Parsja Besjallach

BESJALLACH (bij het zenden). Het volk gaat de woestijn in. Mosjee neemt het gebeente van Jozef mee. Overdag leidt G-d het volk met een wolkzuil, ’s nachts met een vuurzuil. Farao krijgt spijt dat zoveel slaven weg zijn en achtervolgt hen met zijn krijgsmacht. Mosjee heft zijn staf en G-d splijt de zee. De Egyptenaren volgen het volk maar toen ze midden in de zee waren, keerde het water terug. Mosjee zingt een danklied met de mannen en Mirjam met de vrouwen. Na 3 dagen trekken klagen de mensen omdat er alleen bitter water is, dat Mosjee echter in drinkwater weet te veranderen. Na enige tijd klaagt men dat er geen eten is en bejammert men de vleespotten van Egypte. G-d laat dan kwartels ‘invliegen’ in de avond en ‘dropt’ manna elke morgen, behalve op Sjabbat. Op vrijdag kon men een dubbele portie inzamelen. Eén kruik werd gevuld met manna als bewijs voor de komende geslachten. Later is er weer geen water en het volk klaagt. Op aanwijzing van G-d weet Mosjee water aan een rots te onttrekken. Amalek valt Israël aan. Jehosjoea leidt de strijd, terwijl Mosjee met Aharon en Choer de heuveltop beklimmen. Als Mosjee zijn handen opheft, winnen de Bné Jisraeel. Aharon en Choer ondersteunen Mosjee’s handen. De Amalekieten worden verslagen.

“Toen Farao het volk liet weggaan…” (Sjemot 13:17)

►Farao realiseert zich wat er gebeurd was
Na het vertrek van de Bnee Jisra’eel werd verteld aan de koning van Egypte dat het volk ‘vertrokken’ was. Het gemoed van Farao en zijn dienaren veranderde: “Wat hebben wij gedaan, dat we het volk Israël hebben weggestuurd, zodat ze ons niet meer dienen?” (14:5).

►Deze vraag van Farao is moeilijk te begrijpen. Het volk was niet gevlucht. Het was weggestuurd door Farao, zoals het einde van de pasoek (vers) zelf duidelijk maakt. Farao’s plannen met het Joodse volk waren tweeledig: hij wilde hun aantal verminderen, en tevens ieder gevoel van nationale zelfstandigheid de kop indrukken om iedere hoop op opstand weg te nemen.
Farao geloofde dat hij door zware onderdrukking de Joodse geest kon breken. Toen Mosjee en Aharon voor de eerste keer bij Farao kwamen en eisten: “Stuur mijn volk weg”, antwoordde Farao hen: “Waarom storen jullie het volk in zijn werk?” (5:4).

►Farao geloofde dat het Joodse volk een slavenvolk was. Farao was er ook van overtuigd dat het volk op zijn schreden terug zou keren wanneer het geconfronteerd zou worden met problemen in de woestijn, toen zij weggestuurd werden uit Egypte. Maar op het moment dat Farao zich realiseerde, dat zijn vernederde slaven niet terugkeerden, begreep hij dat het volk weg was en nooit meer terug zou komen. De reden daarvan begreep Farao direct. Het volk was uiteindelijk toch Jisra’eel gebleven. Zij hadden het geloof in G-d nooit opgegeven.

►De Joden uit de stam Levi waren de grote geesten, die het Jodendom ondanks alle verdrukking hadden volgehouden. Zij waren nooit tot de slavernij vernederd en over hen zei Mosjee: “Zij zullen Uw voorschriften aan Ja’akov onderwijzen en Uw Tora aan Jisra’eel” (Devariem 33:10).

►De stam Levi bleef zich inzetten voor de spiritualiteit van het Joodse volk, ook in het Egyptische goles. Het spiritueel leiderschap van de stam Levi is niet geëindigd met de uittocht uit Egypte, zoals Maimonides schrijft aan het einde van zijn Hilchot sjemita (hoofdstuk 13): “Waarom heeft de stam Levi geen deel gekregen in het land Israël en andere fysieke voordelen? Omdat zij vrijgemaakt werden om Hasjeem te dienen en Zijn wegen aan de gemeente bekend te maken. Daarom hebben zij geen deel in het normale maatschappelijk leven, hoeven zij niet mee te doen in de oorlog, erven ze geen land en krijgen ze alleen van Boven de gaven van het volk Israël. De stam Levi is ‘het leger van G-d’. G-d geeft hen levensonderhoud, zoals er staat: “Ik ben uw deel en uw erfdeel”.

►Dit is niet alleen voorbehouden aan de stam Levi. Maimonides zegt namelijk verder: “Niet alleen de stam Levi kan spiritueel leider zijn. Ieder mens wiens geest hem aanspoort om G-d te dienen, verheft zich tot een grote, heilige hoogte. G-d zal zijn deel zijn en hem in deze wereld voldoende levensonderhoud schenken”.

“Toen Jisra’eel de geweldige macht zag die G’d tegen Egypte tentoongespreid had, kreeg het volk een diep ontzag voor Hasjeem en vertrouwde op G-d en Zijn dienaar Mosjee” (14:31).

►Terugkijken
Pas achteraf kunnen we de gebeurtenissen plaatsen, vallen alle stukjes van de puzzel op hun plaats. In de parsja Ki Tisa vraagt Mosjee Rabbenoe van G-d: “Laat mij toch Uw heerlijkheid zien” (Sjemot 33:18). Mosjee wilde o.a. weten van G-d waarom er goede mensen zijn die lijden en er slechte mensen zijn die het goed hebben (B.T. Berachot 7a). Het antwoord van Hasjeem is moeilijk te begrijpen: “Ge zult Mijn achterkant zien, Mijn aangezicht kan niet gezien worden”.

►De Chatam Sofeer legde dit altijd uit als een remedie tegen ongeduld. Wanneer men onrecht in de wereld ziet, moet men niet direct een uitleg verlangen. Op korte termijn is het onbegrijpelijk maar op de lange termijn krijgt men wellicht een helder beeld. Mensen hebben meestal geen geduld om de loop van de geschiedenis af te wachten. Dit wordt aangeduid in de zin: “U zult Mijn achterkant zien maar Mijn gezicht zal niet gezien worden”. Dit betekent met andere woorden: de achterkant, d.w.z. met terugblik, kan men het geheel overzien. Wanneer men er nog midden in zit, is het totaalbeeld nog vertroebeld. De mens kijkt alleen op korte termijn en overziet het geheel niet. De helikopterview ontbreekt.

►Mosjee klaagt bij G-d: “Waarom doet U dit volk kwaad, waarom heeft U mij hier gestuurd? Vanaf het moment dat ik bij Farao ben gekomen om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan” (Sjemot 5:22-23). Hasjeem werd kwaad op Mosjee, zoals Rasjie ook zegt: “G-d sprak toen hard tegen Mosjee” (6:2). Mosjee werd ongeduld verweten. Mosjee maakte deze misser later bij de uittocht uit Egypte goed (volgens onze Wijzen in de Midrasj (Sjemot Rabba 23:3).

►Toen de Joden door de Jam soef trokken en het lied van de zee zongen: “Toen zong Mosjee” ook. De Midrasj zegt dat de honing van de lippen van Mosjee droop. Mosjee zei: “Heer der wereld, met hetgeen ik gezondigd heb kom ik U nu huldigen”. Rabbi Levi bar Chia vergelijkt het met een opstandige provincie. De koning zegt tegen zijn generaal: “Laten we oorlog met ze voeren”. De generaal antwoordde dat dat niet zou lukken. Maar de koning ging ’s nachts in zijn eentje naar de opstandige provincie en veroverde hem. De generaal besefte dat hij een fout advies had gegeven en maakte een kroon voor de koning. Toen zei de koning: “Waaraan heb ik deze kroon te danken?”. De generaal antwoordde: “Ik heb tegen u gezondigd doordat ik heb gezegd dat u die opstandige provincie niet aankunt”.

►Zo ook zei Mosjee voor G-d: ”Ik weet dat ik voor U gezondigd heb met het woordje: ‘az’ (toen). Zo staat er geschreven: ‘az’, toen ik kwam naar Farao. Daarom bejubel ik U weer met het woordje ‘az’: “Az jasjier Mosjee”- toen zong Mosjee. Een tsaddiek rectificeert alles wat hij fout heeft gedaan. Mosjee keek alleen op de korte termijn en kwam tot verkeerde conclusies. Dat realiseerde hij en maakte hij goed.

“En het volk mopperde tegen Mosjee terwijl zij zeiden….” (15: 24) “De hele gemeenschap…begon tegen Mosjee en Aharon te mopperen” (16:2). “Het volk dat daar naar water smachtte, mopperde tegen Mosjee en zei…” (17:3).

►Dankbaarheid
Het bensjen is een opvoeding tot dank en erkenning van het goede dat wij dagelijks ontvangen van Boven. De plicht om Hasjeem te bedanken is dusdanig fundamenteel, dat de Talmoed zegt dat als wij eten zonder beracha wij G-d bestelen. Dit wordt afgeleid uit het boek Tehilliem. In Psalm 24 staat er: “De wereld en alles dat haar vult is van G-d” terwijl in Psalm 115 staat dat de Hemel van G-d is maar dat Hij de aarde aan de mens heeft gegeven. De vraag is dus: Aan wie behoort de aarde en alles dat haar vult toe? Vóór het uitspreken van de beracha is de wereld van G-d en na het uitspreken van de beracha is de wereld van de mens. Als wij G-d niet bedankt hebben is het alsof wij ons iets toe-eigenen dat niet van ons is. Maar als je Hem weet te danken, is het je gaarne gegund.

►Verschillende poskiem schrijven dat degene die een beracha zegt moet weten dat hij G-d dankt voor al het goede dat Hij hem geeft. Als men dat gevoel niet kan opbrengen, ontbreekt het belangrijkste onderdeel van de mitsva. Heeft men gebensjt in de vorm van een gebed maar niet als dank dan heeft men het bensj-gebod zelfs achteraf niet vervuld. Dat komt doordat er heel duidelijk werd gezegd dat we moeten bensjen als dank voor het goede land dat G-d ons gegeven heeft.

►De Chafeets Chajiem in zijn werk Sjeem Olam schrijft dat behalve de intentie om met bensjen een mitsva uit de Tora te vervullen men ook de bedoeling moet hebben om G-d te danken voor het land en voor het voedsel. Helaas vergeet men dat maar al te vaak. De zoon van de Chafeets Chajiem, Rebbe Leib, vertelde dat zijn vader inderdaad van mening was, dat als men geen dankbare gevoelens kan opbrengen bij het bensjen, dat de mitsva van bensjen niet goed vervuld is.

►Mosjee is de geschiedenis niet ingegaan als Mosjee de profeet of Mosjee de leider of Mosjee die ons de Wet heeft gegeven of Mosjee die ons gevoed heeft – alhoewel al die titels hem wel zouden passen. Mosjee is bekend geworden als Mosjee Rabbenoe: een Rav die opvoedt, terecht wijst en beïnvloedt. Aan het einde van zijn leven hamert Mosjee Rabbenoe regelmatig op het begrip dankbaarheid. Dank G-d voor al het goede en wees niet van de categorie “Toen werd Jesjoeroen vet en gaf hij een trap”. Met deze gedachte waarmee Mosjee Rabbenoe zijn veertigjarige leiderschap beëindigde, begint de profeet Jesjajahoe: “Profetie van Jesjajahoe Ben Amots… hoort Hemel en luistert aarde wat G-d heeft gesproken: Kinderen heb ik grootgebracht en verheven maar zij komen tegen Mij in opstand. Een os kent zijn eigenaar en een ezel de voederbak van zijn heer maar Jisra’eel kent Mij niet, Mijn volk denkt niet na”.

►Ondankbaarheid is de bron van veel kwaad. Het belang van dankbaarheid vinden we heel duidelijk bij het huwelijksverbod van de Ammonieten en de Moavieten: “Vanwege het feit dat ze jullie niet tegemoet zijn gekomen met brood en water op de weg toen jullie vertrokken uit Egypte” (Devariem 23:45).

►Waren ander volken ons dan wel tegemoet gekomen met water en brood? Waren Sigon en Og die ons agressief tegemoet kwamen dan beter dan Ammon en Moav? Maar het antwoord ligt in het feit dat Ammon en Moav de kinderen van Lot waren en zijn twee dochters. Die werden alleen maar gered uit Sedom vanwege de verdienste van Avraham, zoals de Tora vertelt. Is dit dankbaarheid tegenover de afstammelingen van Avraham? Daarom mogen de Ammonieten en Moavieten niet trouwen met het Joodse volk, tot in de eeuwigheid. Ondankbaarheid is een uitermate negatieve eigenschap. Dankbaarheid als belangrijke waarde wordt breed uitgemeten in het werk Chovot halevavot van Rabbenoe Bachja.

►In het laatste hoofdstuk geeft hij dertig overwegingen waarom de mens dankbaar moet zijn aan zijn Schepper. Als hij dankbaar is aan G-d voor de ogen die Hij hem gegeven heeft, voor de oren die Hij in hem geplant heeft en voor het denken en praten dat Hij hem mogelijk heeft gemaakt dan is de tegenprestatie die G-d van ons vraagt maar bijzonder gering.

►Een van de voorbeelden die Rabbenoe Bachja brengt zullen wij in hedendaagse taal vertalen: Als iemand, G-d beware, niet meer kan zien na een ongeluk of na een ziekte en men vertelt hem dat er een medisch centrum in Amerika is dat hem kan helpen, zal hij alles doen en zich de grootste uitgaven getroosten om in het verre land geholpen te worden. Wanneer hij na de operatie zijn ogen weer open doet en weer kan zien is zijn dank aan de professor die hem behandeld heeft onbegrensd. Als die professor hem schrijft dat hij een paar dagen naar Israël komt voor vakantie, zal de genezen patiënt hem op het vliegveld opwachten en hem als een koning ontvangen omdat hij hem zijn gezichtsvermogen terug heeft gegeven.

►Kosten noch moeite zal de patiënt sparen om de dokter te verwennen. Hasjeem heeft ons twee ogen gegeven zonder problemen en zonder financiële offers. Wij hoefden daar niets voor te doen. Wat vraagt G-d van ons? Dat hij “tussen ons mag wonen”. Hij wil alleen zo af en toe bij ons op bezoek komen, een paar keer per dag. De bekende Rebbe Mendele uit Kotsk vroeg men toen hij nog klein was: “Mendele, waar bevindt Hasjeem zich?” Hij antwoordde: “Op elke plaats waar men de deur openmaakt”. Het enige wat G-d van ons vraagt is dat wij hem toelaten in ons leven.

►Rabbenoe Bachja voegt daar de volgende gedachte aan toe. Ouders koesteren veel liefdesgevoelens voor hun kinderen ook al hebben de kinderen hen nooit iets aardigs bewezen. Zij behandelen hun kinderen met veel liefde en medelijden en zorgen voor alles wat zij nodig hebben, zelfs meer dan zij ooit zelf in hun jeugd kregen. Het feit dat een mens deze gevoelens in zich heeft, het feit dat wij zulke zorgzame, lieve ouders hebben die ons groot gebracht hebben, moet een bron van dankbaarheid zijn voor ieder mens.

►Er is een bekende uitspraak dat één vader tien kinderen kan verzorgen maar dat tien kinderen niet één vader kunnen verzorgen. De vraag is waar dat vandaan komt. Rabbi Jitschak Jediedja Frenkel, de vroegere Opperrabbijn van Tel Aviv – Jaffo, stelt dat we deze eigenschappen erven van onze voorouders en uiteindelijk van Adam en Eva. Adam en Eva hadden geen ouders maar wel kinderen. Dus hebben zij de komende generaties wel gevoel voor de kinderen mee kunnen geven maar niet een gevoel voor ouders (want ze hadden geen ouders). Daarom zien we vaak dat mensen ontzettend veel meer moeite doen voor hun kinderen dan voor hun ouders, om maar niet te spreken van G-d.

Deze parasja is gebaseerd op verklaringen uit de Pesach Hagada van O.R. Jisra’eel Lau (2008/5768)

Reacties zijn gesloten.