Misjkan en Tempel zijn niet meer. Een sfeerschets hoe het was
De Tempel is de opvolger van de Tabernakel in de woestijn, die deze weken beschreven wordt in de Tora. Meer dan 1900 jaar geleden werd de Tempel verwoest. We rouwen nog steeds om het gebrek aan een centraal Heiligdom. De sfeer bij de diensten in deze heilige plaatsen is een kwestie van overlevering. Van generatie op generatie is deze traditie betrouwbaar gebleken. De bewijzen uit andere bronnen zijn niet werkelijk belangrijk. Toch is het interessant om de beschrijving van Rabbi Ja’akov Emden in zijn sidoer Amoedé Sjamajiem te volgen. Het ging over de komst van de Hogepriester in het Heiligdom op Jom Kippoer en de wijze waarop hij het Heiligdom verliet.
►Romeinse consul
Het is een sfeerschets door de Romeinse consul Marcus Annius, Praetor te Jerusalem, die als ooggetuige alles schriftelijk vastlegde: De tweede dienst, die ik van de Israëlieten bijwoonde, was de komst van de Hogepriester in het Heiligdom. Want, hoewel ik met de eigenlijke godsdienstoefening op de Verzoendag niet bekend was, zo was ik toch ooggetuige van de plechtige intocht van de Hogepriester en van zijn uittocht uit de Tempel, een plechtigheid die mij zo deed verbazen, dat ik de Almachtige prees, dat Hij deze mensen van Zijn heerlijkheid heeft meegegeven. Zeven dagen vóór de bij hen zo belangrijke dag, welke zij de Grote Verzoendag noemen, werden er in het huis van de Hogepriester zetels geplaatst, voor het opperhoofd van de Priesterorde, voor de Vorst, de opperaanvoerder van de Priesters en de Koning, behalve zeventig andere, zilveren stoelen, voor de Senatoren.
►Alle blikken zijn op u gericht
Zodra deze allen bijeen waren, stond de oudste van de Priesters op. Hij sprak de Hogepriester vermanend maar toch uiterst minzaam aan: “Merk op, voor wie gij verschijnen zult, en bedenk dat gij, zodra gij de aandacht verliest, onmiddellijk dood ter aarde kunt neervallen, terwijl bovendien de hoop van heel Israël op verzoening de grond ingeslagen wordt. Alle blikken zijn dus op u gericht. Ga uw levenswandel nauwkeurig na. Hoe makkelijk immers kunt gij niet een ogenschijnlijk kleine zonde begaan hebben, die – want de beoordeling van schuld of verdienste staat alleen aan de Alwetende – tegen vele goede handelingen en verdiensten kan opwegen! Onderzoek en reinig dus ook uw priesterlijke broeders. Stel u levendig voor ogen, hoe u hier voor de Koning aller koningen verschijnt, die op Zijn rechterstoel zit en alle booswichten verafschuwt. Zou u daar wel de vijand (boze neiging) willen meebrengen?” Zó sprak hij. De Hogepriester gaf hem daarop de plechtige verzekering, dat hij niet alleen boete over zijn eigen vermoedelijke zonden had gedaan, maar ook dat hij zijn ambtsbroeders in het heilige voorhof, in de naam van de Bewoner van de tempel (G’d), bezworen had, boete te doen.
►Grote eerbewijzen van de koning
Ook de koning sprak hem toen minzaam aan, beloofde hem – om zijn geest te verheffen – grote eerbewijzen zodra hij, na het einde van de dienst, het heiligdom zou verlaten; en daarop werd afgekondigd en uitgeroepen, dat de Hogepriester gereed was om zich naar zijn kamer in het heiligdom te begeven. Nu stroomde al het volk toe om hem te vergezellen. Ik was ooggetuige van de volgende optocht.
►De stoet
Vooraf gingen allen, die afstammelingen van de Israëlitische koningen waren. De voornaamste liep het dichtst bij de Hogepriester. Daarna volgden de afstammelingen van het huis van David in nette volgorde, terwijl een heraut, die hun voor af ging, met luide stem riep: “Bewijs eer aan de heer David!”. Hierbij sloten zich de Levieten aan, dertig duizend in getal. Hun aanvoerders waren voor deze gelegenheid in een fijn blauw, de Priesters echter, vierentwintig duizend in getal, in een fijn wit gewaad gekleed. Achter deze volgden de zangers, dan de toonkunstenaars, de trompetters, de portiers, de bereiders van het reukwerk, de vervaardigers van het voorhangsel, vervolgens de erewachten en de Archivisten, een eretroep Cartophelos, alsmede alle overige beambten van het heiligdom. Op deze volgden de zeventig Senatoren en de Hogepriester, voorafgegaan door honderd Priesters met zilveren bijlen – om plaats te maken – terwijl alle oudste Priesters paarsgewijs de stoet sloten.
►Zo ging de stoet plechtig naar het Beet Hamikdasj, de Tempel. Bij alle hoeken van de straten werd de stoet gestopt door de Rosjee jesjivot. de voorzitters van de Hogescholen, die de Hogepriester als volgt aanspraken: “Heer Hogepriester! Wees ons welkom! Bid G’d voor ons leven in ons beroep, om ons in Zijn leer te laten groeien.”
►Oorverdovend Ameen
Bij de eerste poort van de Tempelberg aangekomen, deed men een gebed voor het behoud van de regering van David, voor de kohaniem, en voor de Heilige tempel. Een oorverdovend Ameen liet zich horen uit de mond van de verbazend grote volksmenigte, zodat de vogels uit de lucht neervielen. Nu boog zich de Hogepriester voor het verzamelde volk, sprak het huiverend en huilend toe voor zijn afscheid, en begaf zich, door twee aanvoerders van de Priesters vergezeld, naar zijn kamer, waar hij zeven dagen doorbracht.
►Uittocht
Dit is de intocht; nog mooier echter was de uittocht. Bij die gelegenheid ging de gehele bevolking van Jerusalem, in witte gewaden gekleed, allen met brandende kaarsen in de hand, hem voor. Alle huizen waren verlicht, met borduurwerken behangen en versierd, en – zoals mij door de priesters werd verteld – zelden kon de Hogepriester door de grote volksmassa voor middernacht zijn huis bereiken, want niemand wilde naar huis terugkeren, zonder de Hogepriester de hand gekust te hebben.
►De volgende dag gaf de Hogepriester zijn vrienden en familieleden een prachtig feestmaal. Hij vierde de dag als een ‘heilige feestdag’ omdat het hem was gegeven geweest het heiligdom behouden te hebben mogen verlaten. Tenslotte liet hij een gouden tafel vervaardigen, met het opschrift: “Ik Hogepriester …. zoon van de Hogepriester ….. heb opperpriesterlijk in de verheven en heilige Tempel, ter ere van G’d, de dienst op de Verzoendag verricht, in het jaar …na de schepping. Hij, die mij deze dienst waardig achtte, moge het ook mijn zoon vergunnen voor de Heer te dienen!” (uit het machzor van Polak en Ameringen – 5625/1865).
►Jeroesjalajiem en de Tempel
De Tempel is niet meer in ons midden. Toch staat de Tempel te Jeroesjalajiem centraal in ons denken. Dag in dag uit. Wanneer wij aan het einde van de dienst op Jom Kippoer en na afloop van de Seider op Pesach “Lesjana haBa bieroesjalajiem” – volgend jaar in Jeroesjalajiem – zingen, komt hierin onze positieve toekomstverwachting tot uiting. Onze hoop op het Messiaanse tijdperk en de herbouw van de Tempel zijn nauw met elkaar verbonden. De eindtijd ligt niet meer veraf. In de Talmoed is de belofte vastgelegd, dat de Masjie’ach zich voor het jaar 6000 zal openbaren (we leven nu in 5769). Als de schijn niet bedriegt, lijkt dit bevrijdingsproces reeds op gang gekomen te zijn. De bekende Talmoed commentator Maharasja (Rabbi Samuel Edels, 16e eeuw) beschrijft een oude traditie, waarin een bepaalde politieke vrijheid in het land Israël wordt aangekondigd voor de komst van de Masjie’ach. De Tora-exegeten Ramban en Redak vermelden verder, dat inzameling van de ballingen (kibboets galoejot) onder de auspiciën van de volkeren zal geschieden, terwijl de Talmoed hieraan toevoegt, dat de bodem van het land Israël weer gecultiveerd zal worden voor de komst van de Masjie’ach. De voorwaarde, dat het grootste deel van het Joodse volk in Israël moet wonen, is echter tot op heden niet vervuld. Maar de kibboets galoejot en de wederopbouw gaan hand in hand, hetgeen wij vandaag de dag met onze eigen ogen aanschouwen. Onze toekomst ligt in ons verleden. Hoe kwam men vroeger tot spirituele perfectie?
►Religieuze vakantie
Drie maal per jaar op Pesach, Sjawoe’ot en Soekot moest iedereen “voor het Aangezicht van G’d verschijnen” (Devariem 16:16). De mitswa – het gebod – van ‘alijat regel’ (pelgrimstocht) krijgt een interessante dimensie indien we het omschrijven als een soort religieuze vakantie. In het eerste, tweede, vierde en vijfde jaar van een sjemita-cyclus – een zevenjarige cyclus, die culmineerde in het Sabbatical year, waarin alle velden braak moesten liggen en alle armen van de veldopbrengst mochten leven – werd een kleine negen procent van de bruto landbouwproductie gespaard als tweede tiende om hiermee eten te kopen in Jeroesjalajiem gedurende de pelgrimstochten. Dit leidt tot een moderne regelgeving; ook tegenwoordig geven wij nog acht à negen procent van onze jaarinkomsten uit aan vakantie!
►G’ddelijke inspiratie
In tegenstelling tot de moderne mens ging men in de oudheid niet zonnebaden op een lawaaiig strand maar men begaf zich op weg om zich te laven aan de G’ddelijke inspiratie, die men in Jeroesjalajiem en in het bijzonder in de Tempel deelachtig kon worden. Tijdens de drie jaarlijkse vakanties (dit is toch heel modern!) werd niet alleen de relatie met G’d verdiept maar ook de onderlinge band tussen Joden uit alle hoeken van het land werd weer aangehaald. Zovele gelijkgerichte burgers bijeen gaf het Joodse volk in religieus en moreel opzicht iedere Jom-Tov (feestdag) weer nieuwe kracht en frisse moed. De Tempel in Jeroesjalajiem verenigde het Joodse volk en richtte deze nationale eenheid op G’d.
►Tien wonderen
Volgens een oude traditie was de G’ddelijke Genade in Jeruzalem duidelijk herkenbaar: “Tien wonderen gebeurden er voor onze voorouders in de Tempel:
1. Nooit heeft een vrouw een miskraam gehad door de reuk van het offervlees.
2. Nooit is het offervlees bedorven
3. Nooit werd er een vlieg gezien in het slachthuis
4. Nooit heeft een hogepriester op de Grote Verzoendag een pollutie gehad (waardoor hij onrein zou worden en geen dienst zou kunnen doen)
5. Nooit bluste de regen het vuur van het opgestapelde hout op het altaar.
6. Nooit sloeg de winde de rookkolom neer.
7. Nooit werd er iets verkeerds gevonden aan de omer (bepaalde maat voor de eerste gerst), nog aan de twee broden (van de eerste tarwe), nog aan de twaalf broden (die altijd aanwezig moesten zijn op de tafel in het Heiligdom).
8. Men stond dicht opeen gedrongen, maar er was ruim plaats om te knielen.
9. Nooit heeft een slang of schorpioen in Jeroesjalajiem letsel veroorzaakt.
10. Nooit zei de één tot de ander: “Er is geen plaats meer voor mij in Jeroesjalajiem om te overnachten.” (Pirké Awot 5:8)
►Broeikas van spirituele activiteit
Het geestelijke doel van de Tempel – spirituele groei – geeft ook direct aan waarom het geestelijk centrum niet op het platteland maar juist in een stad gevestigd was. Groei van beschaving vindt in het algemeen plaats in steden. Daar waar mensen geconcentreerd zijn, groeit cultuur en ontwikkelen zich nieuwe ideeën. Het platteland fourneert het voedsel voor het lichaam, de stad geeft het voedsel voor de geest. Rabbiner S.R. Hirsch (1808-1888, Duitsland) komt tot dezelfde conclusie op grond van een taalkundige analyse. Het woord ‘Ier’ – komt van de stam ‘Oer’ – opwekken. Een stad wekt de mensheid op en is een broeikas voor creativiteit. De Joodse beschaving is gericht op het ontwikkelen van een band met G’d. Vanuit religieuze optiek bekeken was Jeroesjalajiem de hoogste realisatie van het begrip stad vanwege de aanwezigheid van de Tempel.
►Boer werd priester
In Devariem 14:23 staat: “In aanwezigheid van G’d zult U de tienden van uw oogst eten opdat u uw G’d uw leven lang zult vrezen.” Zelfs een boer uit het meest verafgelegen plaatsje werd drie maal per jaar zelf een “priester en leviet”. Drie maal per jaar verliet hij zijn dagelijkse arbeid, reinigde hij zich en bereidde hij zich voor op de confrontatie met G’d en hij bleef daar tot zijn tweede tiende op was. Kon hij zelf niet gaan dan stuurde hij zijn kinderen om op te groeien in een sfeer van heiligheid in Jeroesjalajiem. Het systeem van het tweede tiende verzekerde, dat iedereen voor een gedeelte van het jaar burger (en geen vreemde) in Jeroesjalajiem was. Er waren overigens meerdere gelegenheden om Jeroesjalajiem te bezoeken. Zo moesten de tienden van vee in de tempel gebracht worden alsmede de eerstelingen van vruchten (bikoeriem). De plicht om pelgrimstocht te gaan gold ook voor Joden buiten Israël. Voor het offeren in Jeruzalem bestonden vele redenen. Men kon de Tempel bezoeken uit dankbaarheid, na een geboorte, maar meestal ging men om verzoening te zoeken voor zonden. Volgens Nachmanides (Ramban) was het doel van het offeren betrokken te worden bij het slachten van een dier. Het werd gebracht in plaats van de zondige mens. De offeraar moest zijn hand leggen op het hoofd van het offerdier. Daarmee gaf hij symbolisch aan dat hij voelde dat het dier zijn plaats innam op het altaar. De mens ondergaat bij het brengen van een offer een plaatsvervangende dood. Hij was in opstand gekomen tegen G’d en hij wilde zichzelf hier dichterbij G’d brengen. Het offeren was een audiovisuele les terug naar het herstel van de band met het Opperwezen.
►Waarom een dier?
De mens heeft het verstand en de mogelijkheid om zichzelf te perfectioneren. Hij kan zijn driften beheersen, zijn aangeboren neigingen kanaliseren en sublimeren. Door te zondigen verwerpt men symbolisch het door G’d geschonken intellect. Het onderscheid tussen mens en dier bestaat uit de verstandelijke vermogens. Wanneer men zondigt identificeert men zich met het dierlijke. Daarom moest er ook een dier worden geofferd. Op een dieper niveau geschouwd bestaat de mens uit twee elementen, een dierlijk en een G’ddelijk. Deze twee neigingen zijn constant in conflict. Het dierlijke trekt de mens richting het materiële en het aardse en het G’ddelijke richt de ogen op het Hogere. Wanneer men afwijkt van de Tora overheerst het dierlijke. Door een dieroffer wordt het dier zelf verheven en zo ook het dierlijke in de mens, dat zich identificeert met dier op altaar. Zo wordt het dierlijke in mens – de oorzaak van zonde – onder de heerschappij van het G’ddelijke gebracht.
►Respect
Het doden van dieren wordt in de Joodse filosofie (behalve voor consumptie of als offer) eigenlijk als moord beschouwd. Het offeren brengt ons respect bij voor alle vormen van leven. Dieren doden zou bruut en barbaars zijn als dit niet in bijna perfect zuivere, religieuze atmosfeer zou plaatsvinden. Sinds onze morele en geestelijke degeneratie is het offersysteem niet meer effectief; vandaar dat het opgehouden is te bestaan. Indien men een zonde beging werd men gedwongen op pelgrimstocht naar Jeroesjalajiem te gaan. Wanneer men daar aankwam, liet men zien dat de relatie met G’d niet volledig was. Jeroesjalajiem was bedoeld om de banden aan te halen. Alleen in het beloofde land kon men weer geestelijke perfectie opdoen.
►We kennen het offersysteem niet meer. Wij zondigen vandaag de dag zo frequent, dat wij bijna dagelijks offers zouden moeten brengen. Juist anno 2009 snakken wij geestelijke bevrijding en spirituele verheffing.
