Parsja Masee

MASA’EE (tochten): Een lange rij van plaatsen wordt opgenoemd waar de Bné Jisraeel hun kampen opslaan in de 40-jarige woestijntocht. Als ze het Land binnentrekken moeten ze alle bewoners verdrijven en de afgodsbeelden vernietigen. Zo niet, dan zullen ze ‘tot doorns in je vlees worden’. Aharon moet de berg Hor bestijgen, alwaar hij sterft. Nog eens wordt besproken hoe de verdeling van Het Land moet verlopen en ook worden de grenzen genoemd. De Levieten krijgen 48 eigen steden en grond eromheen; zes ervan zijn tegelijkertijd de asielsteden waarheen iemand die per ongeluk een moord gepleegd heeft, kan vluchten. Drie ervan aan de ene en drie aan de andere kant van de Jordaan. Enkele stammen zien in dat, als de dochters van Tselofchad trouwen buiten de eigen stam, ze hun grondbezit mee zullen nemen naar die andere stam. HaSjeem stelt vast, dat de dochters binnen de eigen stam moeten trouwen. Hiermee eindigt het vierde boek van de Tora.
Koheen, 33:1-10. Levi, 33:11-49. Opsomming van 22 plaatsen waar de Joden gelegerd waren gedurende hun tochten door de woestijn.

“Dit zijn de tochten van de kinderen Israëls, die zij vanuit het land Egypte gemaakt hebben onder leiding van Mosjé en Aharon” (33:1).

Waarom werden deze tochten hier opgetekend? Rasji antwoordt dat “deze tochten hier beschreven staan om de weldaden van G’d duidelijk te maken – ofschoon Hij, omtrent de Bnee Jisra’eel, besloten had hen te laten zwerven in de woestijn – men toch niet kan zeggen dat ze uiteindelijk veel gezworven hebben. Ze waren dus niet doorlopend op reis, van tocht tot tocht, gedurende die veertig jaren.

* Ze hadden zeker wel rust, want er waren niet meer dan 42 tochten. Trek daar 14 van af, die alle in het eerste jaar hadden plaatsgevonden, vóór het besluit dat ze veertig jaar in de woestijn moesten dolen. Deze verklaring heb ik ontleend aan het werk van Rabbi Mosjé Haddarshan. Rabbi Tanchoema geeft een andere verklaring en vergelijkt het reizen van de Bnee Jisra’eel met een koning, wiens zoon ziek was. Samen met zijn zoon ging de koning op weg naar een ver ziekenhuis. Toen ze terugkeerden begon de vader al de tochten op te sommen en hij zei tegen hem: hier
hebben we gegeten, hier hebben we geslapen, hier hebben we uitgerust, hier had je hoofdpijn, etc”.

* Rabbi Avigdor Bonchek wijst ons er op, dat Rasji de vraag `waarom moet de Tora al deze reizen opnoemen’ expliciet vermeldt. Hij gebruikt de Midrasj om zijn vraag te beantwoorden. De Tora is geen geschiedenisboek. De reizen waren historisch absoluut juist, maar dat is nog niet voldoende reden om het te vermelden in de Tora. Rasji probeert ons de les te leren die uit deze beschrijvingen spreekt. De zwerftochten door de woestijn waren uiteindelijk toch een straf voor de zonde van de verspieders. G’d wilde de straf matigen. Volgens Rabbi Mosjé Haddarshan heeft G’d het reizen zoveel mogelijk proberen te beperken.

* De verklaring van Rabbi Tanchoema gaat nog verder: niet alleen dat G’d het reizen beperkt heeft maar Hij was als een vader bezorgd om ons welzijn. De Joden waren ziek en verdienden G’ds extra aandacht, als een Vader die, met name, zijn zieke zoon verzorgt. Onze ervaringen samen met G’d in een verafgelegen oord zijn uiteindelijk de basis van onze geschiedenis geworden. De opsomming van de reizen toont G’ds liefde. Het wil een gevoel van dankbaarheid bij ons opwekken om G’ds nabijheid te
blijven zoeken. Ook een negatieve herinnering kan positief geduid worden.

* Wat bedoelt Rabbi Tanchoema wanneer hij zegt dat de vader met zijn genezen zoon terugreist naar huis en op de terugweg alle plaatsen waar ze langsgekomen zijn, opsomt? Waar slaat deze vergelijking op? De oorspronkelijke reis is te vergelijken met de ervaringen van het Joodse volk in de woestijn, met al zijn ups en downs. De terugreis kun je vergelijken met de Joden die al deze reizen nalezen, nadat ze het land Israël waren binnengetrokken. Wanneer men veilig onder zijn wijnstok en vijgenboom zit, vergelijkbaar met de periode na de genezing, leest men het nog een keer na en beseft men hoe dankbaar men moet zijn. Als wij alles teruglezen, worden wij herinnerd aan G’ds liefde en bezorgdheid.

“Ze trokken dan op van Ra’meses in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand. Op de dag na het Pesach-offer trokken de Bnee Jisra’eel weg met de opgeheven hand vóór de ogen van heel Egypte. 4. En de Egyptenaren begroeven, wat Hasjeem onder hen verslagen had, alle eerstgeborenen” (33:3-4).

* Rasji verklaart hier dat de Egyptenaren niet alleen hun doden begroeven maar dat ze verzonken waren in rouw. Wat heeft dit te doen met de reizen van de Joden in de woestijn? Dat de Egyptenaren hun doden begroeven na de tiende plaag mag bekend worden verondersteld. Egypte was bekend om zijn begraafriten, zoals we tot op de dag van vandaag kunnen zien aan de geweldig grote pyramiden. Rasji vindt de vermelding dat de Egyptenaren hun doden aan het begraven waren, daarom problematisch (zie Goer Arje).

* Maar let op de context. De Egyptenaren moesten de Joden laten gaan. De Bnee Jisra’eel vertrokken triomfantelijk uit Egypte, ‘vóór de ogen van de Egyptenaren’. De Egyptenaren waren gepreoccupeerd met andere belangrijke zaken: het begraven van hun doden en het rouwproces. Zij waren te druk bezig met hun rouw, dan dat ze zich druk konden maken over het vertrekkende slavenvolk (vgl. Maskiel leDavid).

3e alija, 33:50-34:15. G’d geeft opdracht om het Land te veroveren en zich daar te vestigen. De grenzen van het Land worden precies beschreven.
4e, 5e en 6e alija, 34:16-35:8. De nieuwe stamleiders worden genoemd die de verdeling van het Land zullen leiden. De Levieten krijgen 48 steden, omdat ze geen land in Israël krijgen. Hieronder vallen ook de 6 vluchtsteden en de 2.000 el rondom iedere stad.

* Een goede milieu-infrastructuur voorkomt veel ellende. Ook de Tora doet aan stadsplanning. Rond de achtenveertig Levietensteden moest een ruimte van duizend el worden opengelaten als noi la’ier – stadsschoon, waar niet gebouwd mocht worden en waaromheen nog eens een gordel van tweeduizend el landbouwgrond gepland moest worden. Volgens Maimonides (1135-1204, Egypte) gold deze bepaling voor alle steden in het Israël. Misschien wilde de Tora ook het ontstaan van gigantische stadsagglomeraties voorkomen. Milieuvervuiling wordt in moderne publicaties overigens veel te technisch behandeld.

* Milieuproblematiek is veel meer een moreel dilemma. Aan de basis van iedere vorm van water-, grond- of luchtverontreiniging staat een onverantwoordelijk individu, dat zijn afval ten laste van de gemeenschap uitstoot en het niets kan schelen welk effect zijn milieumisdrijf heeft, zolang het hem maar uitkomt. De bekende schrijver Aryeh Carmell wijst op een interessante coïncidentie van materiële en spirituele vervuiling, juist in onze dagen. Het is ironisch, betoogt hij, dat de wereldopinie volledig gepreoccupeerd wordt door milieuvervuiling maar er nauwelijks aandacht lijkt te bestaan voor de constante vervuiling van ons morele besef. Dag in, dag uit worden wij gebombardeerd met indrukken van geweld, zedeloosheid en misdaad. Dr. Paul Ehrlich, een van de grootste ecologen uit onze tijd, sprak hierover reeds zijn bezorgdheid uit. Met de Tora in de rechterhand zijn wij in staat onszelf en onze kinderen te beschermen tegen de gevaren van de spirituele vervuiling, die sommige culturen ons opdringen.

7e alija, 35:9-36:13. De vluchtsteden moeten iemand, die per ongeluk een ander gedood heeft, beschermen. Ook een opzettelijke moordenaar kan daar zijn proces afwachten. Men mag een moordenaar niet doden totdat hij veroordeeld is. Iemand die een ander per ongeluk gedood heeft moet naar een vluchtstad toe.. Een moordenaar moet zijn straf ondergaan. Voormannen van de stam Menasjee, waartoe de dochters van Tselofchad behoorden, benaderen Mosjé en stellen dat de dochters van Tselofchad door een huwelijk buiten de stam hun land zouden meenemen naar een andere stam. Dat was alleen in die generatie verboden.

* “Maar één getuige kan niet tegen een ander getuigen” (35:30). Omdat het Jodendom hecht aan een eerlijk, fair proces zijn de formele eisen om tot een veroordeling te komen zeer streng. Zo waren voor een veroordeling minimaal twee getuigen nodig. [Toch werd soms de getuigenis van één getuige wel aanvaard. In agoena-problemen, waarbij de onbestorven weduwe wacht op een duidelijk overlijdensbericht van haar man, kan onder omstandigheden één getuige volstaan met de verklaring, dat hij haar man bijv. heeft zien sneuvelen op het slagveld. Met deze getuigenis zou een vrouw kunnen hertrouwen].

* Deze rechtsregel toont hoeveel belang de Tora hecht aan een hoge kwaliteit van rechtspleging. De Tora gaat er van uit dat een maatschappij zonder rechtssysteem geen lang leven beschoren is. Het voorschrift om een systeem van recht en rechtvaardigheid in te voeren geldt overigens voor iedere samenleving ongeacht de gezindte. De vestiging van een rechtsorde vormt één van de Noachietische geboden, die tot de gehele mensheid gericht zijn.

* De Tora werd in eerste instantie aan een geheel volk gegeven en niet aan individuen. Het hoofddoel van de Tora is niet zozeer het individuele zielenheil maar is veeleer gericht op het inrichten van een rechtvaardige samenleving. Alle aspecten en instanties van een Tora-samenleving moeten doordrongen zijn van een geest van liefdevolle rechtvaardigheid. De Joodse wet schrijft eigenlijk voor, dat, indien men in een onrechtvaardige en corrupte maatschappij leeft en er geen uitzicht op is, dat deze samenleving in de goede richting beïnvloed kan worden, men zo spoedig mogelijk de geboortegrond moet verlaten om een gemeenschap te vinden, die de idealen van de Tora dichter benadert. De continuïteit van de wereld is gebaseerd op rechtvaardigheid. De Chagamiem (Wijzen) zeiden eens: “Hij, die rechtvaardig rechtspreekt, heet G’ds partner in de Schepping”.

* Maar de Tora van liefde is tevens de Tora van gerechtigheid. Zo moet het ook zijn. In een maatschappij, waar onrecht getolereerd wordt, kan liefde niet bloeien. In deze geest benadert de Tora het liberale dilemma. Het resultaat is vaak dat meer consideratie wordt getoond voor de misdadiger dan voor het slachtoffer. De Tora leert, dat een zachte aanpak, die misdaad bevordert, slecht is en dat een harde aanpak van misdaad niet a-priori slecht is. De Chagamiem stelden, dat “Hij die goed is voor wreedaardige mensen uiteindelijk wreed is voor de zachtmoedigen”. Dwang is soms noodzakelijk om crimineel gedrag een halt toe te roepen. In onze ‘permissive society’ blijft dit overigens een groot probleem.

* Het Tora-recht kent overigens een geheel eigen structuur. In een theocratie is iedere heerschappij voorbehouden aan het Opperwezen. G’d kent echter geen verplichtingen. De plichten richten zich op het individu. Mensen zijn tegelijkertijd subject en object van Tora-opdrachten. Door het navolgen van een G´ddelijk gebod volvoert men G’ds wil, wat ervaren wordt als een geloofsdaad.

Verschillende van de voorgaande verklaringen zijn gebaseerd op het werk: ‘What’s bothering Rasji?’

Reacties zijn gesloten.