jom Kippoer 2449. En de 3e telling – in deze parsja – vond plaats op 1 Ijar 2449. De tellingen lijken wat overbodig omdat ze al twee keer eerder geteld waren in het afgelopen jaar binnen een tijdsspan van veertien maanden.

Dat is de reden waarom Rasji hier G’ds liefde verklaart. Het zo snel achter elkaar tellen is niet noodzakelijk om het aantal Joden te kennen. Het laat juist G’ds liefde zien. Men kan het vergelijken met iemand die erg op zijn geld gesteld is. Hij telt het en hertelt het. Niet zozeer om het getal van zijn rijkdom te kennen maar omdat hij zijn geld koestert.

Numeri 1:2: ”Neem het getal van de hele gemeente van de kinderen Israëls naar hun families op, naar hun vaders huizen, naar het getal van hun namen, elke man naar hun persoon”.
Rasji legt hier uit dat de bedoeling hier niet is dat er volgens de gezinnen geteld wordt maar dat het aantal van elke stam apart bekend moet worden. Rasji moet dat hier wel verklaren omdat de Tora vertelt dat de gezinnen geteld moeten worden. Toch vinden we nergens in de uitkomst van de telling dat hier elke gezin apart wordt geteld. Alleen de stammen werden als eenheid geteld. Dit is wat Rasji hier wil vertellen . Waarom vertelt de Tora ons dan dat we het volk moeten tellen naar de gezinnen? Rasji legt uit dat de Tora ons vertelt hoe de telling moet plaatsvinden. Het tellen van de gezinnen was alleen maar een middel. Wil men op eenvoudige wijze het totaal aantal leden van iedere stam kennen, dan doet men dat via de gezinnen. Dat zijn de kleinste eenheden binnen de stam. De hoofden van alle gezinnen konden Mosje precies vertellen hoeveel leden ieder gezin telde. Dit was de eenvoudigste manier om het totaal van alle leden van de stam te weten te komen.

Numeri 1:17: ”Mosje en Aharon namen deze mannen die met name werden genoemd”.

Rasji becommentarieert dat het hier gaat om de twaalf prinsen, voorzitters van iedere stam, die hier met naam aan Mosje werden aangewezen. Wat Rasji bevreemdt in deze pasoek is het feit dat de Tora zoveel woorden gebruikt. Er had eenvoudig kunnen staan: Mosje en Aharon namen hen. Eén woord in plaats van de vijf woorden, die de Tora gebruikt. De Tora is altijd zeer zuinig met woorden. Wil Rasji hiermee uitsluiten dat de lezers zouden denken dat er wellicht andere mensen, dan degenen die boven vermeld werden, genomen werden? Maar waarom zou de Tora dan zo makkelijk mis te verstane woorden gebruiken? Waarom zegt de Tora niet gewoon: ”Mosje en Aharon namen hen”? Want daarmee zouden alle misverstanden uit de wereld zijn genomen.
Het zou kunnen zijn dat de Tora hier aan deze mensen refereert als ‘deze mannen’. Rasji zou dan duidelijk moeten maken dat het niet om gewone mannen gaat maar om de twaalf voorzitters van de stammen. Maar dan is de vraag waarom de Tora niet duidelijk zelf zegt dat hier de voorzitters van de stammen worden bedoeld. Met één woord zou de Tora dat duidelijk hebben kunnen maken en het misverstand hebben kunnen wegnemen. Bovendien zegt Rasji elders (Numeri 13:3) dat het woord `mannen’ in het algemeen een aanduiding is van belangrijke mensen. Daarmee worden voorname mannen van aanzien bedoeld.

Anderen denken dat Rasji wil zeggen dat het hier om twaalf prinsen gaat en niet om vierentwintig. Omdat iedere prins met zijn eigen naam en met zijn vaders naam wordt vermeld had men kunnen denken dat men hier zowel de vaders als de zoons naar voren zou hebben geroepen. Om dit misverstand te voorkomen zegt Rasji dan heel duidelijk dat alleen de zoons werden opgeroepen. Maar deze uitleg is onbegrijpelijk. Als de Tora een eigen naam met een vaders naam vermeld, bedoelt ze één individu en nooit twee personen.

Wanneer we het hebben over prinsen, moeten we in de Tora kijken naar een eerdere vermelding van de voorzitters van de stammen. Dit staat in Sjemot 35:27. De prinsen brachten allerlei juwelen voor de borstplaat en de efod van de Hogepriester: ”En de prinsen brachten onyx stenen en inzetstenen voor in het efod en op de borstplaat”.
De namen van de twaalf stammen werden gegraveerd op de twee stenen van de efod. Rasji legt ons uit dat de stammen in geboortevolgorde gegraveerd stonden op de stenen. In Sjemot 28:10 staat: ”Neem twee onyx stenen en graveer daarop de namen van de kinderen Israëls. Zes namen op de ene steen en de overige zes namen op de andere steen op volgorde van hun geboorte”.
Rasji legt uit dat de bedoeling is dat Re’oeveen, Sjimon, Levi, Jehoeda, Dan en Naftali op de ene steen werden gegraveerd en op de andere steen werden Gad, Asjeer, Jissacher, Zevoeloen, Joseef en Benjamin gegraveerd. De stammen zijn nu anders gegroepeerd. De stammen Levi en Joseef worden wel vermeld in Sjemot maar niet in de lijst van onze prinsen in Bemidbar. Efraim en Menasje worden hier wel vermeld, terwijl ze niet vermeld worden bij de stammen die de stenen voor het efod en de borstplaat bijdroegen.
De stammen in Bemidbar zijn niet gelijk aan de stammen in Sjemot. Het ligt voor de hand dat dan ook de prinsen anders zullen zijn. Hier in Bemidbar is het de eerste keer dat Efraim en Menasje apart onder de stammen gerekend worden, terwijl Levi wordt uitgezonderd.

Dit is wat Rasji wil uitleggen. ‘Deze mannen’ zijn de twaalf prinsen die hier worden genoemd. Dat betekent dus dat deze prinsen anderen zijn dan die in Sjemot. Dat zijn er twaalf en geen dertien of veertien, hoewel Efraim en Menasje hier in Bemidbar worden toegevoegd. Levi en Joseef worden hier niet genoemd. Het totaal van het getal twaalf blijft gelijk. Ze worden hier met name genoemd maar niet in Sjemot, omdat er in Sjemot geen namen worden vermeld.

Numeri 1:50: “Maar jij, stelt de Levieten aan over de Woning van het Getuigenis en over al haar voorwerpen en over al het hare; zij zullen dragen de Woning en al haar voorwerpen en zij zullen haar bedienen en rondom de Woning zullen zij zich legeren”.

Rasji becommentarieert dat het hier niet ‘stellen’ betekent maar ‘aanstellen’, zoals Onkelos dat vertaalt. Rasji legt uit dat het een uitdrukking is voor aanstellen tot heerschappij over een zaak, over de zaak waarover men aangesteld is, zoals de koning oversten aanstelt (Ester 2:3). Dit woord ‘aanstellen’ was al een aantal keren gebruikt, zoals in deze sidra zelf (Bemidbar). Waarom moet Rasji de hulp van Onkelos, de Targoem, inroepen? Neem bijvoorbeeld de vorige vers (1:49): ”Maar de stam Levi zul je niet optellen en hun getal zul je niet opnemen temidden van de Bnee Jisra’eel.”
De stam PaKaD heeft verschillende betekenissen. Het kan tellen betekenen in zijn eenvoudige vorm. Zo werd het ook in de afgelopen pesoekiem (zinnen) regelmatig gebruikt. Maar het kan in de transitieve hifiel-vorm ook iets anders betekenen. Deze transitieve betekenis komt voor het eerst voor in deze sidra. Vandaar dat Rasji naar een nieuwe betekenis moet uitkijken. De nieuwe betekenis ligt ook voor de hand, gezien de context. Er staat namelijk dat de Levieten moeten worden PaKaD over de Tent van Samenkomst. Je kunt niet mensen tellen over de Woning van Samenkomst maar wel aanstellen over de Woning van Samenkomst.

Tel de zonen van Levi. Alle mannen van een maand oud en daarboven zult u van hen tellen’. En Mosje telde hen op bevel van Hasjeem” (3:15).

Rasji legt hier uit: “Van een maand oud en daarboven, zodra hij geen miskraam meer is (want een miskraam leeft geen volle maand) wordt hij meegeteld, zodat hij genoemd wordt: een bewaker van de heilige wacht. Rav Jehoeda, de zoon van Rabbi Sjalom zegt: Bij deze stam is het gewoon om meegeteld te worden, zodra ze de moederschoot verlaten. Want er staat: die zij, Levi’s vrouw, gebaard heeft in Egypte (Num. 26:59, Rasji). Bij haar aankomst in Egypte baarde zij Jocheved. Zij wordt niettemin meegeteld met de 70 personen die met Ja’akov uit Kena’an zijn vertrokken, want wanneer u hun aantal optelt, vindt u er niet meer dan 70 min één, en de pasgeboren Jocheved, maakt het getal vol”.

Bij de stam Levi is het gebruikelijk dat iedereen vanaf één maand wordt meegeteld, zodra men geen miskraam blijkt te zijn. Eigenlijk werd er dus geteld vanaf de geboorte. De feitelijke telling vond pas plaats na een maand vanwege een technische reden: het kind moest levensvatbaar zijn. Als het kind binnen een maand sterft, heet het eigenlijk doodgeboren. Wanneer een kind na een maand sterft heet het niet meer doodgeboren.
Wanneer men het aantal mensen telt dat Egypte betrad, ziet men dat er slechts 69 personen naar Egypte kwamen. De enige, die nog ontbrak was Jocheved, de dochter van Levi. Toen Levi’s vrouw Egypte binnenging, baarde zij het 70e lid van het Joodse volk, dat Egypte betrad: Jocheved. Een kind telt in de stam Levi direct mee. Daarom waren er 70 mensen waren bij de intocht in Egypte.

Vergelijk dit Rasji-commentaar eens met Rasji’s uitleg op Numeri 3:40: ”Tel alle mannelijke eerstgeborenen onder de kinderen Israëls van een maand oud en daarboven en neem op het aantal van hun namen. Hierop telde Mosje, zoals Hasjeem hem bevolen had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls”. Rasji verklaart dat, bij het tellen van de eerstgeborenen, het gaat om de kinderen die ouder zijn dan een maand.

Het verschil in bewoording duidt op verschil in betekenis. In het eerste commentaar gebruikt Rasji de woorden: “Dat de kinderen worden meegeteld wanneer ze de categorie van doodgeboren verlaten” terwijl deze tweede verklaring (op 3:40) zegt: ”Wanneer hij de categorie van twijfel doodgeboren verlaat”.

De tellingen van de stam Levi en de eerstgeborenen van de Israëlieten werden op verschillende manieren gedaan. Beide kinderen werden geteld vanaf een maand maar de telling van de eerstgeborenen werd direct door G’d geleid (zie Rasji, 3:16). G’d koos hier het kind. Dus kan Rasji zeker stellen dat het geen doodgeboren kind meer is.
Toen Mosje de stam Levi telde, deed hij dat op eigen initiatief, zonder de directe leiding van Boven. Daarom kon Mosje niet precies weten of het kind inderdaad dertig dagen oud was. Er zou een menselijke fout gemaakt kunnen worden: in een dag, een uur of zelfs een minuut. Vandaar dat het kind alleen twijfelachtig doodgeboren beschouwd kan worden (gebaseerd op What’s bothering Rashi? van A. Bonchek).

Shabbat Shalom

Reacties zijn gesloten.