Parsja Vajechi 10 januari 2009 / 14 tewet 5769

Het einde van het leven van Ja’akov
Waarom wordt Ja’akovs overlijden vermeld? Ja’akov was de eerste in de geschiedenis die voor zijn overlijden heel ziek werd. Avraham had gevraagd om ouderdom omdat hij het niet kon verdragen dat men het verschil tussen hem en Jitschak niet kon zien. Jitschak om loutering voor het overlijden om `clean’ in de Toekomstige Wereld te komen. Ja’akov vroeg G’d om ziekte voor het overlijden. Als iemand plotseling sterft kan hij vrouw en kinderen niet alle opdrachten geven die hij noodzakelijk vindt. Daarom moet iedereen tijd hebben voor zijn overlijden om zich daarop voor te bereiden. G’d was akkoord.
Beracha van gave mensen
►Waarom wordt Ja’akovs eerste beracha vermeld? Osnat gaf Joseef de raad om zijn kinderen mee te nemen naar Ja’akovs sterfbed, want een beracha van een tsaddiek is gelijk aan een beracha van Hasjeem. Joseef nam zijn kinderen mee naar Gosjen. Ja’akov kreeg het bericht dat Joseef op weg was. Ja’akov vermande zich en ging rechtop zitten in zijn bed. Ja’akov zei tegen Joseef: “G’d de Almachtige verscheen mij in het plaatsje Loez in Kena’an. Hij zegende mij en zei mij:’Ik zal je vruchtbaar maken en vermeerderen en je een verzameling volkeren geven. De twee zonen die jou in Egypte geboren zijn zullen voor Mij zijn. Efraim en Menasjee zullen voor Mij als Ruben en Sjimon zijn. Zij zullen stammen worden en een eigen stuk land in Israël krijgen.’ ” Hoewel ze geen kinderen waren van Ja’akov werden Efraim en Menasjee toch stamvaders.

Ja’akov kruiste zijn handen
Waarom worden de gekruiste handen van Ja’akov vermeld? Ja’akov voelde de roe’ach hakodesj van zich verdwijnen, toen hij de twee kinderen van Joseef, Efraim en Menasjee, wilde zegenen. Ja’akov voorzag dat er afgodische koningen uit hen zouden voortkomen en begreep waarom de Sjechina vertrokken was.
Hij vroeg Joseef wie die kinderen waren: “Hoe komt het dat ze geen beracha waardig zijn? Hoe kunnen ze ooit koningen voortbrengen die het Joodse volk zullen verleiden tot afgoderij?” Joseef zei dat Efraim en Menasjee goede kinderen waren en uit een kosjer huwelijk geboren waren. Joseef toonde zijn vader de ketoeva, het huwelijkscontract dat hij met Osnat had gesloten volgens de Joodse voorschriften. “Misschien komt de roe’ach hakodesj terug als ik ze kus en ze voel.” Ja’akovs ogen waren heel zwak geworden. Hij had veel Tora geleerd. Zijn oogleden vielen doorlopend naar beneden. Hij moest ze ophouden met zijn vingers. Ja’akov kuste zijn kleinzoons, die Joseef inmiddels tussen zijn knieën had gezet, doch de roe’ach hakodesj wilde maar niet terugkeren. Daarom begon Ja’akov over allerlei andere dingen te spreken. Hij vertelde dat hij niet had gehoopt om Joseef nog ooit terug te zien, maar dat G’d hem nu zelfs zijn kleinkinderen liet zien. Dat was een grote bron van blijdschap.

Terugkeer van de Sjechina
►Toen Joseef zag dat Ja’akov zijn kinderen, Efraim en Menasjee, niet kon zegenen, davvende hij tot G’d dat de roe’ach hakodesj zou terugkeren. Joseef zei ook tegen zijn zoons dat zij tot G’d moesten davvenen dat de roe’ach hakodesj zou terugkeren. De tefillot (de gebeden) van de kinderen uit de stam van Joseef zijn krachtig. De roe’ach hakodesj kwam snel terug. Joseef plaatste Menasjee, zijn oudste zoon voor de rechterhand van Ja’akov en Efraim voor de linkerhand van Ja’akov. Hij wilde dat Ja’akov met zijn rechterhand de oudste en met zijn linkerhand de jongste zou zegenen. Ja’akov kruiste echter zijn handen omdat hij voorzag dat de jongste groter zou worden dan de oudste. Jehosjoe’a, die het Joodse volk zou binnenleiden in het land Israël, zou afstammen van de stam Efraim.

►Joseef zegende eerst Joseef en zei hem: “De G’d voor Wie mijn vaderen Avraham en Jitschak zo hun best gedaan hebben om Zijn wil te vervullen – de G’d die mij beschermd heeft vanaf het moment dat ik bestaan heb tot op de dag van vandaag – de Engel die mij van al het kwaad verlost heeft, moge de jongens een beracha geven. Door hen zal mijn naam en de naam van mijn vaderen Avraham en Jitschak genoemd worden. Zij zullen zich als vissen vermeerderen in het midden van het land.” De Engel waarover Ja’akov sprak, was de Beschermengel van Esav. Ja’akov was G’d dankbaar dat hij gered was uit de handen van deze Beschermengel en ook uit de handen van Lavan. De beracha voor de kinderen, Efraim en Menasjee, sloeg ook op hun nakomelingen Jehosjoe’a en Gide’on (zowel Jehosjoe’a als Gide’on hadden Engelen ontmoet en worden jongelui genoemd). Door hen zal de naam van Avraham en Jitschak genoemd worden omdat het Joodse volk ook wel eens Joseef of Efraim heet.

►Wat betekent de beracha met de vissen? De vermeerdering als vissen slaat op het feit dat vissen erg vruchtbaar zijn. Vissen kunnen meestal niet gezien worden en zijn onttrokken aan het boze oog. De afstammelingen van Joseef zullen zich sterk vermeerderen omdat zij niet gehinderd worden door kwade intenties vanuit de omgeving. Joseef heeft niet willen kijken waar hij niet mocht kijken. De vrouw van Potifar bestond niet voor hem. Daarom werd zijn stam beschermd tegen het boze oog. De tekst van de beracha, waarmee Joodse ouders hun zoons vrijdagavond zegenen, luidt: “Moge G’d jullie maken zoals Efraim en Menasjee.” Efraim en Menasjee zijn rolmodellen voor ons in goles, omdat ze de eerste Joden waren die in goles geboren waren, die toch trouw bleven aan de Tora. Ondanks de omgeving hopen wij dat ze de Joodse normen en waarden in acht nemen.

Met opzet
►Joseef waarschuwde zijn vader dat hij zijn handen verkeerd had neergelegd. Hij pakte zijn vaders rechterhand om deze op het hoofd van de oudste neer te leggen. Ja’akov vertelde Joseef dat hij dit met opzet deed. Hij legde zijn rechterhand op het hoofd van Efraim, ofschoon deze de jongste was. Zijn linkerhand legde hij op Menasjee’s hoofd, hoewel hij de eerstgeborene was. Ja’akov legde zijn gedrag uit: “Van Menasjee zal de Richter Gide’on afstammen, maar van Efraim komt Jehosjoe’a, die de Joden het land Israël zal binnenvoeren. Hij zal nog bekender zijn dan Gide’on. Jehosjoe’a zal de zon doen stilstaan en zich zo een grote naam verwerven”.
Efraim kreeg een grotere zegen dan Menasjee omdat hij bescheiden was en niet arrogant. Uiteindelijk kreeg Efraim het eerstgeboorterecht. Ja’akov weigerde zijn rechterhand op het hoofd van Menasjee te leggen en zei: “Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Verdenk mij er niet van dat ik met de roe’ach hakodesj niet alles weet wat er gebeurd is en wat er gebeuren zal. Ook Menasjee zal tot een groot volk worden. Maar zijn jongste broer Efraim zal groter worden dan hij. En zijn kinderen zullen tot een menigte van volkeren worden. Ja’akov zei: “Met jullie zal het volk Israël zich als volgt zegenen: moge G’d u laten worden als Efraim en Menasjee.”

►De Verlossing
Vlak voor de slavernij was bemoediging nodig. Ja’akov zei: “Ik ga nu sterven. Maar G’d zal met jullie zijn en jullie terugbrengen naar het land van jullie voorvaderen. Degene die jullie zal verlossen uit Egypte zal de grote Tora-geleerden onder jullie als leiders aanstellen. En hij zal de uitdrukking: ‘pakod jifkod’ gebruiken, wanneer hij jullie komt bevrijden.” Ja’akov beloofde Joseef als beloning voor zijn begrafenis in Israël een landstreek extra boven zijn broers. Dit was de stad Sjechem, waar Joseef uiteindelijk begraven zou worden:“Ik geef je deze landstreek boven je gewone erfdeel als een extra gebaar. Ik heb deze stad Sjechem veroverd op de Emorieten in de tijd dat wij bedreigd werden, na het debacle van Sjechem en Dina. Ik heb het uit de hand van de Emoriet veroverd met mijn zwaard en mijn boog. Ik geef jou het eerstgeboorterecht om de dienst in de Tempel te verrichten.” Ja’akov’s andere zonen werden jaloers op Joseef, maar Ja’akov zei dat hij genoeg berachot (zegeningen) in voorraad had om iedereen te zegenen. Joseef nam toch een speciale plaats omdat hij G’d, meer dan alle anderen, vreesde.

Masji’ach
►Waarom wordt Ja’akovs laatste beracha zo uitvoerig vermeld? Daarna verzamelden zich alle zonen om de laatste beracha van hun vader te ontvangen. Ja’akov droeg zijn zonen op om zich te reinigen zodat zijn beracha zou werken. Hij wilde dat ze bij elkaar zouden blijven en een eenheid zouden vormen:“Alleen dan zullen jullie de uiteindelijke verlossing door de Masji’ach waard zijn. Uiteindelijk zullen jullie uit deze Egyptische goles verlost worden en zullen jullie met opgeheven hoofd Egypte verlaten. Aan het eind van de geschiedenis zullen de tien verloren stammen zich met de overgebleven Joden uit de stam Jehoeda en Benjamin verenigen. Ja’akov wilde eigenlijk aan zijn zoons de datum van de komst van de Masji’ach openbaren, maar toen verliet de Sjechina hem, omdat G’d niet wilde dat de bevrijdingsdatum bekend zou worden. Men zou wellicht wanhopig kunnen worden van de lange duur van het goles. Ja’akov vreesde dat G’d geen zegening wilde geven omdat een van de kinderen hiervoor wellicht niet in aanmerking kwam. Daarom vroeg hij aan zijn zoons: “Hoe weet ik dat jullie allemaal volledig bij het Jodendom betrokken zijn?” Toen riepen zij unaniem: “Sjema Jisra’eel Hasjeem Elokenoe Hasjeem echad, hoor Ja’akov G’d is onze G’d, Hasjeem is één.” Ja’akov dankte G’d en zei na deze geloofsbelijdenis:“Baroech Sjeem kevod malchoeto le’olam va’ed – gezegend is Zijn naam, Wiens koningschap voor eeuwig is.” Toen zegende Ja’akov zijn zoons.

►De begrafenis in Israël
Ja’akov werd verzameld tot zijn volkeren. Hij ging direct naar Gan Eden (het paradijs). Daar trof hij zijn voorvaders. Joseef viel op zijn vaders gezicht. Hij huilde over hem en kuste hem. Dat is ook wat Hasjeem hem uiteindelijk had gezegd (Bereesjiet 46:4: “Joseef zal je ogen sluiten”). Ja’akov werd gebalsemd door Egyptische experts. Veertig dagen lang werden er heerlijk ruikende specerijen en oliën over hem uitgegoten. Het lichaam absorbeerde deze olie. Zo was het lichaam langer bestand tegen ontbinding. Het balsemen duurde veertig dagen. Joseef en zijn broers zaten sjiwwe en hielden de treurweek. Ze scheurden hun kleren en deden as op hun hoofd. De Egyptenaren huilden zeventig dagen over Ja’akov. Zij realiseerden zich dat Ja’akov een einde had gemaakt aan de hongersnood.

Exportverbod opgeheven
►Er was een wet in Egypte die export van overledenen verbood. Toen de rouwdagen voorbij waren sprak Joseef tot Farao’s ministers: “Doe een goed woordje voor mij bij Farao. Mijn vader heeft mij laten zweren dat ik hem moest begraven in Israël. Vader Ja’akov heeft letterlijk gezegd: ‘Zie, ik sterf. In het graf dat ik mij in het land Kena’an gegraven heb, moet jij mij begraven!’ Laat mij alstublieft naar Israël gaan om mijn vader te begraven. Daarna zal ik terugkeren”. Joseef benadrukte dat hij zijn vader had moeten zweren om hem in Israël te begraven. Hij wist dat Farao bezwaar had tegen buitenlandse begrafenissen. Farao wilde eigenlijk dat Joseef zijn gelofte zou laten opheffen. Maar Joseef antwoordde dat hij dat nooit zou doen. “Als u mij dwingt om mijn gelofte te laten opheffen, dan zal ik ook een andere gelofte laten opheffen. Ik heb u lang geleden gezworen dat ik niemand zou vertellen dat ik één taal meer ken dan u”.

►Farao stemde toen in: “Trek op, en begraaf je vader, zoals hij jou heeft laten zweren”. Maar Ja’akov werd geëerd in Egypte. Daarom trokken alle dienaren van Farao, en alle oudsten van het land Egypte mee met Ja’akov om hem te begraven. Het werd een enorme stoet. Iedereen trok mee. Alleen de kleine kinderen, het kleinvee en hun rundvee, lieten ze achter in het land Gosjen. Wagens en ruiters trokken met hen mee. Het was een enorme menigte die naar Israël trok om Ja’akov te begraven. De kist van Ja’akov was van puur goud. Overal glinsterden edelstenen. Er was een soort baldakijn boven zijn kist uitgespreid. De twaalf zonen droegen blootsvoets, als teken van rouw, de kist. Ze moesten vreselijk huilen. Een enorme menigte Egyptenaren volgde. Joseef hing zijn kroon aan Ja’akovs kist.

►Toen de optocht bij Atad kwam, aan de overkant van de Jordaan, werd daar een zware rouwdienst gehouden. De Kena’anieten zagen de rouw en noemde die plaats Aveel Mitsrajiem, de treur van Egypte. Veel Kena’anitische koningen kwamen de kist tegemoet. Jisjma’eel en Esav kwamen met hun troepen. Eigenlijk had men de bedoeling om oorlog te voeren tegen Ja’akovs familie. Maar toen zij zagen dat Joseefs kroon op Ja’akovs kist hing, liepen ze in de stoet mee. Ook de koningen van Kena’an hingen hun kronen aan de kist van Ja’akov. Met 36 kronen werd de kist van Ja’akov de Machpela ingedragen. Zelfs de edelen van Egypte rouwden om Ja’ akov. Lea lag al in de Machpela.

► Toen Ja’akov binnengedragen zou worden, maakte Esav bezwaren. Hij eiste ruimte voor zijn eigen begrafenis op. Ja’akovs zonen waren het hier niet mee eens. Ze zeiden dat Ja’akov het eerstgeboorterecht en ook het grafrecht in de Machpela schriftelijk van Esav had gekocht. Esav wilde dat document zien. De broers zeiden dat ze dat hadden achtergelaten in Egypte. Naftali rende snel terug. Zo werd de begrafenis uitgesteld. Een dove kleinzoon van Ja’akov begreep niet precies wat er aan de hand was. Hij zag echter dat Esav Ja’akov niet liet begraven. Hij pakte een stok en sloeg Esav dood. Het bloed van Esav spatte op de kist van Ja’akov en Esavs hoofd rolde de Machpela in. Zijn lichaam werd teruggebracht naar zijn land Se’ier.

►Begin van de slavernij
Terug in Egypte was Joseef een wijs regent. 40 jaar was hij onderkoning, versloeg alle vijanden en zorgde voor rust en vrede. Na het overlijden van Farao volgde Joseef Farao op als nieuwe koning van Egypte. Joseef was een van de jongste broers maar overleed het eerst. Dat kwam omdat hij zijn vader niet voldoende geëerd had. Men leeft lang als men zijn ouders eert. Hij had Ja’akov zijn “dienaar” laten noemen door zijn broers die met hem in Egypte in gesprek raakten. Bovendien had Joseef zich al te autoritair opgesteld tegenover de broers. Toen Joseef zijn einde voelde naderen, zei Joseef tegen zijn broers: “Ik ga sterven, maar G’d zal jullie zeker bevrijden uit Egypte met de woorden ‘pakod jifkod’. Dit zullen de codewoorden zijn waar jullie de verlosser aan kunnen herkennen”. Joseef wilde begraven worden in Egypte en vroeg zijn broers zijn botten mee te nemen naar Sjechem, wat zijn vader hem had toebedeeld, om daar begraven te worden. Joseef’s stoffelijke overschot werd in een ijzeren kist verzonken in de Nijl. De Egyptenaren dachten dat dit zegen zou brengen voor de belangrijkste levensader van Egypte. Joseefs dood ging niet ongemerkt voorbij. Alle bronnen droogden op.

►Langzamerhand stierven alle broers van Joseef. Tot het eind van zijn leven bleef Benjamin volledig vrij van enige zonde. Hij moest nu eenmaal sterven omdat sinds Adams en Eva’s zondeval er een decreet gold dat iedereen moest sterven. Levi overleed als laatste. Langzamerhand begon de slavernij. Zolang Ja’akov geleefd had waren de Bnee Jisra’eel volledig vrije mensen. Na het overlijden van de stamvaders begon de slavernij. 86 jaar voor de bevrijding begonnen de Egyptenaren het leven van de Bnee Jisra’eel heel moeilijk te maken en verbitterde hun slavernij.

Reacties zijn gesloten.