Parsja We’etchanan

WE-ETCHANAN (en ik smeekte): Mosjé herinnert het volk aan de Openbaring op de berg Sinaï, die voor de hele natie bestemd was. Er mag aan de Wet niets toegevoegd of afgenomen worden. Voorschriften moeten iedere generatie opnieuw overgedragen worden. Mosjé geeft een overzicht van de Tien Geboden en draagt op de Wet strikt na te leven: hebt ontzag voor G’d. Mosjé onderwijst Sjema, de centrale gedachte dat er slecht één G’d is. Bezondig je niet aan G’ds verboden, ga geen huwelijken aan met de inwoners van het Land en vernietig hun afgodische hoogten. Want de Bné Jisraëel zijn aan HaSjeem gewijd, ze mogen niet spiritueel vervallen en hun bijzondere opdracht vergeten. Mosjé voorspelt dat de Bné Jisraëel tot zonden zullen vervallen en dan verstrooid zullen worden onder de volkeren, maar uiteindelijk zullen terugkeren.
Koheen, 3:23-4:4. G’d weigert Mosjé’s verzoek om Israël binnen te mogen. Mosjé overziet het Land vanaf de Pisga. Het leiderschap wordt overgedragen aan Jehosjoe’a. Er wordt gewaarschuwd tegen afgoderij. Wij moeten ons aan G’d hechten.

“U zult niks toevoegen aan hetgeen Ik u gebied en u zult er niets van af nemen, in acht te nemen de geboden van Hasjeem” (4:2).

Rasji legt hier uit: “bijvoorbeeld vijf in plaats van vier afdelingen in de Tefillien, vijf plantensoorten bij de palmtak (loelav) en vijf schouwdraden; en zo moet ook verklaard worden: u zult er niets van afnemen”. De Tora wil niet dat wij gaan sleutelen aan de mitsvot. Voeg daar niets aan toe! Hasjeem waarschuwt ons dat wij niet moeten denken dat wij de mitsvot kunnen verbeteren.

De Tefillien bevatten vier stukjes uit de Tora in zwarte doosjes, één op het hoofd en één op de arm. In ieder van de vier Tora-afdelingen staat de mitsva van Tefillien. Men mag niets extra’s in de Tefillienhuisjes leggen. Hetzelfde geldt voor de mitsva van Tsietsiet. Wij moeten daar niet aan toevoegen. Wij moeten de mitsvot niet willen verbeteren. Dan is het zeker zo dat men niets van de mitsvot mag afnemen.

We vinden veel uitbreidingen van en omheiningen rond de Tora. Tosafot (1250) vraagt zich terecht af waarom de vele Sjofar-tonen die wij op Rosj Hasjana blazen niet als toevoeging aan de mitsva worden beschouwd. In feite hoeven wij op Rosj Hasjana slechts negen Sjofar-tonen te blazen. Toch blaast men in alle synagogen tegenwoordig honderd Sjofar-tonen. Waarom wordt dit niet als een toevoeging aan de mitsvot beschouwd? Als wij acht dagen in de soeka zitten, of acht dagen lang matzes eten, is dat uiteindelijk toch een toevoeging aan de voorschriften van de Tora. Waarom overtreden we daarbij niet het verbod van:’Je zult niet toevoegen’.

Het antwoord op deze vraag staat in Tosafot. Men overtreedt het verbod niet door de mitsva twee of meer keer te doen. Men overtreedt dit `toevoegverbod’ alleen door iets essentieels in de mitsva zelf te veranderen. Als men een vijfde soort aan de vier plantensoorten van de loelav toevoegt, is dat een verandering in de mitsva zelf. Hetzelfde geldt voor de inhoud van de Tefillien. Men mag Tefillien elke dag zo vaak leggen als men wil. Maar de inhoud moet gelijk blijven, zoals de Tora voorschrijft. De matza één extra dag eten, op de achtste dag, is geen overtreding van Bal Tossief (voeg niet toe), omdat de mitsva qua structuur in tact is gebleven. Het eten van een matza op de achtste dag of het horen van honderd Sjofar-tonen laat de essentie van de mitsva in tact.

Wat bedoelt Rasji met:”En evenzo moet verklaard worden: u zult niet afnemen”? Het verbod om het aantal mitsvot te verminderen lijkt op het eerste gezicht vreemd. Wanneer het betekent dat wij de verboden van de 613 mitsvot niet mogen overtreden, dan betekent dat niet dat wij van de mitsvot afnemen. Wij overtreden de mitsvot alleen. Als de Tora zegt: ‘gij zult niet moorden’ en iemand luistert niet naar deze opdracht en gaat door met het doden van mensen, overtreedt hij het verbod op moorden. Maar hij vermindert het aantal verboden van de Tora niet.

Maar als we het uitleggen naar de essentie van de mitsva, is dit zeker een belangrijk gegeven. Wanneer men bijvoorbeeld van de vier soorten van de loelav er maar drie mee naar sjoel neemt en daar mee schudt, had men kunnen denken dat men in ieder geval driekwart van de mitsva vervuld heeft. Wellicht krijgt men hiervoor een bepaald religieus krediet. Rasji vertelt ons dat dit niet het geval is. Rasji vergelijkt het verbod van verminderen van de inhoud van de mitsvot met het verbod om daar aan toe te voegen. Rasji benadrukt, dat wij G’d alleen kunnen kennen en dienen door G’d Zelf, door exact Zijn geboden op te volgen. Iedere menselijke vermindering of vermeerdering doet afbreuk aan het zuiver G’ddelijke.

“Daar zullen jullie goden dienen, werk van mensenhanden, van hout en steen, die kunnen zien noch horen, eten noch ruiken” (4:28). Rasji verklaart hierop: “Gelijk de vertaling er van door Onkelos luidt: doordat jullie de heidenen zullen dienen, die afgoden dienen, zal het zijn alsof jullie de afgoden ook dient”.

Waarom kiest Rasji niet voor de eenvoudige verklaring dat de Joden in hun ballingschap in vreemde landen de goden van het land van hun gevangenschap zullen dienen? Waarom wijkt Rasji zover af van de eenvoudige verklaring?

We kijken nu even naar de context: 4: 25:”Wanneer jullie kinderen en kleinkinderen zult voortbrengen en oud geworden zult zijn in het land, en jullie zullen jullie een beeld maken, en het kwade doen in de ogen van Hasjeem, om Hem te tergen. 26. Dan roep ik heden als getuigen tegen u op, de hemel en de aarde, dat jullie spoedig verloren zullen gaan van het land, waarheen jullie de Jordaan overtrekken 27. Dan zal Hasjeem u verstrooien onder de volkeren. Dan zullen jullie overblijven met manschappen die te tellen zijn onder de volkeren waarheen Hasjeem u voert. 28. En u zult daar goden dienen, het werk van mensenhanden”.

Wanneer we de betekenis van deze verzen volgen, zien we dat onze pasoek een deel is van G’ds straf voor het dienen van afgoden. De eenvoudige verklaring kan dus nooit zijn dat de Joden weer afgoden zullen dienen. Dat kan geen straf zijn voor het dienen van afgoden? Daarom zoekt Rasji een andere verklaring voor deze woorden. Het is een vervolg van de moeilijke omstandigheden die de Joden in ballingschap zullen tegenkomen. Als ze hun afgodische heren moeten dienen, worden zij zelf, als het ware, ook afgodendienaren. De heren in ballingschap zijn afgodendienaren. En Israël zal hen moeten dienen als gevolg van het dienen van afgoden zelf. Helaas is deze profetie vaak uitgekomen.

“En je zult herinneren dat je slaaf bent geweest in Egypte en Hasjeem, uw G’d, u vandaar weggevoerd heeft met sterke hand en met uitgestrekte arm; daarom heeft Hasjeem, uw G’d, u geboden de rustdag te vieren” (5:15).

Rasji legt hierbij uit:”Op die voorwaarde heeft Hij u gelost, dat u Hem tot knecht zou zijn en Zijn geboden in acht zou nemen”.
Waarom vond Rasji het noodzakelijk om hier überhaupt een verklaring te geven? De in acht name van Sjabbat heeft te maken met de bevrijding uit Egypte, maar er lijkt weinig verband te zijn tussen beide fenomenen.
Israël werd bevrijd uit Egypte om de mitsvot van de Verlosser in acht te nemen. Wanneer iemand een dienaar bevrijdt en hem later als eigen dienaar inschakelt, kan de nieuwe eigenaar met recht claimen dat de hele reden, dat hij de dienaar heeft losgekocht, was om Hem te dienen.

Hasjeem heeft het Joodse volk bevrijd en heeft het eerste recht op onze aandacht. Waarin was de bevrijding uit Egypte gericht op het dienen van Hasjeem? Waarom is de Sjabbat anders dan alle andere mitsvot?
Sjabbat laat zien hoe Hasjeem anders is dan aardse heren. Wanneer men een dienaar bevrijdt uit de handen van zijn meester, doet men dat meestal om de dienaar zelf in dienst te nemen om zijn werk te doen. Hasjeem is anders.

In Egypte moesten we zeer hard werken. Daarna heeft G’d ons bevrijd om voor Hem te werken. Maar het werken bestaat, tot onze verbazing, uit het houden van Sjabbat. Om te stoppen met alle werkzaamheden!
Alleen daardoor worden wij Zijn dienaren. Juist door te rusten laten wij zien dat wij G’d dienen. Een opmerkelijk fenomeen wanneer wij onze aardse meesters vergelijken met het Opperwezen (zie: Divree Davied) .

Levi, 4:5-40. Mosjé benadrukt nogmaals dat de mitswot in Israël gehouden moeten worden en profeteert dat er een tijd zal komen dat het volk zich zal afwenden van G’d en uit het Land verdreven zal worden. Het volk zal dan G’d weer opzoeken en tot Hem terugkeren. Mosjé benadrukt de speciale relatie met G’d om Hem trouw te blijven. 3e alija, 4:41-49. Mosjé wijst drie vluchtsteden aan op de oostelijke oever van de Jordaan. 4e alija, 5:1-18. Mosjé begint de herhaling van de mitswot met de Tien Geboden. Hij benadrukt dat het Verbond van Sinaï van kracht blijft voor alle komende generaties. 5e alija, 5:19-6:3. Mosjé herinnert het volk eraan dat de mensen bij Matan Tora bang waren om G’ds stem te horen en liever een tussenpersoon tussen G’d en hen hadden. De enige goede omgeving voor een echt Joods leven is Israël. 6e alija, 6:4-25. De verklaring van “Sjema Jisraëel” wordt opgevat als gebod om in de eenheid en uniciteit van het Opperwezen te geloven. We moeten G’d liefhebben en de Tora bestuderen en onderwijzen. We moeten “Sjema Jisraëel” twee keer per dag reciteren, tefillien (gebedsriemen) op de arm en boven het voorhoofd dragen en een mezoeza aan onze deurposten hangen. Wij moeten G’d dienen en zweren bij Zijn naam. We mogen ons niet tot vreemde goden wenden. We moeten luisteren naar de woorden van de Profeten maar we mogen hen niet teveel ‘uittesten’. We moeten de mitswot in acht nemen en ons oprecht gedragen om een goed leven in het Beloofde Land te leiden. 7e alija, 7:1-11. Afgoderij moet uit het Land verwijderd worden. Dit is de basis van ons verbond met G’d, die zorgt voor een balans tussen goed en kwaad.

Voorgaande verklaringen zijn gebaseerd op het werk: ‘What’s bothering Rasji?’ van Rav A. Bonchek.

Reacties zijn gesloten.