Mosje roept hemel en aarde tot getuigen wat er gebeurde in vroeger dagen en schildert hoe het volk zal afwijken – in zeer poetische taal. Weer worden alle rampen genoemd die over het volk zal komen als ze niet de ge- en verboden gehoorzamen. Maar eens zal God Zijn volk genade schenken en wraak nemen op de tegenstanders. En nogmaals vermaant Mosje het volk zijn woorden ter harte te nemen. Het doel is God als de Schepper te erkennen en uiteindelijk kan niets de band tussen God en het Joodse volk teniet doen. Mosje moet de berg Newo bestijgen en uitkijken over het Land dat God de Bne Jisraeel als erfgoed geeft. Het Land binnentrekken mag hij niet.
In Tenach zijn vijf bekende liederen. Allereerst staan in de Tora het lied van de zee (Sjemot 15:1 e.v.) en het lied van de bron (Bemidbar 21:17 e.v.). Dan is er in het boek Richteren (hoofdstuk 5) het lied van Debora. Het Hooglied van koning Salomon spant natuurlijk de kroon. Bij de alle andere gezangen werd duidelijk gezegd wie de inspirator en uitvoerder van het lied was. Maar bij Ha’azinoe staat er verder niets vermeld. Het lijkt erop alsof dit lied zichzelf aanheft wanneer “veel onheil en rampen het volk zullen treffen; dan zal deze zang in zijn aangezicht als getuige verklaren want vergeten zal hij niet worden uit de mond van zijn kinderen. Want Ik ken zijn neiging, de neiging van het volk” (Dewariem 31:21).
Toekomstvisie
Het lied Ha’azinoe geeft een toekomstvisie met vrij pessimistische bewoordingen. Het is geen liefdeslied tussen G’d en zijn volk of een bejubeling van het Opperwezen. Ha’azinoe waarschuwt hen stevig. Bovendien wordt de toekomstige verlossing in Ha’azinoe aangegeven. Nachmanides (een 13e-eeuwse verklaarder) geeft aan dat zowel het verleden, het heden als de toekomst in het lied verdisconteerd zijn. Het bevat zaken van deze wereld en de Toekomstige Wereld. Hoewel de toekomstige verlossing (helaas) op zich laat wachten, staat deze toch in Ha’azinoe aangeduid. Daarom staat er ook in de tekst dat Mosjé kwam en alle woorden van dit lied ten gehore bracht voor het volk. “Met alle woorden wordt aangegeven dat de hele geschiedenis hierin verdisconteerd is. Als dit juist begrepen wordt, zijn alle gebeurtenissen in de geschiedenis van Klal Jisra’eel in Ha’azinoe aangegeven.”
Halachische lessen
Niet alleen prachtige verklaringen maar ook diepe halachische lessen leert Ha’azinoe. Zo staat helemaal aan het begin van dit futuristische lied: “Wanneer Ik de naam van G’d verkondig, kent dan aan onze G’d grootheid toe” (Dewariem 32:3). In traktaat Joma (37a) wordt in naam van Rabbi Jehoeda Hannassi geleerd dat Mosjé hiermee tot het Joodse volk wilde zeggen, dat “wanneer ik de naam van G’d aanroep jullie G’d grootheid moeten toekennen door het uitroepen van “baroech Hoe oewaroech Sjemo” (geprezen is Hij en Zijn Naam) overal waar de G’dsnaam vermeld wordt).
Tevens wordt hieruit afgeleid dat men na iedere beracha (zegespreuk) Ameen moet zeggen. De Talmoed (Sjabbat 119b) prijst dit ten zeerste aan: “Iedereen die Ameen antwoordt met al zijn kracht en al zijn aandacht, voor hem worden de poorten van Gan Eden geopend.” De Talmoed vraagt daar verder: wat betekent het woord Ameen? Rabbi Chanina antwoordde: “Dit zijn de beginletters van de frase G’d is een Betrouwbare Koning (kEel Melech Ne’eman).”
Ameen antwoorden
Rabbenoe Bachja ibn Pakoeda (een twaalfde-eeuwse Spaanse filosoof en kabbalist) gaat in op de uitspraak B.T. in Berachot 53b, waar gesteld wordt, dat iemand die Ameen antwoordt, groter is dan iemand die de Beracha zelf uitspreekt.
Dit is zo omdat degene die de Beracha (zegespreuk) uitspreekt, een bepaalde getuigenis aflegt over het bestaan van G’d. Getuigenis afleggen geschiedt meestal met z’n tweeën. De tweede getuige, die Ameen uitspreekt op de zegespreuk van de eerste bezegelt het getuigenis en toont daarmee instemming.
Met aandacht tot geloof
De Midrasj Tehilliem (31) geeft een verklaring op de pasoek (vers): “Opent de poorten, zodat het heilige volk, de bewaarders van het geloof kunnen binnenkomen” (Jesaja 26:2). De term sjomeer èmoeniem (bewaarders van het geloof) wordt daar uitgelegd als mensen die het Ameen in acht nemen: “Dit zijn de mensen die Ameen antwoorden op de Beracha: “Hij die de doden doet herleven”, terwijl ze de Herleving der Doden nog niet hebben gezien. Toch geloven ze dat Ik dat in de toekomst zal laten gebeuren. Ze zeggen Ameen op Ga’al Jisraëel (Hij, die Israël bevrijdt heeft) terwijl zij nog helemaal niet verlost zijn maar juist opnieuw weer geknecht worden. Toch geloven zij dat Ik ze in de toekomst zal bevrijden”. Rabbi Matis Blum legt uit, dat men door het Ameen antwoorden tot geloof komt. Daarom is het zo essentieel om met veel aandacht Ameen op Berachot te antwoorden.
Waarheid
In de Sjoelchan Aroech (Orach Chaïm 124:6) staat nog een andere betekenis van het woord ‘Ameen’: waarheid. Wanneer men Ameen antwoordt, bevestigt men de inhoud van de zegespreuk, die zonet werd uitgesproken. Men geeft aan dat het waar is, wat er beweerd wordt en dat men daar ook in gelooft.
Latere Geleerden stellen, dat dit alleen maar geldt voor dankberachot. Maar bij het dawwenen (bidden) moeten de toehoorders de bedoeling hebben, dat de zegespreuk die zojuist is uitgesproken, waar is en dat wij allen dawwenen dat deze zaak uit zal komen.
Zo moet men bij de beracha, waarin wij om verstand vragen, de kawwana (intentie) hebben, dat de Ameen-antwoorder erkent, dat het waar is dat G’d de mensen inzicht geeft en ook wenst en hoopt, dat Hij ook ons dit inzicht geeft.
Bij Kaddiesj moet men de bedoeling hebben, dat G’ds Koningsschap zich zo spoedig mogelijk zal openbaren en dat dit ook werkelijk zal gebeuren zoals er geschreven staat: “Op die dag zal de naam van G’d één zijn”.
Afgehakt Ameen
In Talmoed (B.T. Berachot 47a) wordt verder gesteld, dat het verboden is om een te snel uitgesproken Ameen uit te spreken of een afgehakt Ameen of een wees-Ameen. Dit wordt verder uitgelegd in de meforsjiem (verklaarders). Een te snel uitgesproken Ameen betekent, dat men de klinkers van Ameen niet goed uitspreekt, zoals de ‘a’ die een ‘è’ wordt en de ‘ee’ die een ‘è’ wordt. Een afgehakte Ameen betekent dat men Ameen antwoordt, voordat degene, die de Beracha uitspreekt, klaar is met zijn laatste woord. Een tweede uitleg, stelt dat de ‘n’ klank aan het einde Ameen niet wordt uitgesproken.
Wees-Ameen
Wees-Ameen mag men ook niet uitspreken. Dit betekent dat men antwoordt op een beracha die men zelf niet gehoord heeft. Volgens Rabbi Mosje Isserles (16e eeuw, Polen) is een wees-Ameen ook een Ameen die uitgesproken is over een beracha, waarvan men de inhoud niet kent.
Herhaling van de sjemoné-esré
Het antwoorden van Ameen in sjoel wordt als bijzonder belangrijk ervaren. Helaas gebeurt het regelmatig dat mensen niet opletten met het antwoorden van Ameen in sjoel. Hierdoor kan de herhaling van de sjemoné-esré (het achttiengebed) geïnvalideerd worden. De Chagamiem stellen zelfs, dat men geen sjemoné-esré mag herhalen wanneer er niet minstens tien mensen Ameen antwoorden.
Direct
Na de beracha moet men ook niet te lang wachten met het antwoorden van Ameen. Zodra de beracha gezegd is, zegt men direct Ameen. Het Ameen-antwoorden mag niet luider geschieden dan het uitspreken van de beracha. Deze gedachte wordt ook gerelateerd aan de pasoek (vers): “Verhef G’d met mij en laten we samen Zijn naam bejubelen”. Niettemin gebeurt dit vaak en de Misjna Beroera stelt, dat wanneer men de bedoeling heeft om het volk op te wekken tot het antwoorden van Ameen, het toegestaan is om zijn stem te verheffen, zelfs meer dan degene die de beracha uitspreekt.
Ameen we’ameen
In ieder geval mag men geen twee keer Ameen antwoorden op dezelfde beracha. Volgens de Misjna Beroera is dit verboden, omdat dit er uitziet alsof er dan twee Machten zouden bestaan in de Hemel. Ameen we’ameen mag men wel antwoorden, omdat dit zo in Tenach voorkomt. Wanneer men op twee berachot moet antwoorden, kan het zijn dat men met één Ameen kan volstaan maar wanneer men Ameen we’ameen zegt, is dat eigenlijk beter.
