Kohaniem mogen geen contact met doden hebben, niet met een gescheiden vrouw huwen en niet onrein of met bepaalde gebreken dienst in de Tempel doen. Alleen kohaniem mogen van geheiligd voedsel eten. Een dier dat geofferd wordt mag geen gebrek vertonen. Een rund of schaap mag niet op dezelfde dag als het jong geslacht worden. Nogmaals volgt de eis tot werkonthouding op Sjabbat. Daarna worden de verschillende feestdagen met een aantal bepalingen vermeld. Aharon moet de kandelaar voortdurend brandend houden. In het Heiligdom stond een tafel met 12 toonbroden. Een man die de G’dsnaam vloekt, wordt buiten de legerplaats gestenigd. Allochtonen en autochtonen moeten gelijk behandeld worden.
Koheen, 21:1-15. Een Koheen moet zich aan zijn zeven meest nabije familieleden verontreinigen: vrouw, moeder, vader, zoon, dochter, broer en ongetrouwde zuster.
Levi, 21:16-22:15. Een koheen met een lichamelijk gebrek mag geen dienst doen in de Tempel. Zelfs tijdelijke moemiem (gebreken) diskwalificeren. Een gediskwalificeerde koheen mag de Tempel niet binnen maar mag wel de meeste van de heilige voedselsoorten eten.
Bechoriem
Oorspronkelijk waren de bechoriem (eerstgeborenen) voorbestemd als kohaniem (priesters). Maar bij het gouden kalf bleek dat niet alle bechoriem rijp waren voor intensieve religieuze ontplooiing. De heiligheid van het Joodse volk als geheel kwam hierdoor in gevaar. Afstammelingen van Aharon uit de stam Levi zouden deze hoge taak toebedeeld krijgen omdat zij niet gebogen hadden voor het kalfbeeld. De kohaniem werden nu de vertegenwoordigers van het volk bij het naleven van de riten, die de nationale wijding aan G’d tot uitdrukking zouden brengen in de Tempel – het Beet haMikdasj – te Jeruzalem. Hoewel de koheen niet langer de offers kan brengen ter heiliging van ons gemeenschapsleven en niet meer in staat is de wijding en offerbereidheid van ieder individueel lid van het Joodse volk ten behoeve van de gemeenschap in dienst van G’d te aanvaarden, gelden vele voorschriften voor kehoena – het priesterschap – ook nog tegenwoordig. Ook nu nog moet iedere koheen contact met doden uit de weg gaan en is nog steeds een aantal huwelijksbeletselen van kracht. Hoewel het Beet haMikdasj vernietigd is, is een aantal belangrijke kenmerken van de vertegenwoordigers van het nationale Eenheidsstreven in stand gebleven.
Het Hebreeuwse woord koheen is afgeleid van de Hebreeuwse stam KWN, wat of ‘basis’ of ‘richting geven’ betekent. Ook tegenwoordig nog zijn kohaniem bij uitstek geschikt om geheel klal Jisraëel in haar fundamentele waarden te verenigen.
De antieke religies – maar ook de geloofsbeleving tegenwoordig – werden beheerst door de associatie van geloofsrituelen met de dood in al zijn verschijningsvormen. Waar het leven eindigt, begint de Soevereiniteit van G’d. Voor velen was en is de dood de enige werkelijke manifestatie van de G’ddelijke Voorzienigheid. Voor hen is G’d een G’d van de dood en is religie bij uitstek voor deze levensfase bestemd. Maar al te vaak wordt G’d gezien als Degene, die de dood en zijn voorboden – ziekte en ongeluk – stuurt, opdat de mensheid Hem zal vrezen en Zijn Macht zal realiseren. Hun tempels werden vaak rond de plaatsen van de dood opgericht; de belangrijkste taak wordt dan het begeleiden van de laatste levensfase. Daar, waar het leven een einde neemt, vindt men religieuze opleving.
De Joodse priester is anders omdat de Joodse opvatting van religie anders is. De Tora heet Torat Chajiem – de leer van het leven. Jodendom concentreert zich op het leven. De vrije keus, het levende, bevrijdende, verheffende en positieve staan in het Jodendom centraal. De Tora geeft voornamelijk aan hoe men moet leven, hoe de mens door middel van de vrije wil tot steeds verhevener hoogten kan reiken, hoe men gedurende het leven het ‘dode’ in het leven kan overwinnen en verslaving aan allerlei vormen van lichamelijke driften en morele zwakten kan overwinnen. De Joodse levensleer geeft aan hoe men zelfs in de alledaagse levensgeneugten G’d kan dienen. Dit is de leer, waaraan G’d Zijn Heiligdom wijdde en dit is de sfeer, waarin Zijn kohaniem functioneren.
Wanneer de dood heeft toegeslagen en de omstanders geroepen worden de laatste eer te bewijzen, moeten kohaniem zich afzijdig houden om als symbool van het ‘levensideaal’ het idee van de verheffende kracht van het leven hoog te houden en om te voorkomen, dat doemdenken de eeuwige waarheid van het Jodendom – dat de mens vrij is in moreel opzicht en niet onderworpen is aan de wetten van de natuur, aan puur determinisme of biologische causaliteit – niet naar de achtergrond verschuift en verdringt. Alleen in het geval, dat niemand zich bekommert om een overledene moet een koheen hem begraven. In dergelijke gevallen wordt dit zelfs een mitswa (gebod).
Het mag ons daarom niet verbazen dat met name de kohaniem geen kale plek op hun voorhoofd mogen aanbrengen of inkepingen in hun lichaam mogen maken als symbool voor de dood. Ook naar buiten toe moeten zij het levensidee en ideaal propageren en prediken. Het verbod een kale plek of inkeping aan te brengen op het lichaam geldt ook voor iedere Jood maar wordt nog eens herhaald voor de zonen van Aharon, om het idee uit te bannen, dat het ‘memento mori’ – het herinneren van de dood – een speciale vorm van religiositeit zou zijn. Pas dan kan met recht gezegd worden, dat zij ‘heilig zullen zijn voor hun G’d’ en dat zij de ‘Naam van G’d niet zullen ontwijden’ (Wajikra 21:6).
Derde Alija 22:17-33
Offerdieren mogen geen gebreken hebben. Dieren mogen niet gecastreerd worden (ook huisdieren niet). Pasgeboren dieren moeten zeven dagen bij hun moeder blijven en mogen pas daarna als korban gebruikt worden. Het is verboden om een moederdier en een kind op dezelfde dag te slachten.
Dierenrechten
Wanneer wij zorgvuldig met dieren omgaan is dit een teken dat wij G’dgelijk proberen te worden. Grote Joodse leiders werden van achter het kleinvee geselecteerd. Koning David maar ook Mosje werden door G’d op hun menslievendheid getest in hun relatie met dieren. Een eye-opener in deze tijd, waarin we regelmatig getuige zijn van `vetpesterij’ en massale dierenslachtingen. Vanuit het Jodendom is dit alleen toegestaan, indien het echt noodzakelijk is om onze gezondheid te beschermen of wanneer de economie zwaar in de verdrukking dreigt te raken.
4e alija, 23:1-22.
Sjabbat en feestdagen, Pesach, Sjawoe’ot en Soekot worden beschreven.
Oogsttijd – geen vaste datum
De periode tussen Pesach en Sjawoe’ot is de oogsttijd. De meeste mensen waren – tot het begin van het industriële tijdperk – buiten op het veld aan het werk en hadden geen contact meer met de rest van het volk. Zou Sjawoe’ot gebonden zijn aan een kalenderdatum, dan zou men zich niet altijd volledig bewust zijn van de feestdatum, omdat de Hebreeuwse maanden 29 of 30 dagen tellen, afhankelijk van de beslissing van het Sanhedrien (vroeger kende men nog geen vaste kalender. Iedere maand moest opnieuw beslist worden of deze 29 of 30 dagen zou duren). De mensen op het veld zouden dus niet exact weten wanneer ze terug naar huis zouden moeten voor Sjawoe’ot omdat ze niet precies wisten hoe lang de maanden Niesan en Ijar duurden. Daarom verbindt de Tora Pesach met Sjawoe’ot, door het tellen van de Omer, zodat iedereen die na Pesach van huis vertrokken was en de Omer telde exact wist wanneer hij van het veld moest terugkeren om op tijd thuis te zijn voor Sjawoe’ot.
Vijfde alija 23:23-32
De eerste van de zevende maand is Rosj haSjana, een zichron teroe’a, een herinnering aan het Sjofarblazen. Op 10 tisjri is het Jom Kippoer.
Zesde alija 23:33-44
De vijftiende tisjri is Soekot, 7 dagen lang. Alle moesaf-offers van Soekot zijn één mitswa (niet 7 zoals bij Pesach). Op Sjemini Atseret (Slotfeest) wordt een extra moesaf-offer gebracht. Gedurende Soekot moeten wij de vier plantensoorten nemen en in de Soeka zitten.
Zevende alija 24:1-23
Mosjé krijgt opdracht om pure olijfolie voor het aansteken van de menora te prepareren. De lampen van de menora moeten elke nacht branden in het Heilige. Twaalf broden liggen op de Sjoelchan (tafel). De G’dsvloeker werd gestenigd.
G’dsvloeker
De moeder van de vloeker heette Sjlomiet bat Diwri. Zij was de enige Joodse vrouw, die verkracht was door een Egyptenaar tijdens de slavernij (ze dacht overigens dat het haar man was). Sjlomit had dit enigszins aan zichzelf te danken omdat ze iedereen op veel te vriendelijke wijze begroette met ‘sjalom’. Daarom heette ze Sjelomit. Toen een Egyptische opzichter ’s ochtends langskwam om haar man op te halen voor het werk, groette zij hem iets te sympathiek. Daarom kwam hij later terug. Haar man ontdekte de verkrachting en de Egyptenaar probeerde hem het zwijgen op te leggen door hem vreselijk hard te slaan. Mosjé zag dat en doodde de Egyptenaar door het uitspreken van de vierletterige G’dsnaam.
De Tora schrijft: “En de zoon van een Joodse vrouw ging uit en hij was de zoon van een Egyptische man” (24:10). De midrasj vraagt hierbij: “Waar ging hij dan uit? Rabbi Berachja antwoordde: “Hij ging uit van de afdeling over de Toonbroden, die er vlak voor staat”. Het Lechem HaPanim werd elke Sjabbat op de Sjoelchan (tafel) in de Tabernakel geplaatst en de volgende Sjabbat ververst. De Toonbroden werden uiteindelijk opgegeten door de Priesters. De zoon van Sjlomit had daar moeite mee: “Is het gepast dat in het paleis van de Koning brood van negen dagen oud wordt uitgedeeld?!”. G’d had met opzet opgedragen, dat het brood een week lang op de Sjoelchan moest blijven liggen om regelmatig een duidelijk wonder aan het volk te tonen. De vloeker geloofde niet in dit wonder en vond het onzin. Als hij een week gewacht had dan had hij het wonder van het verse brood zelf kunnen aanschouwen maar hij had geen geduld.
Hij ging terug naar zijn tent buiten het kamp. Hij had geen Joodse vader, dus hoorde hij niet bij een stam. Maar op een dag besloot hij om bij de stam Dan te gaan wonen. Toen hij z’n tent daar neerzette, vroeg men hem waar hij vandaan kwam. “Mijn moeder komt uit de stam Dan”. Maar wíj volgen voor het stamlidmaatschap de afstamming van de vader!”. Het Rabbinale Hof gaf de zoon van de Egyptische man ongelijk. Toen vroeg hij woedend: ”Maar wie is mijn vader dan?”. Het antwoord was, dat hij de Egyptenaar was, die Mosjé met het uitspreken van de Naam van G’d gedood had. Toen hij dit hoorde, sprak hij die Vierletterige naam van G’d uit en vloekte hem. Wat was het probleem van de vloeker? Hij had problemen met de Toonbroden. De man had geen geduld. Hij wilde antwoord op zijn vragen; nu, direct! Als hij een week geduld had gehad, had hij het antwoord gekregen. Zo vergaat het velen van ons nog steeds. We begrijpen niet veel van de Joodse geschiedenis maar dat is geen reden om niet te geloven in G’ds Meesterplan. Als we maar even geduld hadden!
