Parsja Kedosjiem

Kedosjiem (heiligen) bevat een grote hoeveelheid ge- en verboden. We kunnen een bepaalde kedoesja verwerven door de mitswot te vervullen. Het Jodendom is echter niet alleen een doe-religie. Wij moeten er ook bij voelen en denken. Wij moeten ook in ons dagelijkse gedrag heilig blijven. Verder moeten wij onze ouders eren en de Sjabbat houden. Wij mogen ons niet richten op afgoderij, noch afgoden maken. Offers moeten op juiste wijze worden gebracht in de Tempel. De hoeken van het veld mogen niet worden afgemaaid, zodat arme mensen te eten zullen vinden. Stelen en vals zweren worden verboden. Men mag niet vloeken en geen struikelblok voor een blinde plaatsen (dit laatste betekent: men mag anderen niet misleiden). Salarissen moeten op tijd betaald worden. Betaal ook de babysit op tijd! 1e alija, 19:1-14. Men mag het salaris van een werknemer niet laten overnachten.
2e alija, 19:15-22. We mogen het recht niet verdraaien en niemand voortrekken in een rechtszaak. Lesjon hara (roddel, waar of niet waar) is verboden. Men mag niet werkeloos toezien hoe een ander zijn ongeluk tegemoet gaat. Haat uw medemens niet in uw hart; wijs hem met gevoel de juiste weg en zet hem hierbij niet beschaamd. Men mag dieren en planten niet kruisen en geen sja’atneez, mengsels van wol en linnen dragen.

Deze week lezen we de `klal gadol’ – een hoofdregel van de Tora: het principe van de naastenliefde. Naastenliefde moet concreet gestalte krijgen. Altruïsme mag niet blijven zweven. Liefdadigheid geeft naastenliefde duidelijk gestalte. Tsedaka impliceert een altruïstische instelling; een neiging om ophoping van aards bezit niet als hoogste ideaal te zien; een houding van vrijheid tegenover materialistische idealen; een hang naar hogere idealen, waarbij gebondenheid aan het verlangen naar ‘steeds meer’ in materiële zin niet past. De mitswa (gebod) van tsedaka vereist van ons een staan boven het najagen van allerlei activiteiten, die slechts gericht zijn op gewin en eigenbelang. De tsedaka-gerichte mens is er zich van bewust, dat aardse goederen slechts een middel zijn en geen doel. Tsedaka leidt tot een zekere mate van vrijheid: bevrijding van eigendunk en geringschatting van de ander. De weigering het tsedaka-ideaal te realiseren is geworteld in wrok en minachting tegenover de medemens (vgl. het begin en einde van Wajikra (Leviticus) 19:18: ‘Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk maar uw naaste liefhebben als uzelf’). Een nadere analyse van werkelijke naastenliefde is onontbeerlijk voor een juist begrip van de mitswa van tsedaka vanuit de joodse traditie.

Gelijkheidsprincipe
De tsedaka-gedachte vormt een uitwerking van het veel meer omvattende intermenselijke gelijkheidsprincipe. Dit ‘non-discriminatie’-beginsel staat kort maar krachtig beschreven:`Heb uw naaste lief gelijk uzelf’. Voor de moderne mens riekt dit gebod naar een vrome preek, waarvan de inhoud volledig bezijden de dagelijkse werkelijkheid staat. ‘Hoe kan ik een ander liefhebben ondanks zijn vele tekortkomingen?’, zal men zich direct afvragen. Een heiden benaderde eens de bekende geleerde Hilleel om zich te bekeren tot het jodendom: ‘Leer mij de gehele Tora, terwijl ik op één voet sta’. De wijze Hilleel antwoordde: ‘Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dit is de hele Tora, de rest is commentaar. Ga heen en leer!’. Hilleel verkoos dit positief geformuleerde gebod in de Tora in negatieve vorm uit te leggen. Had hij niet eenvoudigweg de formulering van de Tora kunnen volgen?

Eigenliefde maakt blind
Het is algemeen bekend, dat ‘liefde blind maakt’. Het meest blind is de eigenliefde. Iedereen is zich bewust van zijn karakterfouten. Hij kent zijn tekortkomingen beter dan ieder ander. Toch is de eigenliefde zo sterk, dat het alle tekortkomingen ‘bedekt’ en de fouten in het eigen karakter niet doet voelen. Hoe reageren wij, indien iemand anders ons op onze verkeerde eigenschappen opmerkzaam maakt? We worden boos; niet omdat de ander onwaarheid zou spreken maar veel meer omdat we zien, dat onze karakterfouten een onaangename indruk op derden maken en deze niet bereid zijn een en ander zo maar door de vingers te zien. De ander heeft door het waas van onze eigenliefde heen geprikt en ons de volle omvang van onze tekortkomingen onder ogen gebracht – iets, dat we over het algemeen als bijzonder vervelend ervaren. Dit bedoelde Hilleel aan te geven met zijn negatieve formulering van het gebod uit Wajikra 19:18. ‘Indien jij het verwijderen van de blindheid van je eigenliefde als vervelend ervaart, wanneer dit jou aangedaan wordt, doe dit dan ook anderen niet aan!’. Laat jouw eigenliefde zich ook uitstrekken tot je naaste. Bemerk je duidelijke fouten bij een ander, zie die dan door de vingers op dezelfde wijze als jij jouw eigen fouten het liefst zo snel mogelijk vergeet. Deze houding verwijdert het eerste obstakel bij de uitvoering van de tsedaka-gedachte. Maar er is meer…

Eenheid van Israël
Bij tsedaka is er eigenlijk geen sprake van weggeven indien het gevoel overheerst dat de ander deel uitmaakt van de leefwereld van de donateur. Dit gevoel sluit aan bij een gedachte, die een aantal jaren geleden ontwikkeld werd door de Lubawitscher Rebbe. Rabbi Schneersohn legt een verband tussen de fundamentele eenheid binnen het joodse volk, het gebed en een wetsbepaling uit de Tora in verband met de Tempel: ‘In Wajikra (hoofdstuk 21) staan allerlei bepalingen beschreven, die speciaal betrekking hebben op de kohaniem, die in de Tempel de offers brachten. Na de verwoesting van de tweede Tempel kon men geen offers meer brengen en de drie dagelijkse gebeden kwamen hiervoor in de plaats. Veel aspecten van de offerwetten zijn ook tegenwoordig nog toepasselijk in onze gebeden. Sommigen hebben de gewoonte om iedere dag, vlak voor het gebed, te zeggen: ‘Hierbij neem ik het gebod ‘Heb uw naaste lief gelijk uzelf’ op mij’. Wat heeft dit gebod te maken met het dawwenen (bidden)? Waarom is dit nodig als inleiding op het dawwenen?

Samenhang
In het joodse denken wordt het joodse volk gezien als één groot lichaam. Ieder individu vormt als het ware één van haar organen. Sommigen hebben de functie van het hoofd (de Geleerden), anderen vormen de romp (degenen, die G’d op meer emotionele wijze dienen) en weer anderen vormen de voeten (die het hele lichaam dragen; zo ook vervullen een aantal mensen de geboden als een ‘juk’, dat zij dragen zonder de diepere inhoud ervan te begrijpen). Wanneer men wel eens de pijn van een ingroeiende teennagel heeft gevoeld, beseft men, dat een probleem in het laagste deel van het lichaam de hogere functies kan verstoren! Zelfs de hersenen kunnen zich niet meer concentreren. Dit laat duidelijk zien, dat het lichaam een volkomen geïntegreerd en samenhangend systeem is’. Hetzelfde geldt ook voor het ‘lichaam’ van het jodendom. Indien het ‘laagste deel’ hiervan slecht functioneert, lijden ook de hogere regionen hieronder. De grootste joodse Chagamiem (Geleerden) en de meest eerlijke mensen plegen – sommigen zelfs elke dag – de ‘widdoej’ te zeggen, een zondebelijdenis, waarin men uitdrukking geeft aan gevoelens van berouw over de meest akelige zonden, zoals stelen, moorden en andere gewelddelicten. Hoewel zij zich persoonlijk nooit bezondigden aan dergelijke overtredingen, voelen zij een innige en persoonlijke betrokkenheid bij hun volksgenoten, die deze zonden werkelijk begaan en voelen zij zich aangetast door deze slechte daden.

Gelijk jezelf
Nu wordt duidelijk hoe iemand zijn naaste kan liefhebben ‘gelijk zichzelf’. Het joodse volk is één groot geïntegreerd geheel. Een ieder heeft deel aan wat een ander overkomt. De ander is een deel van het eigen ‘ik’ en indien men een ander genegenheid toont, is men eigenlijk slechts vriendelijk voor zichzelf. Hetzelfde geldt bij het koesteren van wraakgevoelens. Indien men een ander haat, verwerpt men in feite een deel van zichzelf. Een haatdragend persoon wordt daardoor een gebrekkig mens en zijn gebeden – die de plaats innemen van de offers uit vroegere dagen – zijn voor G’d onaanvaardbaar, evenals een koheen met een gebrek geen dienst mocht verrichten in het Heiligdom en geen offers mocht brengen, indien hij met een ‘moem’, een lichamelijk gebrek, behept was. Zo wordt het verband tussen het gebed en het gebod van naastenliefde duidelijk. Dit vormt de achtergrond van het gebruik om elke dag voor het gebed het gebod van naastenliefde op zich te nemen, zodat men niet ‘misvormd’ door haat voor de Almachtige hoeft te staan.

Zelfde reden
Is pure naastenliefde wel mogelijk? Het antwoord op deze vraag ligt besloten in de woorden ‘gelijk uzelf’. Om dezelfde reden waarom je van jezelf houdt, moet je een ander liefhebben. Waarom houd je van jezelf? Niet omdat je zo intelligent, geestig of gezellig bent; je houdt van jezelf, omdat je jezelf bent. Op dezelfde wijze moeten wij ook van een ander houden; niet omdat hij zo fantastisch is, niet om zijn fijne eigenschappen maar louter en alleen vanwege het feit, dat hij is. In Pirke Awot (1:12) staat: ‘Wees van de leerlingen van Aharon (de eerste Hogepriester), de vrede liefhebbend en de vrede najagend, de schepselen beminnend en hen naderbij brengend bij de Tora’. Aharon had zijn medemensen lief louter en alleen omdat zij schepselen en ‘maakselen’ van G’d waren. De Ba’al Sjem Tov (1698-1760) vertelde eens, dat de zin ‘Heb uw naaste lief gelijk uzelf’ een verklaring is op het vers (Dewariem 6:5): ‘U moet van de Eeuwige, uw G’d, houden met heel uw hart, heel uw ziel en met alles, waartoe u bij machte bent’. De liefde van de mens voor zijn Schepper komt onder andere tot uiting in liefde voor Zijn schepselen. Men ziet dit ook in de praktijk van het dagelijks leven: houdt men van de vader, dan houdt men ook van zijn kinderen. Als iemand werkelijk op de Vader gesteld is, dan brengt dit meestal met zich mee, dat men ook van Zijn kinderen houdt. Vaak vindt een vader in het feit, dat men op zijn kinderen gesteld is, een bewijs, dat ook hij gewaardeerd wordt’.

Reële verwachtingen
Ondanks de hoge eisen, die het jodendom aan zijn belijders stelt op het gebied van naastenliefde, blijft het jodendom reëel en verwacht men niet het onmogelijke. Ook op het gebied van naastenliefde geldt, dat een hoogverheven stemming niet al te lang kan duren. Vandaar, dat een gulden middenweg gevonden werd tussen het ideale en het reëel haalbare. Dit juiste midden vinden we terug in het gegeven, dat men gemiddeld slechts één-tiende over de verworven inkomsten aan tsedaka ten behoeve van minder vermogenden moet afdragen.

Zwakke afspiegeling
Liefde is de hoeksteen van een positieve wereld. Zonder de banden der liefde, die ouders en kinderen, familieleden en vrienden, leraren en leerlingen aan elkaar binden, zou het leven op aarde ondraaglijk, zo niet onmogelijk zijn geweest. Het vermogen om lief te hebben is een deel van de natuur van de mens; de zorgzame liefde tussen mens en medemens is slechts een zwakke afspiegeling van de hemelse barmhartigheid, die de aarde vult. Mensen verschillen onderling in hun vermogen om lief te hebben. Liefde kent verschillende gradaties, zowel kwalitatief als kwantitatief. Liefde kan hevig en constant zijn maar ook zo vluchtig en mistig als damp. Liefde tussen mensen is onderhevig aan verandering, evenals alle andere menselijke emoties. Een aanvankelijk hevige liefde kan vervlakken of omslaan in haat. Liefde maakt blind en kan misplaatst zijn. Liefde kan zich richten op een onwaardige persoon en voorbijgaan aan mensen, die de liefde meer waard zijn.

De getallenwaarde van de frase ‘Heb uw naaste lief gelijk uzelf, ik ben G’d’, is 907, terwijl de getallenwaarde van ‘weahawta et haSjeem Elokecha’ – Heb G’d lief – eveneens 907 is. Beide zijn even belangrijk en staan in directe relatie tot elkaar.

Reacties zijn gesloten.