Parsja Noach

Na Adam was corruptie, afgodendienst en onzedelijkheid gemeengoed. G’d besluit een geweldige vloed over de aarde te brengen waarin elk levend wezen ten onder zal gaan, behalve Noach en de zijnen. Noach krijgt opdracht een grote ark te bouwen voor zijn gezin en ook voor één of meer paren van de dieren, zodat die zich na de vloed weer kunnen voortplanten. De regen duurt veertig dagen en nachten en bedekt zelfs de hoogste bergtoppen. Na een tijd begint het water te zakken. Noach zendt een raaf en een duif uit om te zien of de aarde weer bewoonbaar is. De eerste keer kwam de duif terug, de tweede keer met een olijftak; de derde keer kwam ze niet meer terug. G’d draagt de mensen op de ark te verlaten. Uit dankbaarheid brengt Noach een offer. G’d belooft nooit meer de wereld te verwoesten. De regenboog wordt het teken van die belofte. Noach plant een wijngaard en wordt dronken van zijn eigen product. Hij ligt naakt in zijn tent te slapen en Cham ziet hem. Hij vertelt het aan zijn broers Sjeem en Jafet, die met een deken over hun schouders achteruit de tent inlopen zonder hun vaders naaktheid te zien. Noach vervloekt Kena’an, de zoon van Cham. Na een tijd willen de mensen een toren bouwen die tot in de hemel reikt. Door de spraakverwarring verspreidt de mensheid zich over de aarde.
Koheen, 6:9-22. Noach en familie worden als enige gered van de zondvloed. Levi, 7:1-16. Noach neemt van alle reine zeven paar en van alle onreine dieren één paar mee.

Noach was een goed mens. Toch kon hij zich niet meten met onze Aartsvaders, zoals Avraham. ‘Noach wandelde met G’d’ betekende dat hij de steun van Hasjeem nodig had om een goed mens te blijven. G’d moest hem steeds bijstaan en hem op de goede weg wijzen. Over Avraham staat geschreven dat hij ‘voor G’d wandelde’. Hij kon helemaal zelfstandig de religieuze weg volgen. Noach was goed onder zijn tijdgenoten. Maar had hij in de generatie van Avraham geleefd, dan zou hij naast onze eerste Aartsvader onopgemerkt gebleven zijn.

Het leven in de tijd van Noach was goed. Kinderen stierven nooit gedurende het leven van hun ouders. De mensheid leefde langer. Pas toen zij zondigden zei G’d (6:3):”En zijn dagen zullen 120 jaar zijn”. De mensen waren enorm groot en sterk, zoals er staat (6:14):”Er waren reuzen op aarde in die dagen”. Hoe ouder ze werden, des te sterker ze werden. Bovendien leden ze nooit en hoefden ze maar één keer in de 40 jaar te zaaien. De oogst was voldoende voor de komende 40 jaar. Het klimaat was gelijkmatig. Pas na de zondvloed zei G’d: ”Zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte, zomer en winter en dag en nacht zullen niet meer stoppen”. Maar voor de zondvloed was het altijd een milde lente.

Omdat het de mensen te goed ging, verwierpen zij G’ds autoriteit. Zij meenden Hem niet meer nodig te hebben: “Wie is de Almachtige, dat wij Hem zullen dienen? Waarom zullen we tot Hem davvenen” (Job 21:14-15). Ze maakten zich schuldig aan afgoderij, bloedvergieten en onzedelijkheid. Hoewel G’d aan Adam de opdracht had gegeven (1:28): ‘’Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u’’, probeerden ze zo min mogelijk kinderen te krijgen om zoveel mogelijk plezier uit hun leven te halen. Zij ruilden vrouwen en trouwden met verschillende vrouwen, omdat ze de ene voor het plezier en de andere voor kinderen krijgen bestemden, ze sloten huwelijkscontracten tussen mensen en dieren en het hele juridische systeem was corrupt.

Toch had G’d niet zo genadeloos ingegrepen indien zij elkaar niet ook nog bestalen. Diefstal werd op zeer geraffineerde wijze gepleegd. Als iemand een mand vol bonen bracht, werd hij omringd door vele mensen, die ieder een klein beetje wegnamen, minder dan een peroeta (cent). Dit was net te weinig om veroordeeld te worden voor diefstal. De mand was spoedig leeg maar de zaak kon nooit juridisch vervolgd worden, omdat iedereen minder dan de strafbare minimum hoeveelheid had gestolen.

De wereld had zonder Noach niet voortbestaan. Hij liet zich niet beïnvloeden door andere mensen. Hij werd doorlopend uitgelachen maar verloor zijn geloof in G’d niet. Ook zijn vrouw Na’ama was even rechtvaardig als hij. Het woord ‘na’ama’ betekent ‘aangenaam’. Haar daden waren aangenaam. Hun drie zoons Jafet, Cham en Sjeem, volgden allen in de wegen van G’d, zoals hun vader Noach en grootvader Metoesjelach hen onderwezen hadden. Sjem wordt als eerste in de Tora vermeld, omdat hij de grootste van Noach’s zonen was. Hij was echter niet de oudste.

G’d besloot de wereld te vernietigen. Omdat er geen mensen meer zouden zijn, waren ook flora en fauna overbodig. G’d gaf de opdracht om een ark te maken die uit drie lagen zou bestaan. Het onderste ruim zou gebruikt worden voor afval (een opsteker in ons milieubewuste tijdperk). Het middendek zou gebruikt worden voor de dieren en het bovendek was voor de mensen gereserveerd. Er zouden zoveel mogelijk aparte ruimten worden geconstrueerd. G’d beloofde Noach dat hij als enige gered zou worden in de ark. Op dat moment had Noach moeten davvenen tot Hasjeem, dat Hij medelijden zou hebben met de wereld en deze zou sparen.
Noach liet deze gelegenheid echter voorbij gaan. Daarin onderscheidde hij zich van Mosje Rabbenoe, die direct opkwam voor het Joodse volk toen ze door Hasjeem bedreigd werden na het debacle van het gouden kalf.

G’d heeft 120 jaar lang de mensheid gewaarschuwd voor de gevolgen van hun slechte gedrag. Noach kreeg de opdracht de Ark te bouwen en plantte daarom een aantal cederbomen. De mensen die dat zagen vroegen waarom hij dat deed. Het antwoord luidde dat hij het hout van de bomen nodig had om een Arke te bouwen. G’d zou binnenkort een zondvloed brengen. De mensen geloofden dit niet. Dit gesprek herhaalde zich bij vrijwel iedere handeling: het irrigeren van de cederboomgaarden, bij het omhakken van de bomen en bij het zagen van de planken. Toch wilden de mensen niet luisteren. Uiteindelijk kon G’d niet anders doen dan Zijn wereld vernietigen. Noach moest alle bomen zelf planten, want de Arke had een hoog niveau van kedoesja (heiligheid), vergelijkbaar met de heiligheid van het Misjkan (Tabernakel).

Noach was 120 jaar bezig met de bouw van de Arke. Op deze wijze trok hij aandacht en kon hij met zijn slechte tijdgenoten in discussie gaan. Niemand raakte echter onder de indruk van zijn woorden. Zijn tijdgenoten vertrouwden op hun eigen kracht. De bouw van de ark was ook goed als spirituele versterking van Noach’s eigen karakter. Hij kreeg een mitsva om de ark te bouwen, raakte daardoor verbonden met G’d en werd daardoor geestelijk op een hoger niveau gebracht.

Zeven dagen voordat de maboel (zondvloed) zou komen, stelde G’d de mensen nog een week lang in de gelegenheid om tot inkeer te komen. De natuurwetten opereerden niet meer: de zon kwam op in het westen en ging onder in het oosten. Zeven dagen lang was het een soort hemel op aarde: het leven werd één groot feest. G’d hoopte dat de mensen tot inkeer zouden komen, door hen de grote beloning te tonen in Gan Eden.

Maar G’d zat gedurende deze zeven dagen ‘sjivve’. Hij treurde over het verlies van de mensheid die Hij had geschapen. In deze week was Noach erg druk met het bijeenbrengen van alle reine dieren. Zij kwamen niet vanzelf zoals alle onreine dieren. In de Tora wordt bij de onreine dieren niet gesproken over tamee dieren, maar alleen over dieren die niet tahor (rein) zijn. Hieruit leren wij dat wij geen vulgaire taal moeten gebruiken.

Op 17 Chesjvan 1656 begon het te regenen. In eerste instantie regende het nog niet erg hard om de mensen in de gelegenheid te stellen om tot inkeer te komen. Noach zelf kon niet geloven dat G’d Zijn besluit zou uitvoeren. Hij meende dat G’d barmhartig zou blijven. Hij bleef buiten de Arke wachten totdat het water tot zijn enkels reikte. Onze Wijzen noemen Noach ‘gelovig en ongelovig’. Noachs geloof was voornamelijk intellectueel. Hij geloofde niet werkelijk dat de catastrofe binnenkort zou plaatsvinden. Het ontbrak hem aan doorvoelde en doorleefde emoena (geloof), diep in zijn hart.

Twaalf maanden lang zat Noach opgesloten in de Arke. Al die tijd kon hij niet slapen. Hij moest – samen met zijn kinderen – zorgen voor de dieren. Elk dier kreeg zijn vertrouwde voedsel en alle aandacht. Zelfs de olifant en de struisvogel voederde Noach met de hand. Omdat alle dieren op verschillende tijdstippen aten, had Noach geen seconde rust. Hij was constant bezig. Eens vergat hij de leeuw te eten te geven. De leeuw gaf hem toen een tik, waardoor hij mank werd.

Waarom moest Noach zoveel chessed (liefde) doen? De wereld was vernietigd vanwege het ongebreidelde egoïsme. In de Arke werd de basis gelegd voor de nieuwe mensheid. Daarom moest er veel altruïsme zijn. Chessed zou de basis worden voor de nieuwe wereld.

Het water stond zeven en een halve meter boven de hoogste bergtop, omdat Noach’s tijdgenoten van die lengte waren. Ze meenden zelfs bij een overstroming te kunnen overleven omdat ze zo groot waren. In de regen zat ook vuur. Hiermee werd al het leven totaal vernietigd. Geen enkel restant van de lichamen van Noachs tijdgenoten bleef over. Zelfs het botje `loez’, onder aan de ruggengraat, werd vernietigd (de traditie leert ons dat er altijd één botje overblijft met het genetisch materiaal van de overledene; dit kan gebruikt worden als bouwsteen voor het lichaam bij de wederopstanding van de doden; dit botje is zo hard dat het bijna niet vernietigd kan worden).

Veertig dagen regende het zeer hevig. Deze veertig dagen komen overeen met de veertig dagen waarin de Tora op de berg Sinai werd gegeven aan de Bnee Jisra’eel. Omdat ze de inhoud van de Tora hadden overtreden, werden ze gedurende deze veertig dagen gestraft.
Op 27 Kisleev stopte het met regenen. 150 dagen lang bleef de zondvloed op aarde. Op 1 Sivan sloot G’d de onderaardse waterbronnen. De wind moest het water verspreiden. De warmwaterbronnen van Tiberias zijn een overblijfsel van de zondvloed. Pas op 27 Chesjvan was de aarde volledig opgedroogd.

Na enige tijd stuurde Noach een duif uit. Dit wordt vermeld in de Tora als profetie. Het Joodse volk wordt vergeleken met een duif. De volkeren worden vergeleken met water. Net zoals een duif geen rust vindt op zee, kan het Joodse volk geen rust vinden in de ballingschap. De duif keerde uiteindelijk terug naar de ark. Het Joodse volk zal in de toekomst terugkeren naar zijn eigen land. Bij de tweede keer kwam de duif terug met een olijfblad in zijn bek.
Waarom zocht de duif een olijfblad uit en geen tak van een andere smakelijke plant of boom? De duif gaf Noach een non-verbale boodschap mee: ”Ik heb liever voedsel uit de hand van G’d, ook al is het zo bitter als een olijf, dan dat ik door de mensen met de heerlijkste gerechten gevoederd wordt. Hieruit leren we, dat de mens beter een lagere levensstandaard kan accepteren dan te leven van liefdadigheid (tsedaka).

Toen Noach voet aan wal zette, kon hij de aarde niet meer herkennen. Noach begon te huilen: ”O G’d, U heet Barmhartig. U had medelijden moeten hebben met Uw schepselen”. Maar G’d antwoordde dat Noach geen medelijden had met zijn medemensen. Noach had moeten davvenen voor zijn medemensen. Maar hij had dat nagelaten. Zijn verwijt aan Hasjeem was dus onterecht. Hij begreep, dat hij een offer moest brengen. Noach realiseerde zich, dat hij meer reine dan onreine dieren had meegenomen in de ark. Hij begreep dat het de bedoeling was om van de reine dieren offers te brengen. Noach nam de hemelse kleren van Adam uit de Arke, trok die aan en bracht offers op de toekomstige plaats van het Beet Hamikdasj (Tempel) in Jeroesjalajiem.

Noach davvende dat er nooit meer een zondvloed zou komen. Om een toekomstige catastrofe te voorkomen veranderde G’d de levensomstandigheden. Het leven werd nu zo zwaar dat men nauwelijks meer tijd had om echt te zondigen. Na de zondvloed werd het leven zo moeilijk dat de mensen regelmatig gedwongen zouden worden om zich tot G’d te richten voor hun dagelijks brood. Kinderen zouden sterven tijdens het leven van hun ouders. Mensen zouden lijden door verandering van seizoenen en door ziekten als gevolg daarvan. Dag in dag uit moest er gewerkt worden. Men zou afhankelijk worden van de regen. Daarom moest men davvenen tot Hasjeem.

Tot de zondvloed waren de mensen vegetarisch. Omdat de mensen gezorgd hadden voor de dieren in de Arke, kregen ze na de maboel toestemming om vlees te eten. Toch mocht men geen ledematen van levende dieren eten. Dit werd het zevende Noachidische gebod, dat voor alle mensen geldt. G’d stond Noach toe om dieren te doden maar verbood hem duidelijk mensen te doden. Zelfmoord werd in de Tora verboden. Iedereen die de hand aan zichzelf slaat, wordt voor zijn bloed verantwoordelijk gesteld. Moord werd door de Tora verboden. Wanneer er geen getuigen zijn bij een moord en de moordenaar vrijuit gaat, zal G’d persoonlijk ingrijpen.

Als teken dat er nooit meer een zondvloed over de wereld zou komen, heeft G’d de regenboog aangewezen. Eigenlijk was de regenboog hier al vanaf de schepping voor bestemd: ”Wanneer Satan de mensheid aanklaagt en eist dat de wereld vernietigd wordt, zal Ik Mijn verbond met de mensheid herinneren en geen zondvloed meer brengen. De regenboog lijkt op een boog. Toen G’d de maboel op de wereld bracht, was de boog gericht tegen de mensheid. De regenboog is een omgekeerde boog en betekent dat er geen pijlen vanuit de hemel meer op de mensheid zullen neerdalen.

De regenboog verschijnt af en toe aan de hemel om ons eraan te herinneren dat G’d ons niet zal vernietigen, hoe zondig wij ook zijn. In de tijd van koning Chizkijahoe en de mannen van de Grote Vergadering, bereikte het Joodse volk een hoog niveau van religieuze rechtvaardigheid. Daarom verscheen de regenboog nooit tijdens hun leven. G’d hoefde er als het ware niet aan herinnerd te worden dat Hij de mensheid niet moest vernietigen.

Gebaseerd op: Parsjiot hasjawoe’a lefie Chazal

Reacties zijn gesloten.