Parsja Bemidbar

BEMIDBAR (in de woestijn). Bij telling blijken er meer dan 600.000 mannen van 20 jaar en ouder te zijn. De Levieten worden apart geteld: vanaf één maand. Het vervoer van het draagbare Heiligdom is hun taak. De stammen worden in een vierkant gelegerd rondom het Heiligdom: drie stammen per windrichting, ieder met zijn eigen banier. Zo moeten ze ook optrekken. De stam Levi wordt rondom het Heiligdom gelegerd; de stam Joseef wordt verdeeld in Efraïm en Menasjé. De rol van de eerstgeborenen wordt overgenomen door de Levieten omdat zij het gouden kalf niet hadden gediend. De Levieten worden verdeeld in de drie belangrijkste families: de Gersjonieten, de Kehatieten en de Merarieten. De draagtaken van de onderdelen van het Misjkan worden verdeeld.
Bemidbar 1:1 3: “G d sprak tot Mosje in de woestijn Sinai, in de Tent der Samenkomst op de eerste dag van de tweede maand, in het tweede jaar van hun uittocht’.

Als in een ketoewa (huwelijksakte)
Een interessante verklaring waarom hier aan het begin van Bemidbar een specificatie van de datum staat terwijl G’d honderden keren sprak met Mosje zonder opgave van plaats en tijd, luidt dat hier de uitverkiezing van het Joodse volk gestalte kreeg. Het Joodse volk ging een eeuwige relatie aan met G’d en daarom wordt de exacte datum vermeld als in een huwelijkscontract (ketoewa). Waarom gebeurde dit nu pas? Na de oprichting van het Misjkan (de Tabernakel) kregen de Joden precies te horen hoe zij zich moesten legeren per stam en welke vlag iedere stam zou krijgen. Op deze manier wist iedereen precies waar hij bij hoorde en werd het volk geschikt gemaakt voor de aanwezigheid van de G’ddelijke Majesteit. De specifieke en speciale manier waarop het Joodse volk gegroepeerd was, kwam overeen met de opstelling van de Engelen rond G’ds Troon. Dit betekent, dat wij ons aardse doen en laten volledig afstemmen op de Hemelse wensen. Gelijk de Engelen rond G’d staan, ‘klikken’ de Joden in op de Hemelse sferen en groeperen zij zich hier op aarde rond het aardse Misjkan naar Hemels model. Het is de taak van het Joodse volk het aardse te doen aansluiten op het Hemelse.

Verschillende tellingen
Het Joodse volk heeft verschillende tellingen gekend. Op weg naar Egypte werden er zeventig zielen geteld. Na de uittocht uit Egypte waren er zeshonderdduizend mannen. Na de zonde van het Gouden Kalf op 11 Tisjri 2448 werden 603.550 mannen geteld en op 1 ljar 2449 werden ook 603.550 mannen tussen de twintig en de zestig geteld. Er waren evenveel afgevallen als bijgekomen. Wanneer een mens telt, berekent hij de kwantiteit. Het getal duidt enkel op de getalswaarde en niet op het belang van de getelde zaken. Alleen een Hemelse telling is een ware telling. Deze telling is dan ook kwalitatief gericht en is daarom van groot belang. “Het Joodse volk wordt vergeleken met korrels graan. Hoe zit het met graankorrels? Die worden gewogen binnengebracht, zo ook zegt G’d: Het Joodse volk moet ieder moment geteld worden”. Verschillende verklaarders vragen zich hierbij af: wanneer een mens zijn hoeveelheid graan meet, dan doet hij dat om te weten hoeveel graan hij in zijn schuur heeft of omdat dit een financieel belang dient. Maar G’d kende het getal van de kinderen Israëls ook zonder ze te tellen. Waarom heeft Hij ze dan opnieuw laten tellen?
Door tellen wordt men belangrijk. Men wordt een `getelde zaak’ en die gaat nooit op in de meerderheid (dit is een halachisch begrip). De telling was belangrijk als symbool tegen de assimilatie. Het tellen van het Joodse volk duidt op het belang daarvan, zodat zij niet zouden kunnen opgaan in de omgeving en dat zij de kracht zullen hebben de omgeving ten goede te keren, hetgeen ook onze opdracht is.
De telling veroorzaakte dat iedereen zich realiseerde, dat hij een deel van het geheel was. Dit is van belang voor het werken en leven in grotere verbanden. Als men zijn plaats binnen de gemeenschap kent dan brengt dit de Sjechina (G’ddelijke aanwezigheid) onder het Joodse volk.

Bemidbar 3:1 2: “Dit waren de nakomelingen van Aharon en Mosje toen G’d met Mosje sprak op de berg Sinai: Dit waren de namen van de zonen van Aharon: de eerstgeborene was Nadav, voorts Awihoe, Elazar en Itamar.”

Tora leren aan andermans kinderen
Rasji (1040 1105) wijst er in zijn commentaar op dat hier alleen de zonen van Aharon worden vermeld. Ze worden echter de zonen van Mosje genoemd omdat hij hen de Tora heeft onderwezen. Dit leert ons dat iemand die Tora onderwijst aan zijn medemens het hem aangerekend wordt alsof hij hem gebaard had” (B.T. Sanhedrien 19b).

De verklaring van Rasji geeft aanleiding tot drie vragen. Hoezo is het dat de leerling als het ware een kind wordt van zijn meester? Bovendien onderwees Mosje het hele volk Israël de Tora. Waarom werden de kinderen van Aharon hier speciaal genoemd? En ten derde heeft Mosje zijn eigen zoons ongetwijfeld ook les gegeven. Waarom staat dit niet vermeld?

De leraar, de vader
Rabbi Baruch Epstein (einde 19e eeuw) wijst ons op de zinnen: “En Ada baarde Jawal; hij was de vader van alle mensen die in tenten woonden en van alle veehoeders. En zijn broeder heette Joewal; hij is de vader geworden van allen die citer en de fluit bespelen” (Beresjiet 4:20 21) Vader betekent dus ‘uitvinder’ van bijv. nieuwe levenswijzen of muziekinstrumenten. Mensen, die nieuwe ideeën aan de man brengen, worden in de Tora ook wel vader genoemd. Zij, die ideeën van anderen overnemen, staan dan in een kind vader relatie tot de uitvinder. Daarom zegt de Talmoed: “Degene die Tora leert aan zijn medemens wordt beschouwd alsof hij hem gebaard heeft”.

De tweede vraag luidde: “Waarom worden speciaal de vier zonen van Aharon genoemd”?. Rabbi Epstein legt uit dat, hoewel Mosje het hele volk Tora leerde, hij een speciale, persoonlijke band had met zijn neefjes – de zonen van Aharon. Zij werden zijn meest vooraanstaande leerlingen en zij hadden een unieke relatie met hun Rebbe.

Waarom had Mosje niet zo’n speciale band met zijn eigen zonen? Rabbi Mosje Sofeer (19e eeuw) verklaart de afwezigheid van de zonen van Mosje in de Toratekst in zijn werk ‘Chatam Sofeer’. De Tora zegt in Sjemot 33:7: “Mosje nam een tent en zette die op buiten de legerplaats, ver van de legerplaats, en noemde haar Tent der Samenkomst. Iedereen die G’d zocht, ging naar de tent van de samenkomst, die buiten de legerplaats was “. Zij die wilden groeien in hun Tora kennis moesten naar de Tent van Samenkomst uitgaan. Zij moesten het initiatief nemen en Mosje’s onderricht zoeken. Degenen, die niet naar de Tent van Samenkomst gingen, kregen geen intensieve aandacht.

Mosje was totale toewijding
Mosje was totaal toegewijd aan zijn volk Israël. De Tora vertelt ons, dat Mosje, nadat hij veertig dagen op de berg Sinai had doorgebracht, van de berg direct naar zijn volk ging en dat hij niet eerst naar huis ging. Rasji verklaart, dat wij hieruit leren dat Mosje zich niet eerst bezighield met zijn eigen belangen. Mosje was totaal toegewijd aan zijn volk maar dit heeft ook een nadeel. Hij ‘verwaarloosde’ zijn eigen familie, aldus Chatam Sofeer. Mosje was wel rabbijn voor iedereen maar had weinig contact met zijn eigen kinderen. Daarom is het hem niet gelukt om zijn eigen kinderen de liefde voor de Tora over te dragen, die hij wel aan anderen kon geven.

Veel lessen
Uit het voorgaande kunnen wij veel leren. Wij moeten onze huizen verlaten om deel uit te maken van de lerende joodse gemeenschap. Wij moeten naar het Beet Midrasj en niet thuis blijven zitten. Alleen dan kunnen wij groeien in kennis door discussie en leren van en aan anderen. Soms zien wij dat rabbijnen, zelfs de grootste Tora geleerden, hun eigen kinderen niet kunnen meekrijgen voor een levensstijl, die volledig aan de Tora gewijd is. Joodse geestelijke leiders moeten meer tijd geven aan hun kinderen omdat het tragisch is wanneer alleen de eigen kinderen hun vader niet volgen. Kinderen moeten een levend voorbeeld zijn van wat hun vader predikt.

“En zij, die zich voor de Woning , in het oosten, moesten legeren, aan de zonzijde van de Tent van de samenkomsten, waren Mosje, Aharon en zijn zonen, die tot taak hadden het Heiligdom te bewaken, om op de kinderen van Jisra’eel te letten, om onbevoegden uit de buurt te houden” (3:38).

Bewaking
Zowel bij de Tabernakel in de woestijn als in de Tempel te Jeruzalem was er een mitsva om het Heiligdom te bewaken. De kohaniem en levi’iem bewaakten de heiligdommen niet zozeer tegen diefstal of vandalisme maar veel meer uit `kowed’. Ook het paleis van de koning wordt dag en nacht in de gaten gehouden. Op drie plaatsen stonden kohaniem op wacht en op 21 plaatsen de levi’iem. De opperwachtmeester heette iesj har habajiet – de man of meester van de Tempelberg. Die maakte zijn nachtelijke rondes en als hij een koheen of levi betrapte op slapen, kreeg de onoplettende wachter er stevig van langs.

Wij bewaken het huis van G’d maar G’d bewaakt ook onze huizen. In de relatie G’d-mens is veel wederzijds. In de Talmoed in tractaat Avoda Zara wordt het volgende verhaal verteld:

Mezoeza
Onkelos, een neef van keizer Hadrianus, ging over tot het Jodendom. De Romeinse keizer stuurde daarop een legioen soldaten om hem terug te brengen naar zijn oorspronkelijke woonplaats en religie. Onkelos ging met de soldaten in discussie en overreedde hen om toe te treden tot het Jodendom. Daarna stuurde de keizer een nieuw legioen met dezelfde opdracht. Ook dit laatste legioen ging over tot het Jodendom. Uiteindelijk beval de keizer een derde legioen om Onkelos met geweld naar Rome te halen. Zij mochten niet met hem in discussie treden. Terwijl Onkelos naar buiten werd gebracht, passeerden zij de deurpost. Onkelos kuste de mezoeza en lachte. De soldaten vroegen hem waarom hij lachte en Onkelos verklaarde zich nader: “Een koning van vlees en bloed woont in een paleis, terwijl zijn dienaren hem buiten bewaken. Hasjeem echter staat buiten op wacht terwijl zijn dienaren binnen veilig wonen”. Toen de soldaten dit hoorden, gingen zij eveneens over tot het Jodendom.

Hasjeem beschermt degene die een kosjere mezoeza aan zijn deurpost slaat. Een mezoeza moet echter vastgemaakt worden omdat Hasjeem dit heeft opgedragen en niet ter bescherming. Een kwestie van intentie en kowed. Aan de buitenkant van het mezoeza-rolletje staat de G’dsnaam Sja-dai geschreven. Eén van de redenen hiervoor is dat het de beginletters zijn van de woorden ‘Sjomeer Daltot Jisraëel’, hetgeen “Behoeder van de deuren van Israël” betekent. Het woord ‘mezoezot’ heeft dezelfde letters als ‘zaz mawet’ (verwijder dood) wat betekent dat de mezoeza tegen calamiteiten beschermt. Indien een huis getroffen wordt door rampen, moeten de mezoezot zorgvuldig worden nagekeken. Toch hangen wij een mezoeza op uit eerbied voor G’ds opdracht en niet alleen ter ere van onszelf.

Maimonides legt uit dat de bedoeling van de mezoeza is dat we elke keer wanneer we een huis binnengaan of verlaten de mezoeza zien en kussen en aan de eeuwige boodschap van de Tora denken. Het drukt ons met de neus op het feit, dat niets in deze wereld van permanente waarde is. Zelfs ons huis, het meest vaste onderdeel van ons leven, is ook aan de tand des tijds onderhevig. Het enige wat blijft, is wat wij doen voor Tora en mitsvot. De mens zoekt onsterfelijkheid. We schrijven boeken, bouwen paleizen om maar op een of andere manier onze naam te vereeuwigen maar meestal lukt dat niet. Alles is aan verandering onderhevig. Niets is permanent. Alleen G’d en de Tora zijn onveranderlijk en van blijvende waarde. Dat is de boodschap van bewaking van het Heiligdom en de mitswa van mezoeza.

Reacties zijn gesloten.