EKEV (onderweg naar de beloning): Nogmaals brengt Mosjé de mensen onder ogen dat ze, als ze zich houden aan de geboden, gezegend zullen zijn, maar als ze hooghartig zijn, problemen zullen krijgen. Hij brengt hen de zonde van het gouden kalf in herinnering en hoe HaSjeem het volk had willen vernietigen. Het lukte Mosjé G’ds woede tot bedaren te brengen. Weest niet hardnekkig maar dien G’d met heel je hart. Mosjé brengt veel gebeurtenissen in herinnering, ook de Stenen Tafelen van het Verbond. Mosjé legt de nadruk op G’ds goedheid en de wonderen die Hij voor het volk verricht heeft. Ze hebben met eigen ogen gezien wat G’d met de Egyptenaren gedaan heeft. Ook Israël zal worden veroverd met de hulp van HaSjeem.
”Schrijft ze op de deurposten van jullie huizen” (11:20).
De mezoeza benadrukt, dat de Koning op wacht staat. In de Talmoed wordt het volgende verhaal verteld: Onkelos, een neef van keizer Hadrianus, ging over tot het Jodendom. De Romeinse keizer stuurde daarop een legioen soldaten om hem terug te brengen naar zijn oorspronkelijke woonplaats en religie. Onkelos ging met de soldaten in discussie en overreedde hen om toe te treden tot het Jodendom. Daarna stuurde de keizer een nieuw legioen met dezelfde opdracht. Ook dit laatste legioen ging over tot het Jodendom. Uiteindelijk beval de keizer een derde legioen om Onkelos met geweld naar Rome te halen. Zij mochten niet met hem in discussie treden. Terwijl Onkelos naar buiten werd gebracht, passeerden zij de deurpost. Onkelos kuste de mezoeza en lachte. De soldaten vroegen hem waarom hij lachte en Onkelos verklaarde zich nader: “Een koning van vlees en bloed woont in een paleis, terwijl zijn dienaren hem buiten bewaken. Hasjeem echter staat buiten op wacht terwijl zijn dienaren binnen veilig wonen”. Toen de soldaten dit hoorden, gingen zij eveneens over tot het Jodendom.
Hasjeem beschermt degene die een kosjere mezoeza aan zijn deurpost slaat. Een mezoeza moet echter worden vastgemaakt omdat Hasjeem dit heeft opgedragen en niet ter bescherming. Een kwestie van intentie. Aan de buitenkant van het mezoeza-rolletje staat de G’dsnaam Sja-dai geschreven. Eén van de redenen hiervoor is dat het de beginletters zijn van de woorden ‘Sjomeer Daltot Jisraëel’, hetgeen “Behoeder van de deuren van Israël” betekent.
Het woord ‘mezoezot’ heeft dezelfde letters als ‘zaz mawet’ (verwijder dood) wat betekent dat de mezoeza tegen calamiteiten beschermt. Indien een huis wordt getroffen door rampen, moeten de mezoezot zorgvuldig worden nagekeken.
De opstand van het hart
Ongeveer halverwege Bemidbar komt Korach de Leviet in opstand. Nadat het Tabernakel is ingericht wordt bepaald dat de zonen van Aharon kohaniem zijn: de aparte priesterklasse binnen de levietenstam is een feit. Korach, zelf leviet, beschuldigt Mosjé van het eigenhandig instellen van de Wet. Hij ontkent dat de Tora ‘min Hasjamajiem’ (uit de Hemel) afkomstig is en dat Mosjé zijn broer bevoordeelt. Hij, en zijn volgelingen, stellen dat heel Israël gewijd is en dat Mosjé daarom te ver gaat met het instellen van de aparte priesterklasse (Bemidbar 16:1-13). Mosjé stelt een test voor. Zowel Aharon als de volgelingen van Korach moeten reukwerk brengen en G’d zal tonen wie Hij verkiest. Mosjé probeert Korach te overreden met de opstand te stoppen en benadrukt dat G’d Zelf de levieten voor Zich heeft afgezonderd. Mosjé laat Datan en Aviram, twee medestanders van Korach, oproepen. Zij weigeren arrogant.
Korachs discussie
Welke argumenten gebruikte Korach in zijn campagne tegen Mosjé? De Midrasj stelt, dat Korach zijn volgelingen in hemelsblauwe talitot – gebedskleden – hulde en Mosjé vroeg: “Stel, dat een talliet helemaal hemelsblauw van kleur is, moeten er dan nog tsietsiet (schouwdraden) met een hemelsblauwe draad aan worden gehangen?”. Toen Mosjé de vraag positief beantwoordde, werd hij uitgelachen. De tweede vraag van Korach luidde of een huis vol Tora-rollen nog een mezoeza moest hebben. Ook hierop antwoordde Mosjé positief waarop Korach hem verweet al zijn leringen zelf verzonnen te hebben. Achter deze simpele vragen en antwoorden sprongen scholen diepe filosofische meningsverschillen! Wat speelde er op de achtergrond?
Gelijkheidsbeginsel
Korach stelde dat iedereen gelijk behandeld moest worden. Gelijkheid! De hemelsblauwe talliet – die over het hoofd wordt gedragen – symboliseert de Joodse aura, de Jiddisje nesjomme, die we allemaal als een soort allesomvattend zielenlicht hebben meegekregen. Hierin is iedereen inderdaad gelijk. De tsietsiet – schouwdraden – komen hieruit voort en geven aan dat ‘nesjomme’ alleen te weinig is.
Tsietsiet hangen van boven naar beneden en geven aan dat de verheven kedoesja (heiligheid) van de nesjama (ziel) hier op aarde gemanifesteerd moet worden in liefdedaden en mitsvot. Men moet G’d ook dienen met daden, ingegeven door liefde (de witte kleur van de tsietsiet) en kracht (de blauwe draad). De blauwe draad heet techelet dat men ook kan lezen als ‘tacheles’ – `waar het allemaal om draait’. Door het zien van de tsietsiet herinneren we weer de zin en het doel van ons leven.
Emoties centraal
Korach vatte dit niet. Hij meende, dat alleen de emoties telden: ‘G’d wil het hart’. Daarom vroeg hij over een huis vol Tora-rollen. Het huis symboliseert de mens. Als de mens vervuld is van Tora-ideeën, al zijn idealen en gevoelens daarop richt, heeft hij dan ook nog een mezoeza aan zijn deurpost nodig? Ja! Positieve emoties zijn prachtig maar uiteindelijk komt het aan op het doen. Geen woorden maar daden!
Het woord mezoeza komt van de stam zoez, bewegen. Door de mezoeza wordt duidelijk dat onze Tora niet als door een kamergeleerde beleefd moet worden maar ‘eruit moet springen’. Tora en Jiddisjkeit moeten bewegen, dynamisch zijn, uitgedragen worden! Er was een periode in de Joodse geschiedenis waarin als levensfilosofie gold dat je thuis gerust Joods mocht zijn maar dat je buiten je moest `gedragen als de Duitsers’. De mezoeza leert ons, dat wij ons Jodendom overal vol vuur en overtuiging moeten meedragen.
Korachs polemiek is uiterst actueel. Velen voelen zich Joods maar slechts weinigen leven Joods. Hoe vaak horen we niet, dat de Jiddisje nesjomme en het gevoel erbij te horen bepalend zijn. Zeker goed maar niet genoeg. We moeten onze gevoelens omzetten in daden. Pas dan laten we zien waar we voor staan.
De test van overvloed
Het leven is één grote beproeving. Kinderen opvoeden, de gemeente opbouwen, voorzien in levensonderhoud. Stel dat G’d ons onze parnose op een presenteerblaadje zou aanbieden, zouden we dat dan prettig vinden? Misschien wel want wij ervaren dat niet als test. Toch is dat uiteindelijk een behoorlijke beproeving. “G’d gaf u manna te eten in de woestijn om u te testen” (8:16).
Direct na de uittocht begonnen de Joden alweer te klagen (Sjemot 16:3): “Och, dat wij door de hand van G’d in het land van Egypte gestorven waren, toen we bij de vleespotten zaten, volop brood aten. Want U hebt ons in deze woestijn geleid om deze hele gemeente van honger te doen omkomen”. Geen geringe beschuldiging. Toen zei G’d tegen Mosjé: “Zie, ik zal voor u brood uit de Hemel laten regenen (manna). Dan zal het volk uitgaan en zoveel verzamelen als iedere dag nodig is. Opdat Ik het volk op de proef stelle of het al dan niet wandelt naar Mijn Wet”.
Test?
Is dit een beproeving? Heerlijk is het om elke dag verzorgd te worden zonder enige inspanning. Dat is een zegen, zeker geen beproeving. Rasjie legt uit dat de test bestond uit de vraag of men alle voorschriften van het manna in acht zou nemen. Men mocht niets van het manna opslaan voor de volgende dag. Vrijdag moest een dubbele portie worden ingezameld. Verder waren er nog andere regels verbonden aan het manna. Zouden de Joden deze nauwkeurig naleven?
Brood uit de Hemel is inderdaad een behoorlijke beproeving. Als wij rijk worden zonder veel inspanning, betekent dit dat we veel vrije tijd overhouden. Wat doen we met onze vrije tijd? Dat is een modern luxeprobleem! Anno nu herkennen wij ons hierin. Vallen we – doordat we te weinig te doen hebben – voor alle verleidingen?
Rijkdom stelt een mens voor grote verantwoordelijkheden. De Chovot Halevavot – een middeleeuws filosofisch werk van Rabbi Bachja ibn Pakoeda – legt uit waarom wij moeten werken voor ons dagelijks brood. Dieren hoeven dat niet. De mens moet zo hard werken om zijn slechte neiging een beetje onder de duim te houden. Als we te veel vrije tijd zouden hebben, zouden we al die verleidingen niet kunnen weerstaan. Nu zijn we te druk of te moe voor onzin. Maar ondanks alles blijft de zonde op de loer liggen.
Wanneer wij geconfronteerd worden met grote problemen, zijn we opeens allemaal religieus. Armoede en ellende zijn vreselijk. We gaan massaal davvenen, gaan naar sjoel, zeggen Psalmen en huilend geven we tsedaka (liefdadigheid). Maar wanneer alles goed gaat, voelen we G’ds aanwezigheid niet. Dit is de test van rijkdom. Daarom hangt er een mezoeza aan onze rijke woning.
Onveranderlijk
De mezoeza verschijnt aan het eind van de parasja: “En u moet ze schrijven op de deurposten van uw huizen en uw poorten” (11:20). Maimonides legt uit dat de bedoeling van de mezoeza is dat we, elke keer wanneer we een huis binnengaan of verlaten, aan de eeuwige boodschap van de Tora denken. Het drukt ons met de neus op het feit dat niets in deze wereld van permanente waarde is. Zelfs ons huis, het meest vaste onderdeel van ons leven, is ook aan de tand des tijds onderhevig.
Het enige wat blijft, is wat wij doen voor Tora en mitsvot. De mens zoekt onsterfelijkheid. We schrijven boeken, bouwen paleizen om maar op een of andere manier onze naam te vereeuwigen. Maar het werkt niet.
In Bemidbar 32:42 staat dat ene Novach het stadje Kenat veroverde en de plaats naar zijn naam vernoemde. Maar het stadje was geen lang leven beschoren, vertelt de Midrasj. De stad werd verwoest. We willen onze naam vereeuwigen maar meestal lukt dat niet. Alles is aan verandering onderhevig. Niets is permanent. Alleen G’d en de Tora zijn onveranderlijk en van blijvende waarde. Dat is de boodschap van de mezoeza.
