Parsja Korach

Korach, Datan en Aviram en nog 250 man rebelleren tegen het leiderschap van Mosjé en Aharon. G’d wil de hele gemeenschap vernietigen maar laat alleen de aanstichters verdwijnen. De hele gemeenschap neemt dit Mosjé en Aharon kwalijk. G’ds woede ontbrandt en er breekt een plaag uit. Zeer velen sterven. Aharon doet verzoening voor hen, waarna de plaag ophoudt. Op bevel van G’d brengt elke stam een staf met de leiders naam naar het Heiligdom. De volgende morgen bloeit de staf van Aharon, waarmee zijn priesterschap is bevestigd. Kohaniem en Levieten worden verantwoordelijk gesteld voor de goede gang van zaken in het Heiligdom. De taken worden vastgelegd. De eerstgeborenen van mensen en van reine dieren zijn voor de Kohaniem; de eerstgeboren jongens bij de mensen moeten gelost worden, evenals de eerstgeboren ezel. De stam Levie krijgt geen land maar ontvangt de tienden van het volk. Hiervan geven zij weer een tiende aan de Kohaniem.
Koheen 16:1-13. Mosjé stelt een test voor. Zowel Aharon als de volgelingen van Korach moeten reukwerk brengen en G’d zal tonen wie Hij verkiest.

Bij de opstand van Korach worden Datan en Aviram met naam genoemd, terwijl de 250 hoofden van stammen en gerechtshoven anoniem blijven. Datan en Aviram waren uit op ruzie. De overige 250 rebellen wilden alleen wat extra koved. Daarom blijven ze anoniem. Maar Datan en Aviram waren uit op het bloed van Mosje; dat is bijzonder laakbaar. Daarom worden ze apart vermeld.

Mosje was de nederigste van alle mensen (12:3). Toch werd hij beschuldigd van: ’waarom verheffen jullie je boven G’ds gemeente’ (16:3). Als men iemand aanvalt, laat men geen middel onbeproefd. Ook al is voor iedereen duidelijk dat het niet waar is, toch krijgt men verwijten naar het hoofd geslingerd die kant noch wal raken. Mosje werd zelfs beschuldigd van overspel (B.T. Sanhedrien 109a).

Tora-leiders voerden nooit campagne om gekozen te worden. Het volk zelf voelt aan wie hun voormannen zijn. Korach greep naar de macht maar werd jammerlijk verzwolgen door de aarde. Leiderschap moet van Boven komen. G’d moet er achter staan. Anders is het gedoemd te mislukken. Hoewel Korach zelf levie was en een neef van Mosje, meende hij dat Mosje zijn eigen familie voortrok. Hij was oprecht verontwaardigd.

De Tora begint de episode van Korach met de opmerking ‘hij nam’, dat door Rasji wordt uitgelegd als: hij nam zich naar één kant om afgescheiden te raken van de gemeente en problemen te maken over het priesterschap. De rebellen hadden als enig gemeenschappelijk doel Mosje van zijn troon stoten. Onderling waren ze zwaar verdeeld.

Hilleel en Sjammai hadden vaak meningsverschillen maar dat was niet voor hun eigen eer maar om G’ds eer te verheffen. Korach en zijn volgelingen worden in Pirkee Avot gezien als het typische voorbeeld van tweedracht. Hilleel en Sjammai hadden een meningsverschil op grond van zuivere overtuigingen, zonder persoonlijke eerzucht. Ze hadden alleen maar de zege van de G’ddelijke waarheid op het oog. Maar de machloukes van Korach werd alleen uit persoonlijke afgunst en eerzucht geboren en zocht slechts vernedering van de door G’d aangewezen leiders (5:20).

De Misjna vermeldt niet dat Korach en Mosje een meningsverschil hadden. Er staat alleen: Korach en zijn aanhang. Korach en zijn rebellenclub hadden onderling enorme meningsverschillen. Iedereen was bezig voor zijn eigen koved. Iedereen wilde zelf Mosje zijn.

Korach zonderde zich af. Waarvan? Door afscheiding van de gemeente maakte hij zich los van de traditie. Het Jodendom is een opeenvolgende generatieketen vanaf het begin van de wereld tot de tijd van de Masjiach. Wanneer één generatie ontbreekt, is de keten gebroken. Korach meende zijn eigen nieuwe Jodendoms-b.v. te kunnen starten. Een ware Joodse leider wil alleen dat G’ds wil vervuld wordt. Voor hem is het niet interessant wie de uitvoerder van de G’ddelijke besluiten is. Maar Korach wilde zelf schitteren. Hij stond in zijn eigen beleving centraal. Daarom maakte hij zich los van het Joodse volk dat voornamelijk gericht is op het uitvoeren van G’ds wil.

In Korachs afstamming wordt Ja’akov niet vermeld. Ja’akov had gedavvend, dat zijn naam niet vermeld zou worden bij deze machloukes. Ons lichaam is opgebouwd uit de genen van onze voorouders. Ook onze geest bestaat uit spirituele voorouderlijke genen. Wanneer wij geestelijk de mist ingaan, bezoedelt dit alle reminiscenties van de voorouderlijke zielen. Als wij zwaar zondigen, worden al onze geestelijke bronnen afgesneden en kunnen wij niet eens meer tot inkeer komen.

Alleen wanneer onze voorouderlijke spiritualiteit onaangetast blijft, kunnen we weer inhaken en geestelijk gereanimeerd worden. Dat was het gebed van Ja’akov. Hij hoopte buiten dit meningsverschil te blijven. Daardoor zouden Korach en zijn kinderen terug kunnen keren in het Joodse volk. Korach is dat niet gelukt. Hij werd verzwolgen door de aarde. Maar zijn kinderen stonden honderden jaren later op de doechan Tehilliem (psalmen) te zingen in het voorhof van de Tempel. En bij deze verdienstelijke afstammelingen van Korach staat de naam van Ja’akov in hun genealogie wèl vermeld (Kronieken 1:6:22-23).

Machloukes met de Rebbe
Korach maakt machloukes met zijn neef, leraar en Rebbe Mosje. De afloop was triest. Hij ging letterlijk `down the drain’. In het Jiddisj zeggen ze:’tief teier in die ert arein’. Leren we hier uit, dat men geen ruzie mag maken met zijn Rebbe? Maimonides neemt aan van wel: ”Men is verplicht zijn Rebbe te eren en te vrezen, zelfs meer dan zijn vader. Je vader brengt je alleen op deze wereld, terwijl je Rebbe je Tora leert en je de Toekomstige Wereld schenkt. Eerbied en ontzag voor de Rebbe is de hoogste vorm van eerbied en ontzag: eerbied voor de Rebbe moet zijn als de kowed voor de Hemel”.

Men mag zelfs niet paskenen (halachische beslissingen geven) in aanwezigheid van zijn Rebbe: ”Iedereen die paskent bij zijn Rebbe is de doodstraf schuldig”. Wanneer de leerling zich op een afstand van 12 mijl van de Rebbe bevindt en iemand hem een halachische vraag stelt, mag de leerling deze beantwoorden. Om iemand van een verbod af te houden, is paskenen zelfs toegestaan in aanwezigheid van de Rebbe. Er een eigen `paskenpraktijk’ op na houden is echter verboden, zelfs wanneer de leerling aan het andere eind van de wereld woont, tenzij hij toestemming heeft van zijn Rebbe (ikzelf heb mijn Rebbes toestemming gevraagd te mogen paskenen).

Nadat Korach, Datan en Awiram door de aarde verzwolgen waren was het duidelijk wie de koning was. Aharons Hogepriesterschap werd bevestigd door de dood van 250 man. Toch bleven er mensen op eerherstel voor de eerstgeborenen aandringen. Na de zonde van het gouden kalf was de Tempeldienst niet meer het privilege van de eerstgeborenen van alle stammen maar de specialiteit van de stam Levi.

Toch wilde iedereen een deel hebben in de Tempeldienst. Daarom volgde nog een test.
G’d gaf Mosjé opdracht om twaalf stokken te pakken. Aharons naam kwam op de stok van de stam Levi. Alle stokken werden uit één boom gesneden om te voorkomen dat de ene stam zou claimen dat de stok van de andere stam bloesemde omdat daar meer vocht in zat. De stokken werden in de Tent der Samenkomst geplaatst met Aharons staf in het midden. Zo kon niemand mopperen, dat Aharons staf bloeide omdat hij het dichtst in de buurt van G’ds Aanwezigheid lag.

De volgende ochtend bleek Aharons staf te bloeien. Er groeiden bladen, bloesems en amandelen aan. Ook stond G’ds vierletterige naam gegraveerd in Aharons stok, gelijk in de voorhoofdsband van de Hogepriester. Dit was een duidelijk teken dat Aharon was verkozen als Hogepriester om de voorhoofdsband (tsiets) te dragen. De staf van Aharon verwelkte nooit. Mosjé moest het naast de Heilige Arke plaatsen als bewijs voor alle toekomstige generaties, dat de stam Levi was uitverkoren voor priesterschap en levietendom (vlak voor de verwoesting van de Eerste Tempel verborg koning Josjiahoe de staf van Aharon met alle andere heilige voorwerpen, zodat die niet in de hand van de vijand zouden vallen).

Het meningsverschil met Korach had overigens nog een positief neveneffect. G’d sloot met de stam Levi een verbond dat bevestigde, dat de kohaniem voor eeuwig vierentwintig gaven van het Joodse volk zouden ontvangen voor hun levensonderhoud.

Waarom was dit extra wonder van de bloeiende staf van Aharon nog nodig? Tot nu was de uitverkiezing van de stam Levi op een negatieve manier aangetoond, met straffen en een verterend vuur vanuit de Hemel. Maar met geweld kan men zelfs de zwakste partij niet overtuigen. Vaak roept dit wraakgevoelens op. De staf van Aharon die eerder andere staven aan het hof van Pharao had verslonden, bloeide nu: “Niet door geweld maar met liefde”. Zo overtuigt men de tegenstanders.

Waarom was er zoveel ruzie?
Korach meende dat Mosjé Rabbenoe de vervanging van de bechoriem (eerstgeborenen) door de Levie’iem uit zijn duim gezogen had, omdat hij zijn eigen stam wilde voortrekken. Ook de zonen van Kehat, die de meest nabije familieleden waren van Mosjé Rabbenoe, werden voorgetrokken. De Levie’iem vonden het minder prettig dat zij moesten dienen onder Aharon en zijn zonen. Datan en Awieram vonden het vervelend dat het eerstgeboorterecht van de stam Re’oeween overging naar de stam Joseef. Beide kinderen van Joseef, Efraïm en Menasjé, kregen een deel in het land Israël alsof Joseef eerstgeboren was. Men vreesde dat Mosjé Rabbenoe de stam Joseef in Efraïm voortrok omdat Jehosjoe’a, zijn dienaar, afkomstig was van de stam Efraïm. De “voornamen” van de gemeente en Korach waren allemaal bechoriem (eerstgeborenen) en daarom namen zij deel aan de test met de vuurpannen. Dit is de opvatting van Rabbi Awraham ibn Ezra (13de eeuw).

Maar Nachmanides (14de eeuw) opponeert en stelt, dat de opstand van Korach ontstond na het spionagedrama. Inderdaad was Korach jaloers over de aanstelling van Elitsafan en was hij ook afgunstig op de verheven positie van Aharon, de Hogepriester maar het ging de opstandelingen, zoals Datan en Aviram, niet zozeer om het eerstgeboorterecht. Dit was al een paar honderd jaar eerder door Ja’akov, onze Aartsvader weggenomen van Re’oeween en aan Joseef gegeven.

Oorspronkelijk hadden de Joden in de woestijn niets te klagen. Zelfs na de zondeval bij het gouden kalf waren er relatief maar weinig doden te betreuren omdat Mosjé Rabbenoe voor het volk gedawwend had. Vanaf dat moment hielden de Joden bijzonder veel van Mosjé Rabbenoe en als iemand maar tegen hem in opstand was gekomen, hadden ze hem gestenigd. Daarom kon iedereen ook wel begrijpen dat de familie van Mosjé, de Levieten, zo’n voorname plaats innamen.

Maar toen ze in de woestijn Paran aankwamen, vielen er vrij veel doden bij de verschillende zondige incidenten. Toen het volk ook nog meeging met de verspieders, heeft Mosjé niet meer voor hen gedawwend (gebeden) en moest iedereen sterven in de woestijn. Velen stierven of zouden nog sterven door dit drama. Iedereen voelde zich vreselijk depressief. Toen greep Korach de gelegenheid aan om in opstand te komen tegen Mosjé. Een deel van het volk ging met hem mee, omdat ze zouden sterven in de woestijn en omdat Mosjé Rabbenoe zijn belofte dat hij hen zou brengen naar een land van melk en honig niet gestand had gedaan. Degenen die in opstand kwamen, waren vooral de eerstgeborenen. Ze voelden zich ook nog aangetast in hun kowed (eer) omdat zij hun speciale status hadden verloren. Daarom zei Mosjé Rabbenoe: “Neem de vuurpannen, zoals jullie vroeger gewend waren bij de offerdienst en we zullen zien wie G’d zal uitkiezen als Zijn kohaniem”.

De Talmoed (B.T. Sanhedrien 110a) stelt: “Iedereen die het oneens is met zijn Rebbe wordt het aangerekend alsof hij het oneens is met de Sjechina, de G’ddelijke Aanwezigheid, zoals er geschreven staat “toen zij in opstand kwamen tegen G’d” bij de episode van de opstand van Korach (26:9)”.

Rasjie legt uit, dat het Korach en zijn aanhang wordt aangerekend alsof zij direct tegen G’d in opstand kwamen. Het gaat zelfs zover dat de Talmoed stelt, dat “iedereen die zich beklaagt over zijn Rebbe, is alsof hij zich beklaagt over de Sjechina en iedereen, die bedenkingen heeft tegen zijn Rebbe, het wordt aangerekend alsof hij bedenkingen heeft tegen G’d”.

Maimonides neemt dit ook over in zijn codex:”Gelijk iedereen verplicht is om zijn vader te eren en te vrezen, is men ook verplicht zijn Rebbe te eren en te vrezen, zelfs meer dan zijn vader. Dit is zo omdat je vader je alleen op deze wereld brengt, terwijl je Rebbe je Tora leert en je de Olam Haba – de Toekomstige Wereld – schenkt.

Reacties zijn gesloten.