Parsja Bo

BO (kom) De hovelingen van Farao zijn wanhopig. Toch blijft Farao weigerachtig. Wel wil Farao de mannen laten gaan, maar dat weigert Mosjee. Daarna overvallen sprinkhanen het land. Wat er nog over was van veldgewas en bomen vreten de sprinkhanen aan. Desondanks volhardt Farao in zijn weigering. Dan daalt een tastbare duisternis over het land maar ook dat verandert Farao’s houding niet. Dan volgt een uitgebreide instructie over het Pesachoffer (waarvan het bloed aan de deuren gesmeerd moet worden) en het wegruimen van het gezuurde (chameets). Tenslotte sterven alle eerstgeborenen van Egypte van zowel mens als dier. Na deze verschrikkelijke gebeurtenis dringt Farao er bij Mosjé en Aharon op aan ogenblikkelijk te vertrekken. Hierna volgen de geboden van Tefillien en het lossen van mens en dier.
►Tora – het doel van de uittocht
Wat is de Tora? De Tora was het doel van de uittocht. Tora in de diepste zin betekent een voortdurend najagen van de Enige Echte Waarheid, objectief en zonder vooroordeel. Het moeilijkste voor de mens is zichzelf te veranderen; ook de vrije mens kost het enorme moeite om af te stappen van zijn eigen ideeën, gewoontes en opvattingen. Hij moet bereid zijn steeds nieuwe uitgangspunten te kiezen.

►En dit is het eenvoudigst indien hij letterlijk nergens aan vast zit, ook niet aan de meest allerdaagse zaken als brood. “Als de Joden maar een moment geaarzeld hadden uit te trekken uit Egypte waren ze niet verlost”, zeggen onze Wijzen. Matsa, het symbool van de uittocht, en daarmee ook van Pesach, is ongecompliceerdheid en staat ervoor constant jezelf te durven toetsen. Waarheid is nergens aan gebonden. Dat is onze uitdaging: een nieuw begin maken met ons Jodendom!

“Spreek tot de gehele gemeente van Jisra’eel: ‘Op de tiende van deze maand zullen zij zich ieder een lam nemen…“ (Sjemot 12:3) “Dan zal het bloed voor jullie als teken dienen aan de huizen waarin jullie je bevinden en als Ik het bloed zie, zal Ik jullie voorbijgaan… “ (12:13)

►Pesachoffer
Twee keer achter elkaar verschijnen de woorden ‘in uw bloed zult u leven’ in Jechezkel 16:6-7. De eerste keer slaat op het bloed van het Pesachoffer en de tweede op het bloed van de briet mila. De Joden hadden in Egypte weinig verdiensten waarmee ze bevrijd zouden kunnen worden.

►Daarom heeft G-d hen het bloed van de Pesachoffer gegeven en het bloed van de besnijdenis. Het bloed van het Pesachoffer kennen wij uit de pasoek: “Het bloed zal voor u tot teken zijn… (12:13). Maar wat is het verband met het bloed van de briet mila?

►Beide soorten bloed bewijzen de opofferingsgezindheid van het Joodse volk. Bij het korban Pesach speelde er levensgevaar. De Midrasj zegt dat: “Toen G-d Mosjee opdracht gaf om het Pesachoffer te slachten, zei Mosjee tegen Hasjeem: ”Heer der wereld, hoe kan ik dit doen? U weet toch dat het kleinvee de afgod is van de Egyptenaren?“. G-d antwoordde hem: ”Bij jouw leven, de Joden zullen Egypte niet verlaten totdat ze de afgoden van de Egyptenaren hebben geslacht, opdat ze zullen weten dat de Egyptische afgoderij waardeloos is” (Sjemot Rabba 16:3).

►Ook de briet mila is in zekere zin een vorm van zelfopoffering. Dit is ook de diepere betekenis van het getuigenis: “Dat het bloed tot teken zal zijn op de huizen van de Joden”. Dit bloedteken toonde de opofferingsgezindheid van het Joodse volk. In een met bloed getekend huis kon geen verderfbrengende Engel doordringen. Opofferingsgezindheid is nodig om de volledige verbondenheid met G-d tot uitdrukking te brengen.

“Zeven dagen moeten jullie matsot, niet-gegiste broden eten, maar reeds op de eerste dag moeten jullie alles wat gisting kan veroorzaken weggeruimd hebben uit jullie huizen, want ieder die vanaf de eerste tot de zevende dag chameets eet, zo iemand zal uit Jisra’eel worden uitgeroeid” (12:15).

►Chameets / matsa
Aan het begin van de grote immigratiegolf uit de Sovjet-Unie, was Rav Lau Opperrabbijn van Tel Aviv-Jaffo. Op een dag had Rav Lau zitting in een Beet dien (rechtbank) voor gioer, om nieuwe immigranten te helpen met het bepalen van hun Joodse identiteit.

►Voor hen verscheen een 42-jarige arts, die de dag daarvoor met zijn vrouw en twee dochters was aangekomen uit de Sovjet-Unie. Hij wilde een bevestiging, dat hij Joods was voor de opvangcentra. Hij had twee getuigen meegenomen om te verklaren dat hij zowel van vaders- als van moederskant Joods was. Zijn moeder was directrice van een ziekenhuisafdeling in Moskou. Zijn vader was chirurg, maar was allang overleden. Één van de getuigen, zei heel duidelijk dat hij aanwezig was geweest bij de briet mila van de jonge arts, die George heette.

►De tweede getuige was een oude Chabadnik, die in het beet dien kwam met zijn pet op en een lange baard over zijn jasje. Hij vertelde dat de moeder van George chronisch rookte (twee tot drie pakjes per dag). Elke nacht, voordat ze ging slapen, nam ze één sigaret en legde dat in een kartonnen doos in haar kleerkast. Elke nacht spaarde zij een sigaret. Na Poeriem kwam de Chabadnik bij haar thuis. Zij hadden een bepaalde afspraak; zij gaf hem 350 sigaretten, die ze had gespaard, en hij gaf haar een paar kilo meel, zodat zij thuis matzes kon bakken. Ze hield geen Sjabbat en kon zich niet druk maken over het houden van kasjroet. Zij kon de essentiële geboden niet vervullen maar vond het zeer belangrijk om de uittocht uit Egypte met alle bijbehorende symboliek op seideravond te gedenken.

►Rav Lau vertelde: “Ik was ontzettend onder de indruk van dit verhaal. De zoon gaf mij het telefoonnummer van zijn moeder in Moskou en ik belde haar op. Zij kon nog een beetje Jiddisj spreken en ik vertelde haar dat wij één keer per jaar de mitsva van matsa houden, maar dat zij dat elke dag deed. Ik zei dat ik niet weet of de matsot die ze bakte, halachisch kosjer waren, maar wel dat ze zeker heilig en rein waren en dat G-d ze met welgevallen heeft aanvaard. Ik twijfelde daar geen seconde aan. Ik liet haar meeluisteren aan de telefoon, toen ik met haar zoon verder sprak in het Engels. Ik zei tegen hem: “George, vanaf vandaag ben jij geen George meer, maar heet je Gersjon.” Zijn moeder pinkte aan de andere kant van de lijn een traan weg. Ze vertelde dat Gersjon precies de naam was, die zijn inmiddels overleden vader hem 42 jaar geleden gegeven had bij de briet mila”.

“Heilig voor Mij iedere eerstgeborene die iedere baarmoeder bij de kinderen van Jisra’eel voor het eerst ontsluit, bij de mens en bij het vee… dat is voor Mij” (13:2)

►Bikoeriem
In de Misjna staat dat de vertelling over de uittocht uit Egypte gedaan moet worden op een manier van: “Beginnen met schande en eindigen met lof “ (B.T. Pesachiem 116). Net zoals we op seideravond naast matsa ook maror eten, moeten we naast alle goede dingen ook het slechte begin vertellen, want wanneer wij geen maror kennen, kunnen we de matse niet goed op waarde schatten. Iemand die niet weet wat slavernij betekent, kan ook vrijheid niet volledig waarderen. Dit is ook verbonden met het brengen van de bikoeriem. Met de eerstelingen in de hand verklaart de boer in de Tempel: “Als een Arameeër dreigde mijn vader verloren te gaan, en hij daalde af naar Egypte”. Wanneer de boer trots zijn eerste producten aan Hasjeem aanbiedt, moet hij ook herinneren hoe moeilijk het was in het verleden toen wij nog slaven waren in Egypte. Pas dan is zijn dank volledig.

►Wat de precieze inhoud is van de vernederende situatie en de daaropvolgende lof, is een meningsverschil in de Talmoed, die Rav en Sjemoe’eel verdeeld houdt. Volgens Rav moet men zeggen dat: “Onze voorouders oorspronkelijk afgodendienaren waren, maar nu heeft G-d ons naderbij gebracht tot Zijn dienst”. Volgens Sjemoe’eel moet men zeggen: “Slaven waren wij van Fara’o in Egypte en G-d heeft ons daarvan uitgevoerd met sterke hand en uitgestrekte arm”.

►Volgens Rav moet men de Tora-aspecten benadrukken. In het begin waren onze voorouders afgodendienaren en daarna hebben wij de Tora gekregen. Sjemoe’eel is van mening dat men de menselijke kant van de geschiedenis moet benadrukken: eerst waren we slaven en later hebben wij vrijheid gekregen.

►Beide meningen worden in de Pesach Hagada gevolgd. Maar uiteindelijk is toch de Tora de bindende kracht, zoals Rav Sa’adja Ga’on stelt: “Ons volk is alleen maar een volk door de Tora”. Een Joods volk werden we pas bij het ontvangen van de Tora, die ons allen bindt.

► Eén volk
De woorden “stuur Mijn volk weg opdat ze Mij dienen” worden vaak maar gedeeltelijk geciteerd. Het doel van onze vrijheid was het opbouwen van een religieuze band met Hasjeem. Fara’o was de eerste die het Joodse volk een volk noemde. Tot dan waren ze kinderen van Ja’akov of Bnee Jisra’eel. Fara’o was de eerste die zei: “Zie, het volk van de Bnee Jisra’eel is veel en sterker dan wij. Kom, laat ons slim zijn tegenover hen opdat zij niet vermeerderen” (Sjemot 1:9,10).

►Hoe vatte Fara’o het volk op als volk? Hij begreep dat de Joden een gemeenschappelijk lot hadden. Maar hij bekeek het erg negatief. Het lot van het Joodse volk was om te lijden. Hun bezittingen werden te grabbel gegooid en hun hoop leek ten gronde gericht. Hun leven was hun niet zeker: “Elke zoon die geboren zal worden, zullen jullie in de rivier gooien”. Zo begreep Fara’o de gemeenschappelijke toekomst van het Joodse volk en dat was in zijn opvatting hun volkslot.

►Pas bij Sinai
Mosjee Rabbenoe benadrukt echter dat wij pas bij de berg Sinai een volk werden. Niet bij de uittocht uit Egypte, noch bij het splijten van de Rietzee. Pas toen wij de Tora kregen, riep Mosjee Rabbenoe uit: “Vandaag worden jullie tot een volk voor Hasjeem, uw G-d” (Devariem 27:9).

“En je moet je zoon op die dag vertellen en zeggen: ‘Het is om hetgeen de Eeuwige mij gedaan heeft toen ik uit Egypte trok’.” (13:8).

►“Als G-d onze voorouders niet uit Egypte had gehaald, zouden wij, onze kinderen en onze kleinkinderen, nog steeds slaven zijn van Fara’o in Egypte”. Daarom is iedereen verplicht om zichzelf te beschouwen alsof hij zelf is weggetrokken uit Egypte. Hier is echter wel iets zeer opmerkelijks aan de hand. Dit vinden we nergens anders.

►De Sjoelchan Aroech (Joodse wetboek) brengt als praktijkvoorschrift, dat wanneer iemand een wonder is gebeurd op een bepaalde plaats, hij elke keer wanneer hij daar langskomt een beracha (lofspreuk) moet zeggen. Wanneer hij een zoon heeft, die geboren werd na het wonder en dus ook zijn leven te danken heeft aan dat wonder, zegt de zoon de zegenspreuk: “Ik dank G-d die voor mijn vader een wonder op deze plaats heeft verricht”. Een kleinkind zegt deze beracha echter niet (Orach Chajiem 218:4). Ook op Chanoeka en Poeriem zeggen we dat: “G-d voor onze voorouders in die tijd, ook tegenwoordig, wonderen heeft gedaan.”

►In schril contrast tot het voorgaande staat de vertelling over de uittocht uit Egypte. We spreken over de wonderen die G-d heeft gedaan, ook voor ons (en niet alleen voor onze voorouders): “Die ons bevrijd heeft en onze voorouders bevrijd heeft”. We danken G-d voor alle wonderen, die hij niet alleen voor onze voorouders heeft gedaan maar ook voor ons.

►Waarom is dit anders dan alle andere wonderen, waarbij voornamelijk wordt gedacht aan degenen, die de wonderen zelf hebben meegemaakt? In de Talmoed (Pesachiem 116b) wordt de plicht om jezelf te beschouwen als uittrekker uit Egypte, afgeleid uit de bovenstaande pasoek: “Je zult het je zoon vertellen … heeft G-d mij dit gedaan toen ik uittrok uit Egypte” (Sjemot 13:8). Ouders mogen kinderen geen leugens vertellen. Daarom is het logisch, dat iedereen zichzelf moet beschouwen alsof hij zelf was uitgetrokken uit Egypte.

►Maimonides brengt een andere bron: “Ons heeft G-d van daar weggevoerd” (Devariem 6). Over deze zaken heeft G-d ons in de Tora bevolen (Devariem 5): “en je zult herinneren dat je een slaaf was”. Het is alsof je zelf slaaf was geweest en je nu bevrijd bent. Daarom moet men eten en drinken op de manier van vrijheid op deze avond (Hilchot chameets oematsa 7). Alle gebeurtenissen van seideravond zijn er om opnieuw de overgang van slavernij naar bevrijding te beleven. Dat doen wij door verschillende handelingen van slavernij en vrijheid tegelijkertijd te doen.

►Over onszelf voelen we meer
Wat is het speciale voordeel van het vertellen over onze individuele vrijheid? Als we het hebben over onszelf, dan voelen we het veel meer. Daarom is ook onze dankbaarheid veel groter. Onze bereidheid om het Hemelse juk te aanvaarden groeit en wordt steeds completer. Bij de uittocht uit Egypte herwonnen we niet alleen onze lichamelijke vrijheid maar ook spirituele vrijheid.

►Beracha na de Seider
We moeten ons realiseren dat wij met de uittocht uit Egypte veel meer dan alleen maar vrijheid hebben herwonnen. Het gaat om onze geestelijke opdracht en roeping. Alleen een werkelijke G-dsdienaar is echt vrij. Waarom – vraagt de Chatam Sofeer – zeggen we de beracha over de uittocht uit Egypte, pas aan het einde van het Magied-gedeelte van de Hagada? We worden gedurende de seideravond zuiverder, puurder, gereinigd van de afgoden om ons heen. We worden als het ware iemand die langzamerhand Joods wordt en de beracha pas na het onderdompelen in het mikve uitspreekt. Daarvóór kon hij de beracha niet werkelijk zeggen.

►Dit alles brengt een nieuw begripsniveau in de uitspraak: “Nu zijn we slaaf maar volgend jaar zijn wij vrij”. Dit jaar zijn wij nog steeds onderworpen aan de wereldse machten en zitten we in galoet. Maar uiteindelijk gaat het om spirituele groei. En die kunnen we nu al waarmaken om uiteindelijk tot spirituele vrijheid te komen.

Sjabbat Sjalom.
Deze parasja is gebaseerd op verklaringen uit de Pesach Hagada van O.R. Jisra’eel Lau (2008/5768)

Reacties zijn gesloten.