Toen de tijd gekomen was voor ’t Pesachoffer bleken sommige mannen onrein. Zij krijgen verlof voor een inhaalmogelijkheid, het Pesach sjenie. De stammen trekken op of blijven op hun plaats als de wolk of de vuurzuil optrekt of pas op de plaats maakt. Het optrekken geschiedt volgens een vastgestelde volgorde. Er moeten twee zilveren trompetten gemaakt worden. Alle verschillende tonen hebben een speciale betekenis.
Bij het vertrek richting Israël vraagt Mosjé zijn schoonvader mee te gaan. Jitro wil echter naar zijn eigen land terugkeren. Als het volk klaagt omdat ze geen vlees kunnen eten en het Egyptische menu in de herinnering roept, breekt een Hemels vuur uit. Mosjé is wanhopig en beklaagt zich om de zware last die het volk op hem legt. HaSjeem besluit de leiderslast te verdelen over 70 oudsten.
Het volk wordt beloofd dat ze een maand lang vlees zullen eten, totdat het hun neus uitkomt omdat ze G’d versmaad hebben. Inderdaad komen geweldig veel kwartels neer maar de G’ds woede treft het volk zwaar.
Mirjam spreekt met haar broer Aharon kwaad over Mosjé; HaSjeem maakt duidelijk dat Hij direct met Mosjé, een zeer bescheiden mens, spreekt. Mirjam wordt melaats en Mosjé dawwent (bidt) voor haar.
►Wat is de les van Pesach sjenie? Over deze inhaalmogelijkheid voor het Pesachoffer stelt de Tora: het is nooit te laat !
“Ieder mens, wanneer die onrein of op verre weg zal zijn, moet een Pesach voor HaSjeem maken, in de tweede maand op de veertiende” (9:10-11). In Sefer Hachinoeg wordt uitgelegd, dat men niet alleen gerechtigd is tot een tweede Pesach wanneer men onrein was of ver weg. Ook wanneer men per ongeluk of zelfs opzettelijk heeft nagelaten het eerste Pesach te brengen, mag men dit op het Pesach sjenie – het tweede Pesach inhalen (B.T. Pesachiem 93a).
►Een van de achtergronden van deze mitswa is, dat het Pesach-offer een duidelijk teken is voor alle wereldburgers, dat de wereld vanuit het niets geschapen werd.
Bij de uittocht uit Egypte deed G’d voor ons duidelijke wonderen en heeft Hij ten overstaan van vele volkeren ingegrepen in de natuur. Alle wereldburgers hebben gezien, dat G’ds invloed en macht zich zelfs uitstrekken over deze lage, materiële aarde. Bij de uittocht uit Egypte geloofde iedereen weer, dat G’d de wereld had geschapen.
►Dat de wereld nieuw is, vormt een belangrijk geloofsfundament. Daarom wilde G’d een inhaalmogelijkheid. G’d wilde niet, dat wij door oponthoud of overmacht hier niet aan zouden kunnen deelnemen. Daarom biedt Hij ons een inhaalmogelijkheid in de tweede maand, 14 Ijar. Omdat besef van G’ds almacht zo essentieel is, is ook iemand die tussen de eerste en de tweede Pesach Bar mitswa of Joods wordt verplicht om deze mitswa van Pesach sjenie te vervullen.
►Er zijn nogal wat verschillen. 14 Nisan mogen wij geen chameets (gerezen produkten) meer in ons bezit hebben maar op 14 Ijar mag chameets samen met matsa bij ons thuis liggen. Pesach sjenie duurt maar één dag en kent geen werkverbod, terwijl de eerste Pesach zeven dagen duurt en er een strikt werkverbod is op zowel de eerste als de zevende dag. Op de eerste Pesach moet er Halleel – een loflied uit Tenach – worden gezegd bij het eten van het Pesach-offer maar bij Pesach sjenie hoeft dit niet. Bij het klaarmaken van het Pesach-vlees echter moet bij beide Halleel wordt gezegd. Het Pesach-vlees wordt in beide gevallen gebraden gegeten, met matsot en maror en het schuift de Sjabbat-verboden terzijde. Bij beide Pesach-offers mocht men niets van het offer overlaten en geen botten breken.
►Over de verhouding tot het eerste Pesach bestaan er drie meningen
Men kan stellen, dat Pesach sjenie geen inhaalmanoeuvre is. Het is geen rectificatie maar een feest op zichzelf. De Tora zegt, dat er een nieuwe verplichting ontstaat op 14 Ijar voor degenen, die de eerste Pesach, op 14 Nisan, nog geen offer gebracht hadden. Daarom is ook niet zo relevant om welke reden men Pesach sjenie viert. Een tweede mening stelt dat Pesach sjenie slechts een inhaalmanoeuvre is voor nalatigheid bij de eerste Pesach. Wanneer men het eerste Pesach-offer heeft nagelaten, is men in feite al straf schuldig. De straf blijft echter latent tot men het nagelaten eerste Pesach heeft ingehaald door bij Pesach sjenie een offer te brengen. Wanneer men dus per ongeluk of zelfs door overmacht gedurende Pesach sjenie geen offer heeft gebracht, blijft men schuldig. Men was de straf namelijk feitelijk al verplicht vanaf het moment, dat men geen offer bij het eerste Pesach had gebracht. Een derde opvatting meent, dat Pesach sjenie geen inhaalmanoeuvre is. Het is slechts een rectificatiemogelijkheid. Het is de laatste mogelijkheid om nog een korban (offer) voor Pesach te brengen.
HaSjeem wilde zijn volk alle gelegenheid bieden om deze verheven mitswa te vervullen. Het is aan ons om onze religieuze kansen te benutten in deze prachtige wereld, die G’d voor ons schiep met zijn vele ontplooiingsmogelijkheden voor ieder individu…
►Vier lessen trekken we uit Beha’alotecha.
Vorige week – in Naso – werd beschreven hoe de Nesi’iem (voorzitters) van de stammen het Misjkan (Heiligdom) inwijdden met hun offers. Eén nasí moest toekijken. Dat was Aharon, voorzitter van de stam Levi, die geen offers bracht bij de inwijding. De stam Levi mocht niet meedoen. Aharon meende dat G’d hem de zonde van het gouden kalf nog niet vergeven had. De stam Levi was in mineur. Maar G’d had voor hem een andere erebaan in gedachten had. Hij zou de mitswa krijgen van het prepareren van de Menora. G’d troostte Aharon: “Wees niet treurig! Voor jou heb ik een mitswa, die groter is dan alle andere offers. Jouw achterkleinkinderen, de Makkabeeën zullen voor eeuwig het Chanoekafeest instellen, terwijl de chanoeka (inauguratie) van de stamvoorzitters slechts een éénmalige zaak is”. Het feit, dat Aharon het als een gemis ervaarde niet te mogen meedoen met een mitswa is op zich al een opsteker! We mogen niets missen van de mitswot, die we tegenkomen!
►De drie treden voor de Menora leren ook een les.
Mosjé begreep eigenlijk niet waarom er een Menora (lamp) nodig was in de Tempel. Elke keer als hij de Tabernakel betrad, zag hij een groot spiritueel licht. G’d heeft uiteraard ons licht niet nodig. Hij is het licht van de wereld. Waarom moesten wij dan toch een Menora aansteken? Omdat het enige wat telt is, dat wij bereid zijn om G’ds geboden op te volgen. G’d wil ons gevoel! Hoewel we dat altijd in daden moeten omzetten (het jodendom is een doe-religie) gaat het om gevoelens èn daden! Om echte `lichtende’ mitswot te produceren, moeten we over onze laagste gevoelens heenstappen. Voor de Menora stond een opstapje van drie treden. Voordat Aharon de Menora aanstak, moest hij op dit trapje staan. In Spreuken der Vaderen (4:21) staat dat ‘jaloezie, passie en eerbejag de mens uit deze wereld kunnen verdrijven’. De Tora leert ons dat wanneer wij het licht van de Tora willen verspreiden, wij onze afgunst, lust en eerbejag moeten overwinnen.
►De derde les is van de leidende wolk.
De Joden in de woestijn volgden G’ds wolk. Daar nooit te voorspellen was hoelang men op een bepaalde plaats zou blijven, betekende elke stop van de wolk dat men moest uitpakken met het risico dat men de volgende dag weer moest inpakken en vertrekken. Dit reizen was een behoorlijke test. Was het Joodse volk bereid G’d overal te volgen? Soms wilden ze, aangekomen op een prachtige plaats, veel langer blijven. En uit een onherbergzaam oord wilden ze veel sneller weg. De Tora is een les voor eeuwig. Het leert ons, dat we niet altijd weten waar onze galoet (ballingschap) ons heenvoert.
►Van Mirjam leren we de vierde les
Een dankjewel laat soms lang op zich wachten. Aan het einde van de sidra wordt Mirjam melaats omdat ze – overigens positieve – klachten had over haar broer Mosje. Mirjam moest zeven dagen het kamp uit maar het hele volk bleef op haar wachten totdat ze weer genezen was. Dit was een beloning omdat ze ooit een uurtje gewacht had bij haar broer Mosjé die in de Nijl werd neergelegd in een biezen mandje. Waarom ze nu pas beloond werd? Omdat G’d aan Mirjam, na haar klachten, duidelijk maakte wat voor een bijzonder mens Mosjé was: “In heel Mijn huis is hij vertrouwd”(12:7). Pas nu realiseren we ons wie Mosjé eigenlijk was. G’d Zelf getuigde dat er niemand ooit het niveau van Mosjé zou halen. Haar wachten, tachtig jaar geleden, bleek nu van groot nationaal belang!
“De man Mosje was erg nederig, meer dan alle mensen, die op de oppervlakte van de aarde leefden”(12:3). Het winnen van “de prijs voor de nederigste mens op aarde” en aangesteld worden als leider over een volk zijn twee eerbewijzen, die normaliter niet hand in hand gaan. Toch krijgt Mosjé beide titels in de sidra van deze week.
►Trots? Men zou verwachten dat Mosjé een beetje trots zou worden vanwege het enorme eerbetoon en zijn heel bijzondere positie in de joodse geschiedenis. Maar dit gebeurt allemaal niet. In de Tora wordt verteld dat Mosjé niet alleen nederig was, maar dat hij de nederigste man op aarde was. Het woord anaw (nederig) komt maar één keer in de Tora voor. Dit duidt er op dat Mosjé uniek in zijn bescheidenheid was. Misschien had G´d het niet nodig gevonden om Mosjé’s kwaliteiten te benadrukken als Mirjam en Aharon hun broer niet enigszins minachtend hadden besproken. Toen de positie van Mosjé als leider en nawie (profeet) ter discussie werd gesteld, werden Mosjé’s voortreffelijke eigenschappen voor het voetlicht gehaald: Mosjé is de grootste van alle profeten – de enige die met G’d van aangezicht tot aangezicht spreekt. Bij Mirjam en Aharon is dit anders, zij konden G’d alleen in visioenen en dromen waarnemen. Mosjé is bovendien ook nog de nederigste mens op aarde.
►De diepgang van zijn nederigheid zien we in de reactie van Mosjé op de kritiek van zijn oudere broer en zuster. De tachtigjarige leider van de Exodus verdedigt zich niet door al zijn verdiensten en successen op te sommen. Mosje aanvaardt de beledigingen in stilte en buigt zijn hoofd geduldig. G’d moet ingrijpen om Mosjé te verdedigen als ongeëvenaarde profeet.
►Meer dan een gebogen hoofd !
Hoe is het mogelijk dat iemand die constant in de buurt van het Opperwezen verkeert, werkelijk nederig en bescheiden blijft?
Mosjé was er ongetwijfeld van doordrongen dat hij het verder gebracht had dan zijn medemensen. Kennelijk betekent nederigheid veel meer dan alleen maar een gebogen hoofd. Hilleel, de grote geleerde die bekend stond om zijn buitengewone geduld en zachte medemenselijkheid, placht uit te roepen: “als ik hier ben, is iedereen hier”. Uit dit citaat blijkt, dat trots niet alleen mag maar zelfs prijzenswaardig zou zijn.
Dat is niet zo. De profeet Jeremia zegt heel duidelijk dat de Wijzen zich niet moeten beroemen op hun wijsheid, de machtigen zich niet moeten wentelen in hun kracht en de rijken zich niet moeten laten voorstaan op hun rijkdom:“Maar zij die zich ergens op willen beroemen, laten zij zich beroemen op het feit dat zij Mij kennen en nabij zijn, dat ik G´d ben” (Jeremia 9:22).
Je eigenwaarde kennen is geen uiting van trots. In de Tora staat de vers: ”Mijn dienaar Mosjé is vertrouwd in heel Mijn huis. Met hem spreek ik van mond tot mond – open en niet in nevelen gehuld…” (Bemidbar 12:7,8) dicht bij het vers waarin Mosjé’s nederigheid beschreven wordt, wat een teken is dat beide eigenschappen met elkaar in verband staan.
Zou Mosje inderdaad veel tijd hebben doorgebracht met koningen, keizers, admiraals, Farao’s en eminenten, dan zou zijn ego wellicht gelijk met zijn politieke carrière gestegen zijn. Maar dit was niet het geval. Omdat Mosjé zijn dagen in aanwezigheid van G’d doorbracht, waren zijn waarden en normen anders.
Als “kind aan huis” verkeerde hij constant in G’ds aanwezigheid en werd hij continu blootgesteld aan G’ds oneindigheid. Hierdoor wordt Mosjé steeds nederiger in plaats van steeds trotser. Meer dan wie ook begreep hij hoe klein hij was en hoe groot G’d en Zijn verwachtingen. Sjabbat sjalom!
