BEHAR (op de berg). Gedurende het 7e jaar mag het land niet bezaaid worden. In het Joweeljaar worden slaven vrijgelaten en krijgt iedereen zijn/haar oorspronkelijke grondbezit terug. Op andere tijdstippen kan familie een slaaf terugkopen. De prijs van grond wordt berekend naar het aantal te verwachten oogsten. Buiten het Joweeljaar om kan grond teruggekocht worden door een bloedverwant of zelfs een ander als de oorspronkelijke eigenaar niet kapitaalkrachtig genoeg is. Je mag geen rente berekenen als je iemand geld leent. Een slaaf moet men menselijk behandelen; de heer mag hem niet met strengheid regeren. Een Joodse slaaf bij een heiden moet worden gelost. Op een steen mag men niet knielen.
Vrij of Loonslaaf?
Vrijheid is een groot goed. G’d wil, dat wij ons direct tot Hem verhouden, zonder tussenpersoon. Op ons werk is er echter de chef. Maar G’d stelt duidelijk, dat “voor Mij de Bné Jisraëel dienaren zijn” (25:55). De Talmoed leidt hieruit af, dat wij ook in de arbeidsrelatie altijd iets van onze vrijheid moeten behouden. Dit heeft ook consequenties in het arbeidsrecht. In traktaat Bawa Metsia (10a) leert Rav, dat een arbeider zelfs midden op de dag zijn werk mag verlaten als uiting van deze individuele vrijheid. Wanneer wij onze werkplek of baan willen verlaten, moet dat kunnen.
Het Jodendom is wars van eeuwige afhankelijkheidsrelaties. Daarom wordt een slaaf die zijn heer na 6 jaar weigert te verlaten met zijn oor aan de deurpost gepriemd omdat G’d hem verwijt: “Dit oor heeft Mijn opdracht op de berg Sinaï gehoord toen Ik zei “voor Mij zijn de kinderen Israëls slaven” en geen slaven van mensen; deze man wil zijn menselijke heer niet loslaten en moet daarom met zijn oor aan de deurpost gepriemd worden. De deurposten waren Mijn getuigen toen Ik in Egypte over de joodse huizen heenstapte en de eerstgeborenen liet leven”. Het gaat om de houding!
Niettemin schrijven de Tosafisten (ibid.), dat men zichzelf wel voor werk mag verhuren.
Toch meent Rabbi Mosje Isserles (IV:333:3) dat het verboden is zichzelf te verhuren voor meer dan drie jaar. Rabbi Sjabtai Cohen stelt, dat wanneer de werkrelatie meer dan drie jaar duurt, het werk zijn tijdelijk karakter verliest. De profeet Jesaja (15:14) geeft aan, dat een tijdelijke huurovereenkomst maximaal drie jaar duurt. Hoewel een arbeidscontract voor meer dan drie jaar niet echt slavernij kan heten, overtreedt de arbeider toch in een bepaalde mate het verbod van “voor Mij zijn de kinderen Israëls slaven”. Je verliest je onafhankelijkheid. Hoe werkt dit uit in de praktijk?Maimonides behandelt het geval van de arbeider, die midden in zijn werk stopt (hilchot sechiroet 9:4) en paskent (beslist), dat men de arbeider moet uitbetalen voor wat hij gedaan heeft. Stel, dat men iemand ingehuurd heeft voor acht dienar per dag. Precies midden op de dag stopt de werknemer ermee. Dan moet de werkgever hem vier dienar uitbetalen ook al is het voor de werkgever moeilijk voor de tweede helft van het karwei iemand voor vier dienar te vinden. Wanneer hij voor de tweede helft van de dag goedkopere arbeidskrachten kan vinden, moet hij dat meerdere aan de eerste arbeider geven want de werkgever hoeft aan deze regeling niet de verdienen. Niet iedereen is het trouwens met Maimonides over deze invulling eens.
Werknemers en loonslaven verkeren in een afhankelijkheidspositie. Maar aannemers zijn veel zelfstandiger. Vandaar dat deze hint naar vrijheid en onafhankelijkheid voor hen minder geldt. Wanneer zij middenin stoppen, verkeren zij in een nadeliger positie. Stel dat een aannemer wordt ingehuurd om een huis te bouwen voor één miljoen euro. Hij doet precies de helft van het werk. Wanneer de opdrachtgever het huis alleen voor 700.000 euro kan laten afbouwen, krijgt de eerste aannemer slechts 300.000 euro. Wanneer de tweede helft afbouwen slechts 300.000 euro kost, verdient de opdrachtgever hieraan en niet de aannemer. De aannemer krijgt niet meer dan 500.000 euro, aldus Rabbi Mosje Isserles (IV:333:4). Hij geniet wel meer vrijheid maar krijgt iets minder speelruimte dan de loonslaaf.
Toch geldt overal de redelijkheid en billijkheid. Voorgaande geldt uiteraard alleen wanneer het werk of de werkgever geen verlies lijdt doordat de arbeider opeens stopt. Maar wanneer de werkgever hierop moet inleveren omdat het werk hem meer gaat kosten of de goederen verloren dreigen te gaan, kunnen zowel arbeider als aannemer niet op gemaakte afspraken terugkomen. Blijf Mensch! En als ze niettemin dreigen met ontslag, mag de werkgever ze paaien met de mooie belofte, dat ze meer loon zullen ontvangen dan hij met ze afgesproken had. Ondanks deze toezeggingen mag de opdrachtgever na afloop van het werk slechts het oorspronkelijke bedrag uitbetalen. Is dit onethisch? Ik denk van niet. De arbeiders of aannemer handelden in strijd met alle fatsoensnormen door middenin het werk de spelregels te wijzigen. De werkgever moest force majeur aan hun eisen toegeven. De Tora keert zich kennelijk tegen misbruik van omstandigheden, hetgeen in de Nederlandse wetgeving als algemeen leerstuk pas in de twintigste eeuw tot ontwikkeling is gekomen! Het jodendom is zijn tijd ver vooruit.
Knielen en afgodendienst
Wajikra 26:1:“Gij zult u geen afgoden maken, en een gehouwen beeld of een gedenksteen zult gij u niet oprichten, en een steen met beeldwerk zult gij niet leggen op uw land om u erop neer te werpen, want Ik ben G’d”.
Rasjie legt bij het verbod van een stenen vloer uit, dat hier bedoeld wordt, dat de Tora niet wil dat de grond bedekt wordt met een vloer van stenen om je daarop neer te werpen, zelfs niet voor HaSjeem. Het verbod ziet met name op het zich neerwerpen op zo’n stenen vloer onder het uitstrekken van handen en voeten, en de Tora verbiedt dit te doen buiten het Beet haMikdasj (B.T. Megilla 22b).
Hoewel wij ons neerwerpen voor G’d, verbiedt de Tora dit toch op een stenen vloer om zelfs te schijn van afgoderij te voorkomen. Dit stelt ook de Sefer haChinoeg (349): “Wanneer men zich op mooie tapijten neerbuigt, bestaat er geen vrees dat het erop lijkt dat men zich neerbuigt voor een afgod. Tapijten slijten snel maar een steen is iets dat robuust is en blijft bestaan. En daarbij bestaat de vrees dat men verdacht zal worden van afgoderij wanneer men zich neerwerpt op een prachtig versierde steen”.
Tenach voert één grote strijd tegen alles wat riekt naar afgoderij. Afgoderij tast onze onafhankelijkheid aan. Afgoderij zoekt een medium waarmee wij de invloeden van Hogere Werelden trachten te buigen naar onze eigen belangen. Wij moeten G’d echter onbevooroordeeld dienen, zonder medium, belangeloos.
Afgodendienst is niet zo zeer het buigen voor stukken hout, metaal of klei. Het is ondenkbaar dat men zou geloven dat deze dode objecten, die ze zelf geproduceerd hebben, goden zijn, die bovennatuurlijke krachten zouden bezitten. Afgodendienst wordt in de Talmoed als volgt gemotiveerd: “De joden wisten dat al deze beeldjes niets betekenden, maar zij misbruikten de afgoderij om verboden relaties toe te staan” (B.T. Sanhedrien 63b). Iemand die de verlangens van zijn hart wil rechtvaardigen en zijn schuldgevoel wil sussen, zoekt een simpele oplossing. Hij stelt een autoriteit over zich aan, die de teugels zo laat vieren dat alles door de beugel kan. En wanneer deze autoriteit maar voldoende aanzien heeft, is zo ongeveer alles toegestaan. Wat kan beter als G’d dienen dan een beeldje, dat ethische standaarden dicteert, die we zelf verzonnen hebben? Het verschil tussen Tora en afgoderij is even subtiel als basaal. Volgens de Tora schiep G’d de mens en gaf Hij hem opdrachten hoe hij zich moest gedragen. In de wereld van afgoderij creëert de mens zijn eigen goden en dicteert hij wat hij graag wil horen.
Terug naar het “maskiet-verbod”. Rasjie meent echter dat het verbod gebaseerd is op de stenen vloer in de Tempel te Jeruzalem. Op verschillende plaatsen in de Tora wordt gewaarschuwd om de voorwerpen en ruimten in de Tempel niet na te bouwen. Hetzelfde zou gelden voor die stenen vloer: “Denk niet dat je alle aspecten van die unieke plaats in de wereld, het Beet haMikdasj, thuis kunt nabouwen. De Tempel was het nationale centrum waar de G’ddelijke Sjechina (Aanwezigheid) rustte. Dit kunnen we thuis niet nabouwen omdat er slechts één plaats in de wereld is ‘waar G’d voor gekozen heeft om Zijn Majesteit te laten rusten’. Dit is een centrale, publieke aangelegenheid en niet iets wat wij in onze privé-sfeer kunnen imiteren”.
Resumerend zijn er dus drie meningen. Maimonides stelt dat een ‘steen met beeldhouwwerk’ riekt naar afgoderij. Volgens Sefer haChinoeg worden hiermee verkeerde indrukken gewekt. Maar volgens Rasjie gaat het om imitatiedrang op de verkeerde plaats. Religie is exact volgen wat G’d van ons wil.
Maimonides geeft nog een andere reden: “Omdat het de gewoonte van de afgodendienaren was om stenen voor de afgoden neer te leggen om daarop te knielen, daarom doen wij dit niet voor G’d”. In de loop der jaren zijn vele joodse gewoonten overgenomen door andere gelovigen. Vaak zien we dat dan de oorspronkelijke joodse gewoonten bij ons werden afgeschaft. Maar in de Tempel mag men zich wel neerbuigen op een stenen vloer omdat iedereen weet dat daar alleen G’d gediend wordt en niet te vrezen valt, dat men de knielers zal verdenken van enige vorm van afgoderij.
Omertijd
Gedurende de Omerperiode werd het Joodse volk getroffen door verschillende tragedies. De 24.000 discipelen van Rabbi Akiwa stierven een vreemde dood juist in de periode tussen Pesach en Sjawoe’ot. In B.T. Jewamot (62b) staat dit als volgt beschreven: “Rabbi Akiwa had 12.000 paren leerlingen van Giwat tot Antipras en allen stierven juist gedurende deze periode, daar zij elkaar niet eervol bejegenden. Allen stierven een merkwaardige dood. Volgens Rav Nachman was dit dyfterie in de mond (askara)”. De Aroch Hasjoelchan (493:1) voegt hieraan toe, dat de meeste antisemitische decreten in de Middeleeuwen in Frankrijk en Duitsland juist in deze periode werden opgesteld of uitgevaardigd. Tevens stelt hij, dat er nog andere redenen zijn voor het feit, dat de Omerperiode als rouwtijd te beschouwen is en dat de Omerdagen “dagen van berechting” zijn. Daarom is het een oude Joodse gewoonte gedurende de Omertijd bepaalde rouwgebruiken in acht te nemen.
Wij rouwen volgens de Talmoed vanwege de onverdraagzaamheid binnen klal Jisraeel. Vele leerlingen van Rabbi Akiwa konden het grote principe van hun leraar “heb uw naaste lief als uzelf – dit is de hoofdregel van de Tora” niet waarmaken. Rabbi Sjimon bar Jochai was hiertoe wel in staat en wel op zo een uitzonderlijke wijze, dat dit zich aan het menselijk oog onttrok. Rabbi Akiwa voegde hem eens toe: “Wees er tevreden mee, dat ik en je Schepper je grootheid weten te waarderen” (J.T. Sanhedrien 1:2). Rabbi Sjimon blonk uit in twee aspecten: hij leerde Tora met volledige overgave en beminde zijn medemens werkelijk als zichzelf. Beide aspecten van deze persoonlijkheid waren met elkaar verweven. Indien men de Leer van G’d zonder bijbedoelingen (“kowed” etc.) kan bestuderen omdat dit gegeven werd door G’d, is men ook in staat de medemens zonder discriminatie te benaderen, als schepsel van dezelfde G’d. Indien men van de Vader houdt, heeft men zijn kinderen ook lief.
Wellicht klinkt dit de gemiddelde burger wat hoogdravend in de oren. Maar onze traditie leert, dat “niets aan een serieuze wil in de weg kan staan”. Rabbi Sjimon was niet voor niets een leerling van Rabbi Akiwa. Rabbi Akiwa was de man van de volharding. Veertig jaar lang was hij een eenvoudig herder. Toen hij trouwde met Racheel moedigde deze hem aan om de Tora te gaan bestuderen. De Talmoed vertelt, dat Rabbi Akiwa het bijzonder moeilijk had, toen hij met zijn Tora-studie begon. Hij was veertig jaar, volledig ongeletterd en straatarm. Eens zag hij hoe voortdurend druppelend water een gaatje in een harde rots had gemaakt. Hij zei tot zichzelf: “De rots is hard, het water zacht en de druppeltjes klein. Maar toch maakt het water, wanneer het regelmatig valt, een uitholling in de rots. Als ik doorzet en volhardt, zal ik mijn problemen kunnen overwinnen”. Wat mogelijk bleek op het intellectuele vlak, moet ook mogelijk zijn op het emotionele en intermenselijke vlak.
Het is mijns inziens niet toevallig, dat de figuur van Rabbi Akiwa bij het Omertellen centraal staat. Tellen en tolerantie jegens de ander zijn met elkaar verbonden. Een interessant aspect van het tellen is, dat de kwaliteit of eigenschappen van de getelde personen of zaken irrelevant zijn voor de telling. Toen het Joodse volk aan het begin van het boek Numeri geteld werd, maakte het geen verschil of de getelden zeer belangrijk, voornaam of geleerd waren. Iedereen gold als niets meer en minder dan één. Binnen ons volk vindt men de grootste intellectuelen en de meest domme mensen. Wanneer wij bijvoorbeeld bij het dagelijkse gebed een minjan (tien mannen) nodig hebben dan maakt het geen verschil of er tien intelligente of tien simpele mensen staan. Zijn er negen grote Rabbijnen dan maakt een jongetje, dat net Bar-Mitswa geworden is het vereiste getal vol. De Midrasj leert, dat “indien er bij het geven van de Tora slechts één van de 600.000 Joodse mannen ontbroken had, de Tora niet gegeven zou zijn”.
Waarom is dit zo? Omdat wij allen één ding gemeen hebben: de vonk G’ddelijkheid, de nesjama of nesjomme. En indien wij in staat zouden zijn alleen op dit allerbelangrijkste mensaspect te letten en voorbij te gaan aan allerlei onhebbelijkheden van onze medemens, die stammen uit lagere regionen van het menszijn, dan zullen wij kunnen komen tot werkelijke achdoet (eenheid). Rabbi Sjimon bar Jochai kon zijn medemens op dit hoge niveau schouwen en waarderen. Met zijn dood had hij dit levensideaal waargemaakt en bij zich geperfectioneerd. Vandaar, dat zijn jaartijddag voor het hele volk Israel tot op de dag van heden vreugdevol gevierd wordt.
