SJEMOT (namen): De kinderen van Ja’akov hadden zich zeer sterk vermeerderd. Farao wordt bang en maakt hen tot slaven. Hij geeft de vroedvrouwen opdracht pasgeboren zoontjes te doden. Zij doen dit echter niet. Een Leviet, Amram, huwt een vrouw uit dezelfde stam en zij krijgen een zoontje, dat in een waterdicht mandje in de Nijl wordt gezet. Batja, een dochter van Farao vindt hem, redt hem en de grote zus van de baby, Mirjam, biedt aan een voedster voor hem te vinden. Later brengt ze hem naar Batja, die hem Mosjee noemt. Volwassen geworden ziet Mosjee hoe een Joodse man geslagen wordt door een Egyptenaar. Hij brengt hem ter dood en verbergt hem onder het zand.
Hij begrijpt dat zijn leven in gevaar is en vlucht naar Midjan, waar hij gastvrijheid vindt bij de priester Jitro. Hij huwt zijn dochter Tsippora en zij krijgen twee zonen. Dan wordt Mosjee geconfronteerd met het brandende doornbos, waar G’d hem opdraagt het Joodse volk naar het Beloofde Land te leiden. Mosjee verzet zich tegen deze opdracht en denkt dat het volk hem niet zal geloven, maar G’d geeft hem drie wonderen, zodat het volk hem wel als gezonden zal geloven. Ook zegt Mosjé dat hij een slechte spreker is; G’d belooft dat Aharon zijn woordvoerder zal zijn. Mosjee, Tsippora en hun zonen gaan op reis, maar onderweg treedt G’d tegen Mosjee hard op; Tsippora begrijpt dat één van hun zonen nog niet besneden is en volvoert de operatie haastig. Aharon en Mosjee gaan samen naar Farao en bepleiten de vrijlating van het volk maar Farao treft nog hardere maatregelen. Het volk raakt ontmoedigd en maakt de broers verwijten, maar G’d belooft zijn kracht te tonen.
►Dreigde er assimilatie? Het boek Sjemot begint met de namen van de Bnee Jisra’eel die naar Mitsraim kwamen. De kinderen van Ja’akov woonden allemaal in het land Gosjen. Zolang de stamvaders nog in leven waren, hadden de Joden niet veel contact met hun omgeving. Maar daarna begonnen ze deel uit te maken van de Egyptische maatschappij. Ze raakten geïntegreerd en wilden niet meer in Gosjen opgesloten zitten. De Joden bezochten samen met de Egyptenaren de landelijke theaters. Eigenlijk vonden de Bnee Jisra’eel de Egyptische afgoderij mooi. Zij bewonderden de dieraanbidding en op vele punten deden ze de Egyptenaren na. Alleen de stam Levi bleef apart en mengde zich niet in het Egyptische culturele leven.
►Vervielen de Joden tot de plaatselijke afgoderij? De afgoderij was in die tijd heel aantrekkelijk. Hoewel wij geen gevoel meer hebben voor beeldjes en magische praktijken, was dat in de oudheid een belangrijke verleiding. De Ansjee knesset hagedola (de mannen van de Grote Vergadering, omstreeks 300 v.d.g.j.) hebben gedavvend (gebeden) dat de jeetser hara (slechte neiging) voor afgoderij zou verdwijnen. Daarom kunnen wij ons vandaag de dag geen voorstelling meer maken van de aantrekkingskracht van afgoderij. Toch behielden de Joden hun identiteit. Zij gaven hun kinderen alleen maar Joodse namen. Ze spraken onderling Ivriet en ze hadden hun eigen kledingstijl. Zij wilden niet meegaan met de mode van Egypte. Bovendien waren ze aardig voor elkaar en gaven elkaar niet aan bij de Egyptische overheid. Het eerste wat Farao besloot was de briet mila (besnijdenis) te verbieden. De assimilatie nam hand over hand toe en Hasjeem wilde dit een halt toeroepen. Daarom begonnen de Egyptenaren de Bnee Jisra’eel te haten. Langzamerhand begon een aantal Joden ook de afgodische praktijken van de Egyptenaren over te nemen. Toch hield Hasjeem erg van de Joden omdat ze afstammelingen waren van Avraham, Jitschak en Ja’akov. Daarom vermenigvuldigden de Joden zich enorm in Egypte.
►Was er toen een allochtonenprobleem? Er was een nieuwe koning over Egypte opgestaan. Hij zei tegen zijn volk: “Kijk, de Bnee Jisra’eel die worden ons teveel en te machtig. Laten we verstandig zijn. Laten we ervoor zorgen dat de Bnee Jisra’eel niet nog meer worden. Wanneer er oorlog zal komen, dan zullen zij zich bij onze vijanden voegen, zullen zij ons bestrijden en zullen zij wegtrekken uit het land. De Egyptenaren waren bang voor oorlog omdat alle deviezen en gelden van de omringende landen naar Egypte waren gestroomd tijdens de hongersnood. Het was niet ondenkbaar dat andere volkeren hun geld terug zouden willen hebben. De raadgevers van Farao zeiden: “Daarom zijn we bang voor de Joden dat ze zich zouden voegen bij de vijand. We moeten actie tegen ze ondernemen.” Farao nam het op voor de Bnee Jisra’eel. Hij zei dat, als hun voorvader Joseef het land niet gered had, er geen Egyptenaar meer zou hebben geleefd. De Egyptische edelen waren kwaad op Farao omdat hij het opnam voor de Bnee Jisra’eel. Drie maanden lang weigerde Farao tegemoet te komen aan hun eisen. Uiteindelijk begreep hij dat het beter was toe te geven aan de wensen van zijn ministers. Hij kondigde aan dat hij nieuwe maatregelen zou nemen.
►Welke tactiek gebruikte Farao? De nieuwe koning was bereid om alles te doen om een einde te maken aan het Joodse vraagstuk. Hij deed alsof hij Joseef nooit gekend had en hij ontkende ook het bestaan van Hasjeem. Farao wilde allereerst de Joodse mannen en vrouwen scheiden zodat ze minder kinderen zouden krijgen. Maar hoe kreeg hij de Joden aan het werk? Hij ging zorgvuldig te werk. Hij verplichtte iedereen om mee te werken aan de verbouwing van twee grote voorraadsteden, Pitom en Ramses. Daar zouden de schatten van Egypte opgeborgen worden, als een soort nationale bank. Het was een groot bouwproject en iedereen die mee zou werken zou goed beloond worden. Alle loyale burgers werden opgeroepen om iets voor het land te doen. Ook Farao zelf verscheen op de bouwgrond met een schep en een schoffel. Zo kon niemand claimen dat hij te goed was voor het bouwwerk, want niemand was fijner en delicater dan Farao. Iedereen deed mee, van hoog tot laag. De Bnee Jisra’eel voelden dat zij ook moesten meedoen in het belang van het land. De Bnee Jisra’eel begonnen vlijtig met hun werk. Ze waren sterk en daardoor vorderden ze snel met de bouw. ’s Avonds telden de soldaten van Farao de stenen die ze gebakken hadden. Dit was de basis voor het quotum dat ze elke dag moesten afleveren.
Een maand lang betaalde Farao zijn werknemers. Maar na verloop van tijd verdwenen alle Egyptische arbeiders van de werkplaats. Na zestien maanden waren er helemaal geen Egyptische arbeiders meer. De Bnee Jisra’eel kregen niet meer betaald. Ze protesteerden maar ze werden in elkaar geslagen door het Egyptische leger. Politie en leger werkten samen om de Joden aan het werk te houden en ervoor te zorgen dat iedereen ’s ochtends op het werk verscheen. De Bnee Jisra’eel moesten ook al het geld teruggeven wat ze eerder hadden verdiend.
►Speciale status voor lern-Levi. Eén stam had nooit meegedaan met het nationale werkplan van Farao. De stam Levi was doorlopend bezig met het bestuderen van de Tora en was vrij gebleven tot het einde van de Egyptische slavernij. Als ze maar één stap buiten het Beet Hamidrasj hadden gezet, zouden ze daar 210 jaar slavernij aan hebben overgehouden. De Levieten concentreerden zich op het Tora-leren en verspreidden de religieuze boodschap. Pitom en Ramses kwamen nooit af. Deze steden waren gebouwd op drijfzand en alle gebouwen zakten langzamerhand weg en verdwenen. De Egyptenaren dwongen de Joden tot heel zwaar werk en Farao probeerde de mannen van de vrouwen te scheiden door de mannen ’s nachts te laten slapen in de velden, terwijl de vrouwen in de stad bleven.
►Vrouwenmoed en onderduik. De harde besluiten van Farao waren effectiever om de harten van de Bnee Jisra’eel op G’d te richten dan veertig jaar lang les en leiding van Mosjee in de woestijn! De Bnee Jisra’eel deden tesjoeva en schreeuwden tot Hasjeem. De vrouwen lieten niet over zich heen lopen. Ze schepten water en Hasjeem zorgde ervoor dat er kleine visjes in zwommen. De vrouwen gingen naar de velden, wasten hun mannen met warm water en kookten de vis. Ze troostten hun mannen en beloofden hen dat ze eens bevrijd zouden worden. Ze kregen kinderen en ze geloofden dat Hasjeem de kinderen zou beschermen. Er gebeurden duidelijke wonderen: de vrouwen kregen kinderen in de boomgaarden of op het veld. Ze moesten de kleine kinderen achterlaten maar die groeiden vanzelf op. Zij hielden zich verborgen voor de Egyptische patrouilles. Eenmaal groot konden ze terug naar huis.
►Disproportionele kindergenocide. Farao begreep dat zijn plan met de kampen in de velden gefaald had. Hij zocht een betere oplossing voor het Joodse vraagstuk met een nieuwe strategie. Farao durfde de Joden niet openlijk te doden omdat hij begreep dat hij dan door G’d gestraft zou worden. Bovendien zou de publieke opinie dit niet nemen. Hij zocht mensen die voor hem de Joodse baby’s bij geboorte konden doden. Hij wilde dit niet zelf doen maar probeerde het via de Joodse vroedvrouwen, Sjifra en Poe’a. Zij zouden dan de verantwoordelijkheid dragen voor de kindermoord. Farao zei tot de Sjifra en Poe’a: “Als jullie de Joodse vrouwen bij het baren helpen, moeten jullie de jongetjes doden maar een dochter mag in leven blijven.” De vroedvrouwen vreesden Hasjeem en gehoorzaamden Farao niet. Ze vertroetelden de Joodse kinderen zelfs. Jocheved heette Sjifra van het Hebreeuwse woord ‘mooi maken’ omdat ze de kinderen altijd waste, schoonmaakte en mooier maakte. Mirjam werd Poe’a genoemd omdat ze de kinderen tot bedaren kon brengen wanneer ze erg huilden. Jocheved en Mirjam begrepen dat ze enorme risico’s namen maar zij vreesden G’d meer dan Farao.
►G’dsvrees boven burgerlijke gehoorzaamheid. Farao kwam er natuurlijk al snel achter, dat er geen Joodse kinderen werden gedood. Jocheved en Mirjam werden weer naar het paleis gebracht. Zij legden uit dat Egyptische vrouwen veel langzamer baarden dan de Joodse vrouwen. Zoals Jehoeda werd vergeleken met een leeuw, Benjamin met een wolf, Naftali met een hinde, zo werden de Joodse vrouwen vergeleken met de dieren van het veld. “Dieren kunnen zonder hulp baren. Joodse vrouwen hebben niemand nodig. Wij komen later om een helpende hand te bieden maar niet tijdens de bevalling.” Jocheved sprak de waarheid. De Joodse vrouwen in Egypte waren van een hoog spiritueel niveau en kregen pijnloos kinderen. Farao was tevreden met hun uitleg en liet ze vrij. Maar later begreep hij dat hij voor de mal was gehouden. Jocheved en Mirjam werden gezocht door Farao’s soldaten maar konden ontsnappen. Ze verdienden dit wonder omdat ze G’d meer vreesden dan Farao. Jocheved en Mirjam kregen een prachtige beloning. Mirjam trouwde later met Kalev. Ze werd de voormoeder van de Davidische dynastie. Jocheved werd de moeder van de Aharon, de eerste koheen gadol (hogepriester). Mosjee leidde de Joden uit Egypte en werd de eerste leviet.
►Job de zwijger. Farao had een vreemde droom. Hij zat op zijn troon en er kwam een oude man binnen, die een weegschaal ophing tegenover Farao’s troon. Toen kwamen alle geleerden van Egypte bij elkaar en de oude man legde ze in één schaal van de weegschaal. Een lammetje legde hij op de andere schaal en het lammetje bleek zwaarder dan alle wijzen van Egypte. Farao begreep de droom niet en riep zijn raadgevers. Hij vertelde zijn droom. Bile’am was ooit als vluchteling naar Egypte gekomen. Maar hij was een knappe kop en had een hoge positie aan het hof. Bile’am zei tegen Farao: “Dat lammetje dat is de Joodse verlosser. Hij zal het land verwoesten. Veel Egyptenaren zullen sterven. Het Joodse volk zal wegtrekken. Voorkom deze ramp!” Bile’am wilde dat Farao zijn andere twee raadgevers ook zou ontbieden op het paleis. Dit waren Jitro en Ijov. Jitro zei dat G’d de Bnee Jisra’eel helpt: “U weet toch dat Avraham en Sara werden gered uit de handen van de vorige Farao. Jitschak en Rivka werden beschermd tegen koning Avimelech van de Filistijnen. Ja’akov werd door G’d beschermd tegen Esau en Lavan. De vorige Farao was goed voor de Joden. Daarom is Egypte gered. Anders was het omgekomen door de hongersnood. Koning Farao, u moet voorzichtig zijn met het volk. Als ze weg willen, laat ze dan vertrekken naar Kena’an. Daar zijn ze vandaan gekomen. Verdruk hen niet want G’d zal ze op speciale wijze beschermen.” De koning vond dat geen goede raad en stuurde Jitro weg naar Midjan. Ijov weigerde de koning raad te geven. Hij was bang voor represailles en zei: “Farao, u bent koning over Egypte. Doe met de inwoners wat u goed vindt.” Bile’am gaf de koning als volgt raad: “De Joden worden inderdaad beschermd door Hasjeem. Het is moeilijk ze aan te pakken. Avraham werd uit de vuuroven gered, Jitschak werd van het zwaard gered. Ja’akov was met zware arbeid niet klein te krijgen. Van het water werden de Bnee Jisra’eel nog niet gered. U moet de kinderen in de rivier gooien.” Hierop werden alle jongetjes uit de huizen gehaald en in het water gegooid.
►Naar de kroon gegrepen. Mosjee was één van de kinderen die in de Nijl werd gegooid, maar Batja, de dochter van Farao redde hem en zorgde voor hem als haar eigen kind. Op een dag zaten ze samen te eten en Batja hield de kleine Mosjee op haar schoot. Plotseling pakte Mosjee de kroon van Farao af en zette die op zijn eigen hoofd. Niemand durfde te reageren. Bile’am zei: “Farao, u herinnert zich toch uw droom? Deze jongen is erop uit om uw macht over te nemen. Herinnert u zich hoe de Joden altijd de mensen in uw omgeving bedrogen hebben? U kunt dit kind beter doden want hij zal een bedreiging worden voor het koninkrijk.” “Zijn jullie het er allemaal mee eens?”, vroeg Farao aan de rest van de aanwezigen. Eén van de ministers antwoordde: “We kunnen een test doen. Het is nog maar een klein kind. Misschien glinsterde de kroon verleidelijk in zijn ogen en pakte hij hem omdat hij hem gewoon mooi vond. Dit heeft niets te maken met toekomstige revolutionaire plannen. Leg een diamant en een gloeiend kooltje voor Mosjee. Als hij de diamant pakt dan is dat een teken dat hij er goed over nagedacht heeft. Maar als hij het kooltje pakt dan pakt hij alles wat glinstert en glimt. Dan zullen we zien dat hij niet anders is dan alle andere kinderen.”
►Niet onder de indruk van de praal en pracht. Mosjee kreeg twee glinsterende stenen voorgelegd. Eén was een brandend kooltje en de ander een diamant. Mosjee wilde de diamant pakken maar Hasjeem stuurde de engel Gavrieel die zijn hand verschoof naar het kooltje. Mosjee pakte het kooltje en brandde zijn lippen en zijn tong. Mosjee had zijn spraakgebrek dat hem later deed twijfelen of hij wel geschikt was om de Bnee Jisra’eel uit Egypte te leiden aan deze gebeurtenis te danken. Mosjee was hoogbegaafd en werd door Farao aangesteld over zijn huishouden. Mosjee raakte niet onder de indruk van de luxe en de pracht en praal van het paleis. Hij begreep dat hij Joods was en verliet elke dag het paleis om te zien hoe zijn broeders het maakten in de werkkampen. Hij treurde over de kwellingen die zijn broeders ondergingen en huilde over het Joodse lot.
