Kohaniem mogen geen contact met doden hebben, niet met een gescheiden vrouw huwen en niet onrein of met bepaalde gebreken dienst in de Tempel doen. Alleen kohaniem mogen van geheiligd voedsel eten. Een dier dat geofferd wordt mag geen gebrek vertonen. Een rund of schaap mag niet op dezelfde dag als het jong geslacht worden. Nogmaals volgt de eis tot werkonthouding op Sjabbat. Daarna worden de verschillende feestdagen met een aantal bepalingen vermeld. Aharon moet de kandelaar voortdurend brandend houden. In het Heiligdom stond een tafel met 12 toonbroden. Een man die de G’dsnaam vloekt, wordt buiten de legerplaats gestenigd. Allochtonen en autochtonen moeten gelijk behandeld worden.
De speciale opdracht van de kohaniem
Omgang met de dood heeft voor de koheen in de gedachtewereld van de Tora een speciale betekenis. De Tora regelt in Wajikra (Leviticus) hoofdstuk 21 de omgang met de doden als volgt:
‘En G’d sprak tot Mosje: Spreek tot de priesters, de zonen van Aharon, en zeg tot hen, dat geen van hen zich aan een dode zal verontreinigen onder zijn volksgenoten, behalve aan zijn naaste bloedverwant’.
Centraal in deze afdeling staat het begrip toema – onreinheid. De begrippen tahara – reinheid – en toema – onreinheid – zijn van groot belang voor het begrip van de Joodse wet in het algemeen en de Joodse ethiek, moraal en metafysica in het bijzonder. Het Hebreeuwse woord toema wordt doorgaans vrij onzuiver vertaald met `onreinheid’. Deze vertaling is misleidend omdat het woord onreinheid vaag en onduidelijk is en een fysieke bijbetekenis heeft.
Toema en morele vrijheid
In de Tora wordt het woord toema nooit in materiële maar steeds in morele of metafysische zin gebruikt. Toema duidt nergens in Tenach op onhygiënische of fysiek ongezonde toestanden. Het effect van de wetten rond toema kan gunstig zijn voor de volksgezondheid of persoonlijke hygiëne evenals fysieke gezondheid een gevolg kan zijn van het in acht nemen van de Joodse spijswetten. Dit betekent echter niet, dat het motief van de Tora-wetgeving over toema hygiënisch of medisch is. Het Jodendom gaat ervan uit, dat er zowel fysieke als psychische hygiëne bestaat. Vrijwel alle Tora en Rabbijnse bepalingen richten zich op de geestelijke hygiëne.
Onreinheid in de context van de dood
Voor een beter begrip van deze psychische hygiëne is het gedienstig na te gaan wat het begrip onreinheid betekent in de context van de dood. Een dood lichaam vertegenwoordigt binnen het halachische Jodendom de hoogste graad van onreinheid. Morele vrijheid, de vrije keuze op het gebied van moraal en ethiek, vormt het kernbegrip van het halachische en ethische Jodendom, de Joodse filosofie. De mens bestaat uit lichaam en ziel. Wat het lichamelijk deel van de mens betreft lijkt hij onderworpen aan de wetten van causaliteit, oorzaak en gevolg, die de natuurlijke wereld doorgaans beheersen en reguleren.
De combinatie van lichaam en ziel, de mens, is naar Joodse opvatting in moreel opzicht volledig vrij. Dit is een religieus axioma en filosofisch begrip, dat het menselijk verstand te boven gaat. Toch staat en valt het Jodendom met het concept van de vrije wil. Ware dit niet zo dan zou voor de morele verantwoordelijkheid van de mens en de begrippen straf en beloning iedere grond ontbreken.
Vrijheid
Iedere gebeurtenis, die deze overtuiging aan het wankelen brengt, vormt een groot gevaar voor onze morele en religieuze vrijheid, stabiliteit en harmonie. In de sfeer van de religieuze pedagogiek moeten alle invloeden, die tenderen naar het afzwakken, verlichten of ontkennen van deze keuzevrijheid, vermeden worden. Het Jodendom is één groot protest tegen het determinisme in psychische zin; het ontkent, dat de mens gebonden zou zijn aan de ijzeren ketenen van oorzaak en gevolg als de aarde waaruit het lichaam genomen is. Wat kan de mens meer aan het twijfelen brengen dan het contact met een dood lichaam, het symbool van de menselijke onderworpenheid aan de natuurwetten van ontbinding en bederf?
Lichaam: na de dood slechts een fysiek object
Het Jodendom benadrukt de ethisch religieuze vrijheid van ieder mens. Dit vrije deel van de mens – het G’ddelijke moment in het aardse wezen – heeft na het overlijden het aan de natuurwetten onderworpen bestanddeel, het lichamelijke aspect van de mens, verlaten. Gedurende het leven deelde zelfs het lichaam in de morele vrijheid van de mens. Door het overlijden ondergaat juist het lichaam een enorme verandering. De ziel blijft dezelfde G’ddelijke vonk, die het ook voor de verbinding met het lichaam was.
Aan het eind van het aardse bestaan wordt het contact van het zielelicht met het lichaam weer verbroken. Dan bestaat de persoon weer uit de oorspronkelijke twee delen. Het lichaam ondergaat de grootste verandering; van fysiek aanhangsel aan het eeuwige, bovenaardse en oneindige G’ddelijke licht, dat in de ziel huist, verwordt het tot een nutteloos object, dat na de dood volledig is onderworpen aan de natuurelementen. Ontbinding en rotting zijn haar deel. De ‘val’ vanuit haar verheven toestand naar een verachtelijke aardse situatie brengt zelfs de meest standvastige en stabiele persoon aan het wankelen en doet hen twijfelen aan de eeuwige waarden van de psycho religieuze vrijheid.
Twijfel
Dit idee ligt ten grondslag aan de doctrine, dat een overledene tamé – onrein – is. De beste vertaling van het begrip toema is wellicht ‘een toestand, die de waarheid en waarde van de ethische en morele vrijheid van de mens overschaduwt’. In confrontatie met de dood gaat de mens twijfelen en het duurt enige tijd voordat hij zijn twijfels te boven komt. Degene, die een lijk had aangeraakt mocht daarom het Beet hamikdasj, het Heiligdom – het levende symbool van de G’ddelijke aanwezigheid onder Israël – niet betreden. Degene, die in contact was geweest met een dood lichaam moest een tijd wachten, zich bezinnen en een mikwe (ritueel bad) nemen voordat hij het Heiligdom weer mocht betreden. Want slechts bezinning en meditatie, mogelijk gemaakt door in ruimte en tijd afstand te nemen van het dode lichaam, konden degene, die begon te twijfelen aan de waarheid van de vrije menselijke keus, weer op het rechte spoor zetten. Dit is de diepere achtergrond van toema – een concept, dat een bijzondere plaats inneemt binnen het morele en metafysische denken binnen het Jodendom.
Expressie van gemeenschapsgevoelens
Wanneer een gemeenschap belangrijke gevoelens en ideeën tot uitdrukking wil brengen, staat gewoonlijk iemand uit haar midden op om de gedachten van allen te verwoorden. Dit kan alleen gedaan worden door iemand, die de gemeente vertegenwoordigt. Doorgaans zal dit iemand zijn, die de idealen van de groep, voor wie hij spreekt, in zichzelf heeft verwezenlijkt en hoog in het morele vaandel draagt. Hij wordt de woordvoerder van velen, die zich in dienst stellen van een bepaald ideaal. Een dergelijk figuur wordt de afgevaardigde, die de idealen van alle burgers moet vertolken. Onder Israël werden hiertoe de kohaniem uitgekozen. G’d stelde Aharon en zijn zonen aan als vertegenwoordigers van het Joodse volk voor G’d. Binnen het Joodse volk geldt de religie niet als iets toegevoegds, iets extra’s boven het gewone dagelijkse leven. De religie is niet slechts deel van het leven: het is het leven zelf. Alleen de Tora is de basis en betekenis van het Joodse volk. De Tora is het geestelijke vaderland van Israël.
In dienst van de Tora
De gemeente van Israël ontving de Tora – de levensleer – voor alle latere geslachten. Iedere generatie heeft de dure plicht de eeuwige waarden van de G’ddelijke Leer door te geven aan het volgende geslacht. Ieder individu in Israël ontvangt de Tora als levensgids uit de handen van de vorige generatie. Evenals ieder individu zijn burgerlijke en nationale plichten vanuit de gemeenschap, waarin hij geboren is, ontvangt, zo ook ontvangt ieder kind van de ‘Joodse natie’ de Tora uit de handen van de Joodse gemeenschap. Bij andere volkeren staat de wet in dienst van het welzijn van het volk; Israël is geschapen in dienst van de Tora. Het Joodse volk heeft geen ander doel dan het dragen en vervullen van de Tora in het persoonlijk leven van een ieder.
Tora vertegenwoordiging
Tegelijkertijd vertegenwoordigt iedere Jood het Tora leven in de omringende wereld. De gemeente van Israël als geheel staat garant voor het behoud van de Tora en haar leringen. Iedere afdwaling van de wegen van de Tora wordt zo beschouwd als een vorm van verraad aan het gehele Joodse volk. Iedere terugkeer tot de Tora betekent opnieuw de Joodse gemeenschap betreden. Want Israël, als volk, is niets meer of minder dan de drager en dienaar van de Tora. Indien de wijding van ons leven aan G’d gerealiseerd wordt in aanhankelijkheid aan de wet, betekent dit voor ieder individu wijding van zichzelf en zijn persoonlijk leven aan de gemeenschap en haar idealen.
Gezin en natie
De band tussen individu en gemeenschap wordt gesmeed in het gezin of de familie. Het gezin of de familie schept de best mogelijke voorwaarden, waarbinnen de nieuwe generatie de culturele waarden leert kennen. Het gezin heeft de taak het individu, dat in haar midden werd geboren, het nationale karakter bij te brengen. Binnen het Jodendom betekent dit, dat de leden van de volgende generatie worden opgevoed om deel uit te maken van de Joodse natie en bij te dragen tot de door G’d opgedragen taak.
Priester van de familie
Wanneer een volk bestaat uit gezinnen en families, die hun leven op deze wijze wijden aan de G’ddelijke idealen, dan kan dit volk vergeleken worden met een ‘gezegende boom’. De wortel van de boom is G’d en haar bekroning is de G’ddelijke wet. De nieuwe takken en spruiten herhalen het patroon van het geheel. Zij scheiden zich niet af van het geheel maar leiden alle individuele krachten terug naar de oorspronkelijke eenheid. Het gezin staat garant voor de bestemming en levenstaak van haar individuele leden. De nationale geest en het gemeenschappelijke streven worden in het gezin geïncorporeerd en doorgegeven. De vertegenwoordiger van de familie, de eerstgeborene, representeert de individuele leden van de gehele familie in hun belangrijkste streven. Oorspronkelijk was de priester van de familie de eerstgeborene. Hij was het symbool van de wijding aan het G’ddelijke van ieder individueel familielid.
De uitverkiezing van de kohaniem
Na verloop van tijd toonden veel families uit het Joodse volk zich onwaardig voor deze roeping. Toen zij zondigden bij het gouden kalf bleek dat zij niet rijp waren voor een dergelijke religieuze ontplooiing. De heiligheid van het Joodse volk als geheel kwam in gevaar door de verdorvenheid en onmacht binnen vele gezinnen. Het heilige ideaal moest beschermd worden en het intermediair tussen individu en gemeenschap werd elders gezocht. De priesterlijke stam Levi zou deze hoge taak toebedeeld krijgen. Zij zouden in het vervolg de gemeenschappelijke idealen vertegenwoordigen ten behoeve van het individu. De koheen werd nu de vertegenwoordiger van klal Jisraëel – het volk Israël – bij het naleven van de riten, die de nationale wijding aan G’d tot uitdrukking zouden brengen in de Tempel – het Beet haMikdasj – te Jeruzalem.
Nationale Eenheidsstreven
Hoewel het altaar in Zion verwoest werd en de koheen niet langer de offers kon brengen ter heiliging van ons gemeenschapsleven en niet meer in staat was de wijding en offerbereidheid van ieder individueel lid van het Joodse volk ten behoeve van de gemeenschap in dienst van G’d te aanvaarden, gelden vele wetten omtrent kehoena – het priesterschap – ook nog tegenwoordig. Ook nu nog moet iedere koheen contact met doden uit de weg gaan en is nog steeds een aantal huwelijksbeletselen van kracht. Hoewel het Beet hamikdasj vernietigd is en het Huis van Israël verspreid is onder de volkeren is een aantal belangrijke kenmerken van de vertegenwoordigers van het nationale Eenheidsstreven – zij het passief – in stand gebleven.
Shabbat Shalom
