BECHOEKOTAI (bij (het aanvaarden van) mijn wetten). Als jullie Mijn wetten uitvoeren dan zal het Land bloeien. Wanneer jullie Mijn wetten overtreden dan zal Ik vreselijke straffen over jullie brengen. Er volgt een huiveringwekkende opsomming wat het volk allemaal zal overkomen: ziekten, oorlog, overheersing door andere volkeren, zevenvoudige straffen, de steden zullen ruïnes worden. Dit alles mede als de Sjemittajaren niet gehouden worden. Ook psychisch worden de mensen een wrak, ze worden verstrooid en gaan ten onder temidden van vreemde volkeren. Het Land zal woest liggen. Echter, als de mensen weer aan het Verbond denken en boete doen, dan zal HaSjeem (G’d) aan het Verbond denken dat Hij met de Aartsvaderen gesloten heeft. Het laatste deel van de sidra is gewijd aan de waarde die mannen, vrouwen en kinderen hebben i.v.m. een gelofte. Dat betreft ook vee, grond, een huis.
Bechoekotai bespreekt de kelalot (vloeken). Met de dood in het vizier worden veel godsdienstige vragen uiterst belangrijk. Vergeleken met westerse filosofen heeft het Joodse denken diepe en originele antwoorden op de ultieme levensvragen. Dat we niet alles begrijpen, betekent nog niet dat alles subjectief is. De vraag waarom onschuldige mensen lijden, houdt de mensheid al eeuwen bezig. Het is ook een klassiek vraagstuk in de Joodse godsdienstfilosofie, dat velen in verwarring achter laat. Als we namelijk accepteren dat G’d almachtig, alwetend en barmhartig is, waarom grijpt de Almachtige dan niet in om mensen te bevrijden van het onrechtvaardige leed dat hun wordt aangedaan? De bekende filosoof Maimonides (1135-1204) formuleerde vele belangrijke geloofsinhouden in zijn dertien geloofspunten. Zijn inleiding is onmisbaar voor een goed begrip van de joodse visie op lijden.
G’d kent de mens
Het tiende geloofspunt luidt dat G’d elke daad van de mensen en al hun gedachten kent. In deze geloofsstelling wordt de mens gedefinieerd vanuit een theologische antropologie. De mens is zoals hij door G’d gezien wordt. Hij staat in dialoog met het Opperwezen, leidt geen geïsoleerd bestaan en zijn opvattingen en ideeën vormen niet de ‘maatstaf der dingen’. Juist hierin onderscheidt zich het Jodendom van het existentialisme, dat de mens als een onafhankelijk en zelfstandig wezen beschouwt.
De uitspraak uit de Griekse filosofie: ‘Ken uzelf’ en de uitspraak van Descartes: ‘Ik denk dus ik ben’ wordt in de theologie van Maimonides op een hoger plan getild en luidt: ‘Ik wordt gekend door G’d, mijn gedachten worden door Hem geschouwd en dat bepaalt mijn wezen’. Het mensbeeld in de theologie is dus wezenlijk anders dan het mensbeeld in de filosofie. Zijn geschapen-zijn volgt de mens overal en altijd. Toch wordt hier geen determinisme gepredikt. G’d kent de mens door en door maar bepaalt zijn morele beslissingen niet. Het tiende geloofsartikel duidt op een innige relatie G’d-mens, een diepe betrokkenheid bij ’s mensens handel en wandel. De band is niet eenzijdig. Dat de mens door G’d gekend wordt, betekent ook dat wij G’d kunnen kennen.
Moderne theologische stromingen, die stellen dat G’d buiten ons ervaringsbereik is, zijn bijzonder on-Joods en een testimonium paupertatis van een onthechte ziel. Zonder G’ds kennen is er geen bestaan mogelijk. Zonder kennis van G’d missen morele overtuigingen ieder fundament en stabiliteit.
Straf en beloning
In het elfde geloofsartikel komt het principe van straf en beloning aan de orde. Zouden straf en beloning in deze wereld dadelijk en zonder mededogen worden uitgereikt dan zou er voor de mens geen vrije wil en keus meer overblijven. Iedereen zou slechts het goede doen om direct de beloning te kunnen incasseren en niemand zou het in zijn hoofd halen om de Tora-voorschriften te overtreden teneinde een onmiddellijke straf te ontlopen. Straf en beloning zijn voorbehouden voor de Toekomstige Wereld, het Hiernamaals. Een onwrikbaar geloof in G’ds wereldleiding en Zijn rechtvaardigheid overbruggen de kloof tussen de leugen van het heden en de waarheid van de Olam haBa, het Hiernamaals.
De goede, die het slecht gaat
In het Joodse denken werd de paradox tussen de goede mens, die het slecht gaat en de slechte, die het goed gaat al zeer vroeg gesignaleerd. Ik moet toegeven, dat het reilen en zeilen van de aardse maatschappij zonder het perspectief van een eindoordeel over de grens van de dood heen voor een kritische toeschouwer bijzonder onrechtvaardig aandoet. De moderne geschiedenis laat niets dan onrecht zien. Duitsland en Japan, de twee agressoren uit de tweede wereldoorlog, zijn op dit moment grote economische machtsblokken met een hoge mate van welvaart. Beloning en bestraffing kunnen in deze wereld niet goed tot hun recht komen. Belangrijk is hierbij te benadrukken dat het lijden in de theologische optiek niet altijd als straf wordt ervaren. Soms zijn het ook liefdestuchtigingen waarmee een overwegend goed mens voor zijn geringe overtredingen in deze wereld gelouterd wordt om het Hiernamaals volledig onbezoedeld te kunnen betreden. Een beloning in deze wereld kent ook zijn beperkingen. Het kan zijn, dat overwegend slechte individuen voor het weinige goeds, dat zij deden, alleen in deze wereld beloond worden omdat G’d hen de veel grotere, spirituele geneugten in de Toekomstige Wereld wil onthouden. In het Toradenken vormen dit leven en het leven, dat komen gaat één eenheid. Geduld en overtuiging verzachten de wrede aardse realiteit.
Geen romantiek van lijden
Het Jodendom kent geen romantiek van het lijden. In de theologie van het lijden wordt met name binnen het katholicisme aan heiligen een bepaalde lijdensextase toegekend. Hierbij speelt opoffering voor anderen een centrale rol. Hoewel Maimonides het principe van straf en beloning uitvoerig heeft becommentarieerd in zijn filosofische werken is het opvallend dat Maimonides zich niet in dezelfde uitvoerige beschrijvingen verliest als Dante, die zijn fantasieën over hellestraffen niet kon beteugelen. Dergelijke voorstellingen hebben in het Jodendom nooit ingang gevonden.
In het Jodendom werden voorstellingen over straf en beloning niet diepgaand uitgewerkt. Naar onze opvatting is de beloning de nabijheid van G’d maar dat lost het probleem in deze wereld niet op. Is lijden de snelste weg tot G’d of is het vreugdevolle extase, die ons het meest nabij brengt? De Psalmist legt de nadruk op het laatste. Hoe het ook zij, de achtergrond van Hemelse besluiten, moeilijk of aangenaam, blijven voor ons ondoorgrondelijk. Voor de praktijk – en daar draait het om in het Jodendom – staat binnen deze context de uitspraak van Antigonos, de man uit Socho centraal: ‘Weest niet als knechten die G’d dienen met de bedoeling beloning te ontvangen maar weest als knechten die G’d om niet dienen’ (Pirké Awot 1:3).
Niet alles subjectief
Terug naar de openingsvraag. Wanneer mensen worden geconfronteerd met lijden gaan zij twijfelen. Sommigen gaan denken, dat God wellicht niet goed of niet machtig is. Anderen verliezen zelfs hun geloof in de Schepper of in de Joodse traditie. Ik denk echter dat het wel mogelijk is om in de almachtigheid, alwetendheid en goedheid van de Schepper te geloven. Er kan zelfs sprake zijn van een harmonieuze geloofsbeleving, maar dan moeten we de vooronderstellingen van ons geloof onderzoeken.
Griekse filosofie
Om te begrijpen waarom wij altijd heldere antwoorden willen, is het ook van belang om onze eigen cultuur goed te kennen. Daarvoor gaan we terug naar de vierde eeuw voor het begin van de gangbare jaartelling om ons oor te luisteren te leggen bij de Griekse filosoof Aristoteles (384-322), een telg uit een artsenfamilie. Met name Aristoteles’ idee dat we alles moeten onderzoeken en begrijpen, is in de westerse cultuur nog altijd gezaghebbend. Vanuit zijn academie in Stigya in het Griekse Macedonië ondernamen Aristoteles en zijn leerlingen tochten, waarbij ze de natuur observeerden en in kaart brachten. Ze gebruikten classificaties uit de biologie, natuurkunde en natuurlijk de metafysica om te begrijpen wat ze zagen. Deze classificaties zouden meer dan tweeduizend jaar een bron van inspiratie blijven voor onderzoekers. Aristoteles geloofde in de mogelijkheid om alles te begrijpen en vervolgens ook te beheersen. Als we maar zorgvuldig en lang genoeg onderzoek doen, komt er een moment waarop we begrijpen waarom alles is zoals het is.
Verlichting
Aan het eind van de achttiende eeuw, na het hoogtepunt van de Verlichting, was er een man die Aristoteles’ idealen van geduldig en nauwgezet onderzoek belichaamde, de Duitser Immanuel Kant (1724-1804). In zijn beroemde boek Kritik der Reinen Vernunft stelt Kant kritische vragen aan de Griekse denker. Hoe kunnen we er zo zeker van zijn, vraagt Kant, dat de wereld zoals wij die zien een accurate weergave is van de echte wereld? Een mens wordt in principe geboren met begrip, maar kunnen we er zeker van zijn dat onze zintuigen correcte informatie verschaffen? Dat kunnen we niet, aldus Kant, omdat wij de wereld alleen kunnen zien zoals deze aan onze zintuigen verschijnt en juist omdat we de wereld zien door de ‘bril’ van onze classificaties. Hoe kunnen we er bijvoorbeeld zeker van zijn, dat wat wij zien als een oorzaak-en-gevolgrelatie ook werkelijk verband met elkaar houdt? Een moderne illustratie hiervan is een film. Op een film zien we bijvoorbeeld iemand die een bal gooit, maar dat lijkt maar zo. In werkelijkheid zien we miljoenen losse beelden van een `bewegende’ bal en zo is het ook voor de totale werkelijkheid. Aangezien wij er nooit honderd procent zeker van kunnen zijn dat onze interpretaties juist zijn, kunnen we ook nooit alles begrijpen en juist hierin is volgens Kant de menselijke vrijheid gelegen. Er is immers altijd de mogelijkheid dat mensen een andere keuze maken dan we denken of voorspellen.
Rede beperkt
We kunnen het verschil begrijpen tussen Aristoteles en Kant als het gaat om onze vraag. Waarom treft het kwaad de rechtvaardigen? Aristoteles verwachtte dat we uiteindelijk een redelijk en omvattend antwoord vinden. Volgens Kant is echter het vinden van een redelijk antwoord bij voorbaat verdacht, omdat onze rede beperkt is. In het Kantianisme kunnen we de vraag alleen op een puur subjectief niveau oplossen. Er bestaat nu eenmaal geen algemeen geldende verklaring. Dit is het verschil tussen een klassieke denker uit de Oudheid en een van de belangrijkste filosofen van de moderne tijd. Volgens Aristoteles is het terecht dat we een redelijk antwoord verwachten te krijgen op onze vragen en volgens Kant is onze verwachting ongegrond. Als we geen antwoord vinden, ligt dat volgens Aristoteles aan een tekort aan informatie of aan het feit dat op zijn minst een van de drie premissen niet klopt (G’ds almacht, alwetendheid en goedheid). Volgens Kants methode tasten we in het duister. Het is eenvoudig onmogelijk om conclusies te trekken, zowel over de compleetheid van de gegevens als over de juistheid van onze drie premissen.
Rabbi Joseef Albo
De filosoof en rabbijn Josef Albo (1380-1444) uit Spanje heeft een origineel antwoord op de vraag. Hij zit niet alleen chronologisch, maar ook wat denken betreft tussen Aristoteles en Kant in. Albo, een leerling van Crescas, was de laatste grote joodse filosoof van de Middeleeuwen. Om zich te verdedigen tegen de felle kritiek van Spaanse christenen in die tijd, schreef hij zijn werk Sefer haIkkariem (Het boek van principes) waarin hij een Joodse geloofsleer verdedigt. Daarin bekritiseert hij de tien geloofspunten van Maimonides. Volgens Albo zijn er drie fundamentele principes waarin je moet geloven om geen afvallige te zijn: G’ds bestaan, Zijn openbaring en Zijn vergelding.
Albo is het met Aristoteles eens dat de mens toegang heeft tot de waarheid, maar hij bekritiseert Aristoteles omdat we de waarheid nooit helemaal zullen leren kennen. Ons verstand werkt daarvoor niet nauwkeurig genoeg, zegt Albo, net als Kant een kleine 400 jaar later. Anders dan Kant echter wanhoopt Albo niet dat de mens ooit zal weten wat waar is of niet (Sefer haIkkariem 1:16). Volgens de middeleeuwer hebben wij namelijk ook onze beperkte, menselijke visie van G’d gekregen, de Bron van alle Waarheid, en daarom moet het wel een onderdeel zijn van de absolute waarheid. De ultieme waarheid blijft verborgen, maar dat is geen probleem, want dat is de wil van HaSjeem (G’d).
Het lijden van Job
Rabbi Josef Albo spreekt niet alleen in abstracte termen, maar verwijst naar de discussies over het lijden van de rechtvaardigen in het Tenachboek Job. We vinden de hele thematiek terug in de vragen van Job over HaSjeems rechtvaardigheid en de antwoorden die hij uiteindelijk van Boven krijgt. De eerste veertig hoofdstukken van het boek beschrijven Jobs lijden en de pogingen die zijn vrienden doen om hem te troosten. Zij proberen zijn problemen te verklaren en tegelijk recht te doen aan G’ds almacht, alwetendheid en Zijn goedheid, maar dat lukt hun niet, totdat de Allerhoogste zelf tussenbeide komt en Job uitlegt waarom Hij hem zo op de proef heeft gesteld. En wat zegt G’d, volgens Albo?
Je kan niet er niet zeker van zijn, Job, dat jouw perceptie van de werkelijkheid de juiste is. Ook al heb Ik, de Bron van alle Waarheid, je de zintuiglijke vermogens gegeven waarmee je bent geboren, ze hebben maar beperkte mogelijkheden om de geopenbaarde waarheid te begrijpen. Hoe kun je dan dezelfde zintuigen gebruiken om Mijn systeem van rechtvaardigheid te evalueren? Om dat te kunnen moet je niet alleen toegang hebben tot de totale werkelijkheid, maar moet je ook je eigen bewustzijn volledig kennen. Als je geest al te beperkt is om aardse, tijdelijke dingen te bevatten, dan blijven de niet-materiële onvergankelijke zaken (‘kal wachomer’) zeker verborgen.” De aangeboren menselijke vermogens om te evalueren of iets rechtvaardig is, zijn beperkt. Het menselijk begrip van rechtvaardigheid faalt als het gaat om de ultieme levensvragen. Het is net zo onmogelijk als het meten van atomen met een lineaal. Dat is het originele Joodse antwoord van de filosoof en talmoedgeleerde Albo. Het antwoord is niet ‘we weten nog niet alles’ (Aristoteles) of ‘we kunnen niets weten’ (Kant), maar ‘we kennen een deel van de waarheid’ (Albo). En dat deel is voldoende. Als we leven naar het beperkte inzicht dat ons gegeven is, dan is het leven goed.
