Kie Teetsee (als je uittrekt): Als een vrouw krijgsgevangene wordt gemaakt en een man begeert haar, dan zijn er tal van bepalingen over een huwelijk met haar. Als een man twee vrouwen heeft en hij houdt van de ene wel en van de andere niet, dan moet hij toch de eerstgeborene van de vrouw van wie hij niet houdt, een dubbel erfdeel toekennen. Een zoon die onverbeterlijk slecht is, kan door zijn ouders bij de oudsten van de stad gebracht worden om gestraft te worden. Een gehangene moet dezelfde dag begraven worden. Een gevonden voorwerp moet aan de eigenaar teruggegeven worden. Mannen en vrouwen mogen niet kleding van het andere geslacht dragen. Een vogelnest mag je pas leeghalen als je de moeder hebt weggejaagd. Een dak moet een borstwering hebben en tweeërlei zaad mag je niet zaaien. Men mag niet met tweeërlei dieren ploegen en wol en linnen mogen niet in hetzelfde kledingstuk voorkomen. Wetten over seksueel (wan)gedrag worden gedetailleerd genoemd en huwelijksbeletselen worden opgesomd. Reinheid in de legerplaats wordt besproken en de slaaf die redding bij jou zoekt, mag je niet uitleveren. Rente mag je niet van je broeder vragen, wel van een vreemde. Geloften moet je volbrengen; beter is het geen geloften op je te nemen. Scheiding is mogelijk; de man moet zijn vrouw dan een scheidsbrief geven. Een pas getrouwde man is vrij van militaire dienst om zijn vrouw gelukkig te maken. Kidnapping wordt met de dood bestraft. Er worden regels voor pand-geven en –nemen vermeld. Ouders en kinderen kunnen niet voor elkaar bestraft worden en van de oogst moet je wat achterlaten voor de vreemdeling, de weduwe en de wees. De rechtspraak moet eerlijk zijn. Het zwagerhuwelijk wordt uit de doeken gedaan. Gewichten en maten moeten eerlijk zijn. Onthoud het gebod Amalek van onder de hemel weg te vagen.
Koheen, 21:10-21. Een Joodse soldaat, die valt voor een heidense krijgsgevangene, moet een bepaalde procedure volgen om haar te huwen.
“Wanneer je in oorlog zult uittrekken tegen je vijanden en Hasjeem hen in je macht zal geven… en je ziet onder de gevangenen een vrouw die mooi is, en je verlangt naar haar en je neemt haar tot vrouw…” (21:10-11).
Rasji legt uit, dat de Tora spreekt tegen de ontembare hartstocht. Als G’d haar niet zou toestaan, zou de soldaat haar desondanks trouwen, ook al is het ongeoorloofd. Rasji waarschuwt verder dat als hij haar toch trouwt, de Joodse soldaat haar ten slotte zal haten, zoals verderop in vers 15 staat. Ten slotte zal hij van haar een weerspannige en ontaarde zoon krijgen (vers 18). Volgens Rasji volgen de afdelingen daarom op elkaar.
Toch is het onbegrijpelijk, dat een heidense vrouw toegestaan wordt wanneer de lust onbedwingbaar is. Dit zou betekenen dat de Tora in alle moeilijke omstandigheden veel zou toestaan. De Tien Geboden zouden dan degraderen tot ‘tien mooie gedachten’. Alles wat moeilijk is, zou niet meer verboden worden. Rabbi Joseef Bechor Sjor legt het anders uit. Rasji zegt: de Tora spreekt tegen de ontembare hartstocht. Dit zou ook kunnen betekenen dat de Tora hier gebruik maakt van het bekende fenomeen, dat wanneer iets toegestaan is, het zijn aantrekkingskracht verliest. Zo ook hier: zou een mooie krijgsgevangene voor hem verboden zijn, dan had hij haar juist begeerd. Nu de soldaat weet dat ze toegestaan is, is het ‘plezier er al vanaf’.
Er is een bekend principe in de Talmoed dat ‘brood in de mand’ heet. Wanneer je op reis gaat en je geen eten mee hebt genomen, voel je al heel snel honger. Wanneer je een paar boterhammen in je tas hebt, kan het zelfs zijn dat je de hele reis er geen hap van neemt. Wanneer de Tora het toestaat, zal de bekoring wellicht snel verdwijnen.
“Je zult de os van je naaste of zijn lam niet zien afdwalen en je eraan onttrekken (‘wehitalamta’); terugbrengen zul je ze aan je naaste” (22:1).
Rasji zegt dat het woordje ‘wehitalamta’ hier betekent dat je je ogen dichtknijpt alsof je die verloren dieren niet zag. Je zult hen niet zien, waarvoor je ‘je oog zou sluiten’. Volgens Rasji is dit de eenvoudige verklaring. Maar volgens de Chagamiem betekent het woordje ‘wehitalamta’ (je mag je ogen sluiten) dat je soms je ogen er wel voor mag sluiten, wanneer je bijvoorbeeld oud bent en het niet strookt met jouw eer om die roestige fiets terug te brengen. Of wanneer je een koheen bent en het verloren voorwerp ligt op een begraafplaats (B.T. Bava Metsi’a 30a). ‘Wehitalamta’ kan op twee manieren vertaald worden. Letterlijk staat er – en dat is juist het probleem: je zult het negeren. Maar daarna staat er dat je het direct moet teruggeven. Als je het negeert, kan je het niet teruggeven. De tekst van de Tora is problematisch. Rasji leest de tekst een beetje anders. In plaats van: ’en je zult het negeren’, verklaart Rasji het: ’zie het niet op zo’n manier, dat je het zult negeren’. Dwz.: negeer het niet!
Negeren betekent altijd dat je het eerst gezien hebt. Pas daarna kun je het negeren. Rasji leest de pasoek als volgt: ‘Zie de verloren dieren van je buurman niet, met de bedoeling om ze later te negeren. We moeten het teruggeven’. Maar de vraag blijft. Waarom zegt de Tora niet eenvoudig: jij mag verloren voorwerpen niet negeren? Daarom brengt Rasji een halachische midrasj (halachische hermeneutiek), die eigenlijk de eenvoudigste verklaring is. In de Tora staat namelijk letterlijk: ‘je zult het negeren’. Onze Wijzen gingen op zoek naar situaties waarin de Tora het toestaat om verloren voorwerpen te negeren. Deze midrasj halacha past goed in de pasoek. In feite staat er nu: ‘je mag de verloren dieren van je buurman niet zien dwalen. Je moet ze teruggeven. Soms mag je ze negeren en hoef je ze niet terug te geven’. Het is dus a.h.w. kruiselings geformuleerd: “niet wegkijken, wel teruggeven. Wel wegkijken, niet teruggeven”. De pasoek in zijn letterlijke vertaling ziet er wat onhandig uit. Toch is het tegendeel waar. ‘Je mag verloren voorwerpen negeren’ staat voor de mitsva van het teruggeven aan je buurman. Dit duidt erop dat er omstandigheden zijn waarin je koved of een verbod sterker zijn dan de mitsva van het teruggeven van verloren voorwerpen.
“En als uw broer niet dichtbij u is en u kent hem niet, dan zult u het verloren voorwerp in huis opnemen en het blijft bij u tot uw broeder het zoekt en dan zult u het teruggeven” (22:2).
Rasji vraagt zich af, of we gedacht zouden hebben dat we de verloren voorwerpen al terug moeten geven, voordat degene die het kwijt is het zoekt. Zijn retorische vraag geeft aan dat Rasji aanneemt dat dit niet het geval is. De pasoek wil eigenlijk zeggen dat wij de eigenaar die het verloren voorwerp komt opeisen, onderzoeken moeten of hij geen oplichter is. De pasoek geeft duidelijk aan dat de vinder de verliezer niet kent. Noodgedwongen moet hij wachten totdat de verliezer op komt dagen. Er had simpel in de pasoek moeten staan: wanneer je iets vindt, moet je het teruggeven aan je naaste. Waarom staat er duidelijk bij: ’het moet bij je blijven totdat je broer het zoekt’?
Rasji verandert de betekenis van de woorden: ‘totdat je naaste het zoekt’ totaal. ‘Je naaste’ lijkt onderwerp. ‘Het’ lijkt lijdend voorwerp. Rasji draait het helemaal om. Rasji vertaalt: ’totdat jij (de vinder) je naaste (de verliezer) hebt onderzocht’, met het oog op het verloren object. Je moet natrekken of de verliezer geen bedrieger is, een antecedentenonderzoek houden. Wanneer de verliezer de tekenen kan geven waaraan de vinder kan herkennen dat dit alleen door de eigenaar geweten kan worden, mag hij het verloren voorwerp teruggeven. Toch hadden de woorden van de Tora anders geïnterpreteerd kunnen worden. De Bechor Sjor zegt dat de pasoek wil zeggen: ‘totdat je naaste het zoekt’, maar wij hebben geen verplichting om hem te gaan zoeken. De vinder moet de zaak bewaren. Hij hoeft echter geen advertenties te zetten volgens de strikte letter van de Tora.
In tweede instantie verklaart Rasji dat je verloren voorwerpen terug moet geven, in die zin dat je ook de waarde ervan in het oog moet houden. Het gevonden dier moet niet zijn eigen waarde opeten bij de vinder. Het voeder kan je terug claimen bij de rechtmatige eigenaar. Wanneer dit meer wordt dan de waarde van het dier, verliest de rechtmatige eigenaar alleen maar. Op grond hiervan hebben onze Wijzen het volgende principe afgeleid: ’Alles wat werkt en eet, moet werken en eten. Iets wat niet werkt maar wel eet, zoals schaapjes, moet verkocht worden. Het geld moet dan terug worden gegeven aan de eigenaar’. Rasji legt hier de geest van de wet uit en niet de letter.
3e alija, 22:8-23:7. Op ieder dak moet men een borstwering maken. Wijngaarden mogen niet met twee soorten zaad worden gezaaid. Met rund en ezel samen mag je niet ploegen. Wol en linnen mag je niet samen in één kledingstuk dragen.
”De vader van het meisje en haar moeder nemen haar en brengen de maagdelijkheid van het meisje naar de ouden van de stad, naar de poort”. (22:15)
Rasji legt hier uit dat degene die deze ‘slechte plant’ hebben gevoed, ook de vernedering over haar moeten dragen. Het gaat hier over een meisje die direct na de huwelijksnacht ervan beschuldigd wordt geen maagd te zijn geweest. De ouders van de kalla bewijzen dat ze vroeger maagd was. De kwaadsprekende echtgenoot krijgt een boete van honderd zilverstukken, omdat hij geroddeld over een dochter van Israël. Hij moet voor eeuwig met haar getrouwd blijven, tenzij zij weg wil. Als de vrouw echter ontucht heeft gepleegd na de `verloving’ (kiddoesjien), dat volgens de Joodse wet al een huwelijk is, wordt ze gestraft vanwege ongeoorloofde relaties. Rasji viel op dat hier opeens de moeder vermeld wordt. In de pesoekiem 22:16, 22:19 en 22:21 wordt de vader vermeld. Het feit dat beide ouders, ook de moeder, hun dochter verdedigen is opmerkelijk. De vader is in juridische zin voogd. De moeder in mindere mate. Maar een ding is zeker: beide ouders lijden onder deze schaamteloze vertoning. Het meisje kan nog steeds onschuldig zijn. Waarom meent Rasji dan dat beide ouders de vernedering van hun afwijkende dochter moeten dragen? Misschien is ze onschuldig!
”Waar rook is, is vuur”. Het feit dat dit meisje beschuldigd wordt van een ontuchtige daad, betekent dat ze op een bepaald moment wellicht toch enige aanleiding tot verdenking heeft gegeven. [Natuurlijk zijn er vreemde echtgenoten met volstrekt valse beschuldigingen maar dit betekent zeker niet dat ze schuldig wordt bevonden op basis van `circumstancial evidence’. Dit geldt absoluut niet als bewijs in de Joodse rechtbank].
Toch zal ze in de meeste gevallen, op een of andere manier, aanleiding hebben gegeven tot verdenking. Haar man werd jaloers. Toch zal de man niet zo snel overgaan tot dit soort valse beschuldigingen. Als hij op een leugen betrapt wordt, moet hij een boete betalen en zit hij voor eeuwig vast aan deze vrouw. Hij zal zich wel twee keer bedenken voordat hij zulke leugenachtige woorden uit. Hij moet wel heel zeker zijn van zijn zaak, wil hij dit beweren.
4e alija, 23:8-24. Hier volgen verschillende voorschriften voor reinheid van de legerplaats, de barmhartigheid tegenover een gevluchte slaaf en het verbod op prostitutie (zowel van mannen als van vrouwen). Wij mogen geen rente vragen. Geloften moeten zo snel mogelijk worden ingelost.
“Want Hasjeem gaat temidden van uw kamp om u te redden, en uw vijand aan u over te geven. Uw kamp moet heilig zijn en er mag niets onbetamelijks worden gevonden. Anders zal G’d Zich van u afkeren” (23:15).
Rasji legt uit dat men niet moet lezen dat er geen onbetamelijke zaken gezien mogen worden, maar dat G’d geen onbetamelijke zaak mag zien. Het verschil tussen Rasji en de Targoem van Onkelos is dat de Targoem niets onbetamelijks over G’d wil zeggen. Zelfs de schijn van onwellevendheid wil hij voorkomen. Alles wat menselijk lijkt vermijdt de Targoem Onkelos bij Hasjeem. Het aanschouwen van naaktheid zou door de mensen beschouwd kunnen worden als gebrek aan respect voor Hasjeem. Daarom vertaalt Onkelos het passief: “onbetamelijke dingen zullen niet gezien worden”.
Maar Rasji gaat er van uit, dat de Tora G’d beschrijft met allerlei menselijke eigenschappen. Natuurlijk is de bedoeling alleen dat de mensen de Tora zullen begrijpen. Daarom is Rasji van mening dat men Hasjeems eigenschappen mag vertalen zoals zij in de Tora zelf worden aangegeven.
”U mag een slaaf die zich probeert te redden bij u, weg van zijn heer, niet terug geven aan zijn heer” (23:16).
De vraag is: welke slaaf wordt hier bedoeld? De Mizrachi vertaalt het als een Joodse slaaf van een niet-Joodse heer. Ramban zegt dat het hier gaat om een niet-Joodse slaaf die vlucht van zijn heidense meester: hij wil toetreden tot het Joodse volk. Rasji geeft twee verklaringen. De eerste komt van de Targoem, die de Ramban volgt, dat het hier gaat om een niet-Joodse slaaf die van zijn heidense meester wegvlucht. De tweede verklaring van Rasji komt uit de Talmoed (B.T. Gittien 45a) die stelt dat het gaat om een niet-Joodse slaaf die van een Joodse heer buiten Israël probeert te vluchten. In beide gevallen mag men hem niet terugsturen. De eerste verklaring is een psjat, de tweede verklaring is midrasj.
Waarom is de eerste verklaring een psjat? Omdat vanaf pasoek 10 gesproken wordt over oorlog met heidense volkeren. Dan is het waarschijnlijk dat een heidense slaaf zijn meester ontvlucht om naar Israël te gaan. Het zou kunnen, dat hij gehoord heeft dat de Joden hun dienaren beter behandelden dan de meester uit de eigen omgeving.
Waarom brengt Rasji dan een tweede verklaring? Omdat de eerste verklaring te simpel is. Natuurlijk mogen we een heidense slaaf die wegrent van zijn afgoden dienende heer niet uitleveren aan zijn heer als hij bij ons monotheïsten wil blijven. Dit is zo vanzelfsprekend dat de Tora dat niet hoeft op te dragen. Waarom mogen we volgens Rasji’s tweede verklaring een niet-Joodse slaaf, die vlucht van zijn Joodse heer buiten Israël niet teruggeven? Omdat wonen in Israël niet te vergelijken is met wonen buiten Israël.
5e alija, 23:25-24:4. Tijdens het werken in de wijngaard, mag de arbeider eten van de druiven. Echtscheiden kan alleen met een get.
6e alija, 24:5-13. Eén heel jaar na het huwelijk is men vrijgesteld van het leger om zijn vrouw te verheugen.
7e alija, 24:14-25:19. Het loon van een dagloner moet voor zonsopgang worden uitbetaald. Vaders zullen niet sterven vanwege hun kinderen en kinderen niet vanwege hun vaders. Het recht van een vreemdeling mag niet verbogen worden. Bij het oogsten moet men een aantal gaven voor de armen laten liggen.
Veel van de voorgaande verklaringen zijn gebaseerd op het werk: ‘What’s bothering Rashi?’ van Rav A. Bonchek.
