Parsja Chol Hamo’eed Pesach

Verder in de sipoer – de vertelling van de Exodus
Avadiem hajinoe – slaven waren wij voor Farao
Gedurende de Egyptische ballingschap waren wij slaven voor Farao. Een slaaf heeft geen eigen, echt zelfstandig doel in het leven. Zijn enige doel is het uitvoeren van de wil van de heer. Zijn meester bepaalt zijn levensdoel. Wij gingen vanuit Farao’s heerschappij over in G-d’s heerschappij.

Vertellen – ook voor de uittrekkende generatie
Ook al zijn wij grote geleerden, toch blijft het een mitsva (gebod) om te vertellen over de uittocht uit Egypte. Vertellen in dit opzicht betekent helder maken (de stam van lesapeer is `duidelijk maken’).
Ook de Joden die uittrokken uit Egypte moest duidelijk gemaakt worden waarvoor dit allemaal diende en wat zij allemaal aan G-d te danken hadden. Dit was ook toen niet voor iedereen even duidelijk. Vergelijk dat eens met alle wonderen, die wij tegenwoordig meemaken! Als je er middenin zit, zie je de wonderen niet meer zo makkelijk!

Wanneer eindigt de sipoer – vertel mitsva over de Exodus?
Een volgende vraag: Is de tijd om te vertellen over de uittocht uit Egypte alleen maar tot het einde van de nacht, tot de dageraad, of tot het moment dat de volgende mitsva aanbreekt? Uit het verhaal van de vijf Rabbijnen uit Bnee Brak zou blijken dat het tot de volgende mitsva is, de mitsva van het lezen van Sjema in de ochtend.
Er zijn echter ook andere tradities, die stellen dat men direct na de ochtendgloren naar het Beet Hamidrasj, het leerhuis, ging. Dan zou de mitsva slechts tot de dageraad hebben geduurd en daarna gestopt zijn. De volgende mitsva was het leren van Tora. De tijd van het zeggen van Sjema was nog niet aangebroken. Daar zit namelijk enige tijdsruimte tussen. De filosofische vraag is wat het nut is van het precies definiëren van de mitsvot?

Rabbi Elazar ben Azarja zei: “Ik ben als een man van zeventig jaar”
Rabbi Elazar ben Azarja moest aangesteld worden als hoofd van de jesjieva. Zijn vrouw zei hem dat hij nog geen grijs haar had. Dat is niet goed voor een groot geleerde. Maimonides legt uit dat Rabbi Elazar ben Azarja grijs werd omdat hij zoveel geleerd had. Hij was dag en nacht bezig met leren totdat hij er zwak, grijs en oud uitzag. Hij was slechts achttien jaar maar leek op zeventig.

Maimonides wil dit grijs worden zo natuurlijk mogelijk verklaren omdat Rabbi Elazar ben Azarja zich afvraagt waarom hij de andere geleerden nooit heeft kunnen overtuigen dat de uittocht uit Egypte ook ’s nacht verteld moet worden.

Rabbi Elazar ben Azarja stelt, dat hem een groot wonder was gebeurd dat hij er uitzag als een oude grote geleerde. Desondanks lukte het hem niet om zijn collega’s te overtuigen. Vanuit de Hemel was duidelijk gemaakt, dat het voorzitterschap van het Sanhedrien voor Rabbi Elazar ben Azarja accoord was. Toch was men het pas met zijn stelling – dat er ook ’s nachts moet worden gesproken over de uittocht – eens toen Ben Zoma duidelijk maakte op grond van een pasoek uit de Tora – kol jemee chajecha – dat men inderdaad ook ’s nachts moet seideren.

Overtuigingskracht
Rabbi Elazar ben Azarja kende de uitleg van Ben Zoma ook. Waarom nam men die niet van Rabbi Elazar ben Azarja aan? Aan het einde van de Gemara Sota (39b) staat dat na het overlijden van Ben Zoma er geen darsjaniem (redenaars, goede uitleggers) meer waren.
Ben Zoma was de laatste van de grote experts in de uitleg van de Tora. Kennelijk was de overtuigingskracht en de inhoudelijke bewijsvoering van Ben Zoma sterker dan die van Rabbi Elazar ben Azarja, die feitelijk nog relatief jong was.
Dat is wat de Gemara in Sota bedoelt met de darsjen-kracht van Ben Zoma. Hij had zoveel doorleefde overredingskracht dat iedereen naar hem luisterde, ook al was men het niet met hem eens – zoals de Chagamiem die zeggen dat “kol jemee chajecha” slaat op de tijd van de Masji’ach.

Zal de Exodus verbleken bij de Masji’ach?
De Chagamiem zijn het niet eens met Ben Zoma. In de Gemara Berachot (12b) staat dat Ben Zoma tegen de Chagamiem zei: “Vermeldt men dan de uittocht uit Egypte in de tijd van Masji’ach? Er staat immers geschreven: ‘Er komen dagen, zegt G-d, dat men niet meer zal zeggen “G-d leeft, die de Bnee Jisra’eel uit Egypte heeft gehaald”, maar “G-d leeft omdat Hij het hele Joodse volk uit de landen, waar Hij ze naartoe gedreven had, verzameld heeft”.

Rasjba (13e eeuw) legt duidelijk uit dat de bedoeling niet is dat er geen mitsvot meer zullen bestaan in de tijd van de Masji’ach. De hele bedoeling van de verplichting om te vertellen over de uittocht uit Egtpte is om het geloof in de voorzienigheid van G-d’s wereldleiding te versterken.
In de tijd van de Masji’ach zullen er enorme wonderen plaatsvinden bij de bevrijding van het Joodse volk uit de heerschappij van de volkeren. De bevrijding uit Egypte zal relatief een klein wonder zijn, in vergelijking met de wonderen in de tijd van de Masji’ach.
De Chagamiem, die het niet eens zijn met Rabbi Elazar ben Azarja, zeggen dat de uittocht uit Egypte niet van zijn plaats zal wijken. Ondanks alle grote openbaringen in de Messiaanse periode zal men toch de uittocht uit Egypte vermelden als het begin van alle latere bevrijdingen.

Maimonides vertelt in zijn Hilchot Melachiem (Koningsvoorschriften 12:2) dat er geen verschil is tussen deze wereld en de tijd van de Masji’ach, behalve dat de Joden nu nog onderworpen zijn aan vreemde heerschappij. Als dit zo is, is het duidelijk waarom volgens de Chagamiem ook in de Messiaanse tijd nog gesproken zal worden over de uittocht uit Egypte.
De tijd van de Masji’ach zal een tijd van vrede, onderling begrip en opheffing van G-dsverduistering zijn. Maar dat wil niet zeggen dat men de uittocht uit Egypte geen belangrijke plaats meer toekent. Ben Zoma is daarentegen van mening dat de Masji’ach zulke grote wonderen zal verrichten, dat de uittocht uit Egypte daarbij in het niets verdwijnt.

Tegenover vier kinderen spreekt de Tora
Waarom spreekt de Tora ook over de Rasja, die zijn tijd verdoet, zijn capaciteiten verspilt en het G-ddelijk beeld in zijn ziel verkwanselt? De Chagam staat vlak voor de Rasja omdat alleen de Chagam in staat is om het verdorven karakter van de Rasja te doorzien. Alleen de Chagam kan ervan leren hoe hij zijn tijd nuttig kan besteden. Andere mensen, die niet zo slim zijn, moeten vooral ver weg blijven van de Rasja. Anders zouden ze nog wel eens kunnen worden meegesleept in zijn nutteloze, doch aantrekkelijke gedrag.

De vraag van de Chagam
De Chagam weet het antwoord al op al zijn vragen. Desondanks bestaat er een mitsva om ook aan hem te vertellen.
De Mate Mosje (636) brengt in naam van Rabbenoe Klonimos en Rabbenoe Jesjaja dat de vraag van de Chagam “wat zijn de getuigeniswetten” in feite inhoudt waarom men het feestoffer eet vóór het verplichte Pesachoffer. De uittocht uit Egypte hadden we toch verdiend door het Pesachoffer (en de briet mila)? Eigenlijk had men dus het Pesachoffer voor moeten laten gaan!

Het antwoord luidt dat men “na het Pesachoffer geen toetje meer eet”. Men moet het Pesachoffer ter verzadiging eten als teken van vrijheid en dat kan pas na het eten van het feestoffer. Omdat de smaak van het Pesachoffer in de mond moet blijven als symbool van de bevrijding, kan men het feestoffer niet na het Pesachoffer eten.

We leren hieruit:
a. dat Seideravond bedoeld is als herbeleving van de Uittocht. We moeten er over praten en het daardoor opnieuw meemaken – ook al kennen we alle details van de Exodus
b. de kracht van Seideravond meer in de details dan in de globale, grote lijnen ligt. De grote lijnen van de Uittocht herinneren we het hele jaar al, o.a. in Sjema. Vanavond gaat het om de precieze details.

Beperking is meesterlijk
De Chagam stelt eigenlijk een zeer brede vraag en zoekt naar de reden van alle voorschriften van de Tora. Het antwoord is echter dat wij hem alleen antwoorden naar de voorschriften van Pesach. De schrijver van de Hagada wil ons duidelijk maken dat hoewel de vraag zeer breed is, het antwoord op Seideravond zich moet beperken tot Pesach om de mitsva van “je zult het aan je zoon vertellen” te vervullen. In die Beschrankung zeigt sich der Meister.

Heiliging van details – nanotijdperk
Dit is wellicht de basis voor de stelling dat men altijd moet aansluiten bij het tijdsgebeuren. Aandacht voor het specifieke van dit moment toont, dat wij beseffen ieder jaar weer langs dezelfde spiraal van gebeurtenissen een beetje te stijgen op de ladder van de geschiedenis.
Hieruit blijkt overigens verder dat men ook de vertelling van de uittocht uit Egypte kan vervullen door het leren van alle voorschriften voor Pesach. Dit staat ook in de Tosefta van Pesachiem (hoofdstuk 10): “Het gebeurde eens dat Rabban Gamli’eel en de Ouden zaten te seideren in Lod en zich de hele nacht bezighielden met de voorschriften van Pesach, totdat de haan kraaide.

Symboliek van de mitsvot
De G-ddelijke wijsheid heeft zich gekleed in de voorschriften van Pesach. In die voorschriften wordt de uittocht uit Egypte geconcretiseerd. Vandaar dat bezig zijn met de voorschriften, zij het indirect, ook een vertelling is van de uittocht uit Egypte. Dit betekent dat wanneer men wijze kinderen heeft, men op een hoger plan de doorwerking van het bevrijdingsverhaal in concrete voorschriften kan meenemen. Dit betekent voor de vader ook een verdieping van zijn Seiderbeleving.

De rasja (verdorven geest)
De slechterik vraagt:”Wat is deze dienst voor jullie?”
In feite stelt de rasja voor dat we een toneelvoorstelling moeten maken van de slavernij en de uittocht uit Egypte. De bedoeling van alle mitsvot op Seideravond is om de wonderen en gebeurtenissen zo levendig mogelijk te herinneren.
De rasja vindt het eten van matsa en maror te weinig. Als wij stenen maken en voorraadsteden of piramiden bouwen, zal men veel beter begrijpen wat de ellende in Egypte heeft ingehouden. Als de slavernij concreet wordt neergezet in een toneelstuk zullen de toeschouwers en seidervierders veel meer onder de indruk raken en er veel meer van meenemen! De rasja stelt, dat we veel te weinig doen voor een ware, doorvoelde Jodendomsbeleving.

Aanschouwelijk onderwijs versus maag-onderwijs
Toch stelt de Tora dat het voldoende is om matsa te eten ter herinnering aan het slavenbrood en het bevrijdingsbrood, maror te eten ter herinnering aan de bitterheid van het slavenbestaan, leunend te eten en de vier bekers te drinken ter herinnering aan de vrijheid. Het zijn allemaal culinaire symbolen!

Aanschouwelijk onderwijs maakt veel indruk maar ‘de liefde van de mens gaat door de maag’. De herinneringen aan de gebeurtenissen in Egypte op een culinaire manier tot ons nemen maakt kennelijk veel meer indruk.
Bovendien gaat het om een band maken met het Opperwezen. Dat kunnen wij alleen maar door een handreiking van Boven. Als we het allemaal zelf moeten verzinnen, blijft het allemaal in de menselijke sfeer. De emoties die door theatrale opvoeringen worden opgewekt zijn vrij oppervlakkig en blijven niet lang hangen. Uiteindelijk is de culinaire weg van het eten van matsa, maror en het Pesachoffer de weg die door G-d is voorgeschreven en deze beklijft het best.

Vier niveau’s
Men kan dit vergelijken met eten: men kan eten voor de lichamelijke gezondheid, men kan eten voor de gezelligheid, men kan eten om aardse werkzaamheden te kunnen verrichten, maar men kan ook eten om daarmee G-d beter te kunnen dienen. Alleen als men op al deze vier niveaus opereert, heeft men de link naar boven gemaakt. Zo ontstaat een volledig mens. Een perfect mens opereert op alle niveaus optimaal, van het laagste dierlijke tot het hoogste
G-ddelijke. Dit is ook de bedoeling van het eten van de symbolen uit Egypte. Dit was de opdracht van G-d. Daardoor en daarmee legt men de link naar Boven.

“En ook jij moet zijn tanden stomp maken.”
Bij de rasja draagt de Tora op ‘om hem te vertellen dat dit een Pesachoffer is voor Hasjeem’ (Sjemot 12:26). In de Hagadatekst staat echter dat wij zijn tanden moeten stomp maken.

Het antwoord is dat men in eerste instantie zeker moet proberen de rasja op alle mogelijke sympathieke manieren naderbij te brengen tot het Jodendom. Dat is de inhoud van de pasoek uit de Tora.
Maar wanneer hij volhardt in zijn slechtheid, moet men hem hard aanpakken. Harde liefde. Misschien mogen we ook een ander verschil maken tussen de rasja in de Tora en de rasja in de Hagada. Bij de rasja in de Tora staat er dat hij naar Israël is gekomen en daar woont. Hij heeft het te goed gehad en hij gaf het Jodendom een schop. Dit soort rasja moet men onderwijzen. Het komt wel goed. Hij zit in een goede omgeving.

Maar de rasja uit de Hagada leeft na de verwoesting van de Tempel en is nog steeds slaaf van vreemde mogendheden in een ongezonde, anti-Joodse sfeer. Hij leeft in galoet en het is voor hem moeilijk om zijn Jodendom te vergeten omdat hij daar door de niet-Joden constant aan herinnerd wordt. Als hij zich desondanks wil losmaken van het Jodendom en vraagt:”Wat is deze dienst voor jullie?”, dan heeft het geen zin meer om hem te antwoorden. Want hij wacht niet op een antwoord. Hij wil alleen zijn woede en frustratie kwijt.

(uit de Hagada sjel Pesach van Rav J. S. Eljasjiev)

Reacties zijn gesloten.