ACHAREE MOT (na de dood): Wajikra 16:1 – 18:30 De kohaniem moeten zeer zorgvuldig handelen als ze het Heiligdom betreden en zeker op Jom Kippoer, als de Hogepriester het Allerheiligste betreedt. De offers waren 2 gelijke bokken, waarvan de ene geofferd wordt en de andere, met de zonden van het volk beladen, de woestijn wordt ingestuurd (de zondebok). In de loop van Jom Kippoer moet de Hogepriester zich meerdere keren baden en verkleden. Op Jom Kipoer moet men vasten, geen leer dragen, zich niet wassen, niet zalven en geen huwelijksrelaties hebben. Nogmaals wordt uitvoerig gewaarschuwd voor afgodische praktijken. Vastgesteld wordt waar de offers gebracht moeten worden. Bloed mag men niet consumeren, want dat is met het leven verbonden. Diverse seksuele praktijken worden verboden – het volk moet heilig zijn en mag geen van de gruweldaden doen die in Egypte bedreven worden.
Koheen, 16:1-17. Kohaniem worden gewaarschuwd de Tempel niet onnodig te betreden. De Koheen Gadol vervult alle verplichtingen van Jom Kippoer in de Tempel, met enige assistentie van andere kohaniem. Het Allerheiligste was gevuld met rook van het reukwerk wanneer de Koheen Gadol daar naar binnen ging. De Tempeldienst van Jom Kippoer was complex. In de Moesaf Amida van Jom Kippoer worden de details eveneens beschreven. Levi, 16:18-24. Widoej = zondenbelijdenis over weg te zenden bok.
3e alija, 16:25-34. Opdracht om zich op Jom Kippoer allerlei onthoudingen op te leggen. 4e alija, 17:1-7. Herhaalt het verbod om offers buiten de Tempel te slachten.
► Jodendom is geestelijk groeien. Wordt dit gefaciliteerd door omstandigheden, die onze nesjomme-dikke ontplooiiing bevorderen? Dit lijkt plausibel. Iedereen weet uit ervaring, dat men zich in een bepaalde omgeving spiritueel beter voelt. Dan moet er ook een plaats zijn waar dit makkelijker bereikbaar is dan elders. In de oude tijden was dit het Beet Hamikdasj (tegenwoordig is dat de Sjoel of de Beet Hamidrasj). Succes bij je spirituele zoektocht is in principe overal mogelijk. De hele wereld is immers gevuld met G’ds Majesteit. Toch vormt een centrum van spiritualiteit een extra stimulans. Wil je succes hebben, dan moeten de omstandigheden je helpen.
Misschien is dit ook een uitleg voor een moeilijk te begrijpen voorschrift: ’Iedereen die een dier wil slachten in het kamp of buiten het kamp en dit niet gebracht heeft naar de ingang van de tent der samenkomst om het als een offer voor G’d te brengen, dan moet dit beschouwd worden als bloedvergieten. Hij heeft bloed vergoten en een dergelijke man zal afgesneden worden van zijn volk’ (17:3-4).
► Dit verbod staat bekend als sjechoetee choets – slachten buiten de heilige plaats. Gedurende de veertigjarige omzwervingen door de woestijn mocht er geen hap vlees gegeten worden zonder dat het dier eerst als offer was gebracht. Vleesconsumptie moest worden voorafgegaan door spirituele verheffing. Men mocht alleen vlees van offers eten. Het doden van dieren mag ons niet koud laten. Wat was de achtergrond van deze opdracht? Iets verderop zegt de Tora: ’Ze mogen hun offers niet langer brengen aan demonen die ze achterna lopen. Dit is een eeuwig verbod voor alle generaties’ (17:7). De Tora legt ook uit hoe het vroeger was: ’Opdat de Bnee Jisra’eel hun feestoffers die ze in het open veld plachten te brengen, nu naar de ingang van de tent van samenkomst zullen brengen naar de koheen. Ze zullen ze slachten als feest-vrede-offers voor G’d (17:5).
► Toch blijft moeilijk dat deze wet voor iedereen is gegeven. Waarom kon er geen uitzondering worden gemaakt voor grote geesten, heilige mensen en tsaddikiem? Mensen die op een hoog spiritueel niveau staan kunnen de Sjechina overal voelen. Mystici treffen vaak in zichzelf iets aan wat ze gemeenschappelijk hebben met het G’ddelijke. Zij wenden hun blik naar binnen om te ontdekken dat hun hele wezen correspondeert met G’d. Het is deze verwantschap, die ten grondslag ligt aan het verlangen een verbintenis met het heilige aan te gaan. Mystiek wordt typisch geassocieerd met de ontwikkeling van nesjomme, niet als doel op zich maar als een poging om een volmaakte gelijkenis tussen het eigen wezen en de Ander te ontdekken.
Toch geldt er één wet voor iedereen. Want ook de grootste geesten hebben doorlopend inspiratie nodig. Misschien moet ik het scherper stellen: juist de grootste geesten hebben continu stimulansen nodig om te blijven groeien. Als men eenmaal verheven is boven de massa, menen velen dat ze op hun spirituele lauweren kunnen rusten en verder zelf niet hoeven te groeien. Ze kunnen, zo menen ze, anderen blijven inspireren hoewel ze zelf niet meer groeien. Dit is een denkfout. Ook de meest verheven leiders moeten doorlopend groeien, willen ze anderen kunnen blijven inspireren. Daarom moet iedereen steeds de nabijheid van G’d opzoeken in het Heiligdom, gesteund door de koheen die constant in de Tempel aanwezig is. Alleen dan zal het spirituele leven van het hele volk naar een hoger plan gebracht worden. Doordat G’d oneindig is kan ieder mens op elk niveau steeds meer van dat G’ddelijke proeven en zichzelf en de ander daarmee verheffen. Jodendom is eindeloos stijgen. Maar de omgeving blijft belangrijk.
5e alija, 17:8-18:5. Bloed symboliseert het leven en mag niet gegeten worden. Wanneer men een vogel of een hert slacht, moet men het bloed bedekken met zand, aarde of stof. Bloed van de offers wordt op het altaar gebracht als verzoening. Verbod om heidense gebruiken te imiteren.
6e alija, 18:6-21. Alle verboden huwelijksrelaties worden opgesomd. “Wechai bahem” – wij moeten met de Tora leven.
Kinderen aan de Molech offeren is verboden. 7e alija, 18:22-18:30. Wij moeten verder heilig zijn door ons af te wenden van alle vormen van ontucht door ethisch te leven
► Incest werd verboden. Bekend is uit de psychologie tot welke zieleschade deze verboden relaties kunnen leiden. Naar het waarom van dit verbod, zegt Nachmanides, kunnen we alleen maar gissen. Anderen wijzen op de negatieve genetische gevolgen. Volgens ibn Ezra is samenleving in de ogen van G’d een verachtelijke handeling maar anderen stellen juist dat dit tot de hoogste kedoesja (heiligheid) leidt. Er komt hierdoor immers een nieuwe nesjomme (ziel) op aarde. Vlak voor de verboden relaties zegt de Tora: ‘Mijn sociale opdrachten moeten jullie uitvoeren en Mijn onbegrijpelijke wetten moeten jullie in acht nemen om daarin te gaan, ik ben jullie G’d (18:4)’. De kabbalist Rabbi Chaim ibn Attar stelt hierbij de volgende vragen: dit vers vormt de inleiding op het verbod van incest. Waarom wordt dan onderscheid gemaakt tussen sociale en onbegrijpelijke voorschriften? En wat betekent:‘om daarin te gaan’? En waarom wordt de G’dsnaam zo uitdrukkelijk vermeld in deze Pasoek?
Hoewel wij iedere vorm van ontucht moeten mijden, verbiedt de Tora seksueel contact niet. Men zou misschien een kluizenaarsleven willen leiden maar dat is niet wat de Talmoedgeleerden voor ogen stond. Onze Wijzen zeggen dat de mens midden in de maatschappij moet staan en het aardse moet verheffen. Door zich af te sluiten van het gewone leven, negeert men dit en doet men dit tekort. Door er op een koosjere manier aan mee te doen, kan men al het aardse sublimeren en richten op het Hogere. Op een juiste, religieuze wijze te eten op de dag voor Jom Kippoer getuigt van meer `kedoesja-kracht’ dan het vasten op de Grote Verzoendag. Daarom wordt hier allereerst vermeld: ‘Mijn sociale voorschriften moeten jullie uitvoeren’. In de context bezien, betekent dit, dat men moet trouwen. Maar ‘desondanks heb ik jullie een aantal huwelijkswetten voorgeschreven, die niet altijd te begrijpen zijn’.
Door ontucht te mijden raakt men minder gericht op het aardse en directe lustbevrediging. Als men toegeeft aan incestueuze relaties creëert dat een psychische vunzigheid (toema) die de hele persoonlijkheid doordringt. Ook al doet men ook positieve dingen en houdt men zich verder aan de Tora, zegt G’d over een incestueuze verkrachter: ‘Tegen de slechtaard zegt G’d: wat moet jij mijn wetten tellen?’ (Psalmen 50:16). G’d wil alleen mitsvot die in heiligheid worden uitgevoerd.
Wanneer men psychisch in staat is om zich in te houden, zich tot het positieve en heilige te wenden, volgt de rest van het lichaam vanzelf. Onze Wijzen vertellen (Vajikra Rabba 35:1) dat koning David vanzelf naar het Beet Midrasj (de leerschool) ging. Omdat hij zo gericht was op kedoesja en dit zo belangrijk was in zijn leven, ging het allemaal vanzelf. Verlangen naar het G’ddelijke werd zijn tweede natuur. Vanzelf had hij geen behoefte aan allerlei lage driften. Dit is de betekenis van: ‘om daarin te gaan’. Hij ging vanzelf.
Maar er is nog een diepere betekenislaag. ‘Om daarin te gaan’ betekent dat men voortdurend in de Tora moet doorgaan en groeien. Naar aanleiding van een uitspraak van de profeet (Ezechiel 33:12) stellen onze Chagamiem (Wijzen) dat, wanneer men een heel leven deugdzaam is geweest, maar toch op het einde van het leven de fout ingaat, dit een ernstig obstakel vormt in de spirituele groei richting de Olam Haba (het Hiernamaals). Men moet blijven gaan. Anders wordt de spirituele reis naar Boven ernstig verstoord. Het vorige en komende leven vormt een continuüm.
De derde achtergrond is de gedachte dat wij onze spirituele beloning niet uitgekeerd moeten willen krijgen in deze materiële wereld. Het mooiste zou zijn als men alle ge- en verboden Lesjeem Sjamajiem (belangeloos, voor G’d) uitvoert. Men moet er in doorgaan en de spirituele verdiensten meenemen op zijn reis naar het Echte Leven.
Een kabbalistische verklaring wordt toegeschreven aan Rabbi Sjimon bar Jochai. Hij stelt dat de 248 ledematen van de mens en zijn 365 pezen, staan tegenover de 248 geboden en de 365 verboden uit de Tora. Wanneer een mens een Mitsva uitvoert, komt de G’dsnaam te rusten op dat lichaamsdeel. Het woord mitsva representeert, via kabbalistische decodering, eigenlijk de vierletterige naam van G’d, het Tetragrammaton. Door het uitvoeren van de mitsvot wordt de mens als het ware een Merkava (instrument) in de handen van Hasjeem. G’d gaat als het ware’in de mens’ en dat betekent:‘om daarin te gaan’. Wie gaat in wie? G’d zegt: “als het ware treed Ik in de mens en vervul daarmee de pasoek ‘Ik zal in jullie wonen’” (Sjemot 25:8).
► Toch nog even enkele Hagada-verklaringen:Seideravond is eigenlijk een herbeleving van de uittocht uit Egypte. Daarom moeten wij ook de hele nacht opblijven: als een soort herhaling van de uittocht uit Egypte. Tot chatsot (middernacht) waren de Joden bezig met de beriet mila –de besnijdenis en het offeren van het Pesach-lam. Na middernacht bereidden zij zich voor op de grote reis. Teneinde de Seideravond ook dit jaar tot een verfrissende ervaring te maken, behandel ik hieronder enkele stukjes uit de Hagada – naar nieuwe inzichten.
►“Ik ben als iemand van 70 jaar”
Maimonides (1135-1204) legt uit, dat Rabbi Elazar ben Azarja eigenlijk achttien jaar oud was. Hij leerde echter zoveel en zo intens – dag en nacht – dat hij verzwakte en grijs haar kreeg. Deze verklaring is moeilijk te begrijpen omdat de Talmoed (B.T. Berachot 28) expliciet uitlegt, dat Rabbi Elazar ben Azarja op de dag dat hij aangesteld werd tot voorzitter van het Sanhedrien achttien jaar oud was en er een wonder gebeurde dat hij overnacht grijs werd. Hij werd volgens de Talmoed dus niet grijs omdat hij zich “overwerkt” had in Tora-leren.
Chatam Sofeer (18e eeuw, Hongarije) legt uit, dat het inderdaad kan gebeuren, dat men grijs wordt als men zich erg inspant bij het Tora leren. Niettemin zorgt G’d ervoor dat mensen, die werkelijk oprecht lernen, hiervan geen schade zullen ondervinden zoals geschreven staat: “Hij die een mitswa goed in acht neemt, zal geen kwaad ondervinden” (Prediker 8:5). Dezelfde gedachte verwoordt de profeet Jesaja (40:31): “Zij die op G’d hopen, zullen nieuwe kracht krijgen”. De Tora schenkt haar bestudeerders leven, kracht, jeugd en inspiratie. Maar dit blijft een wonder. Toen de tijd aanbrak, dat Rabbi Elazar ben Azarja het hoofd van de Jesjiewa zou worden en het voor zijn aanzien beter was dat hij er grijs en wijs uitzag, heeft G’d het beschermende wonder weggenomen zodat de natuur zijn beloop kon nemen en Rabbi Elazar ben Azarja – ondanks zijn jeugdige leeftijd – toch grijs werd.
►“Het is mij niet gelukt te bewijzen dat de uittocht uit Egypte ook ’s nachts moet worden gezegd totdat Ben Zoma het uitlegde”
De Malbiem (20e eeuw) verklaart, dat men de halacha (wet) niet volgens zijn mening wilde vaststellen omdat Rabbi Elazar ben Azarja nog erg jong was. Men veranderde van mening toen men Ben Zoma iets anders hoorde voorleren wat diepe indruk maakte. Ben Zoma zei namelijk in Pirké Awot (4:1): “Wie is wijs? Hij die leert van iedereen!”. Hierdoor stelden de mensen zich open voor zijn grote wijsheid – ondanks zijn jeugdige leeftijd. Daarom waren de luisteraars het eens met Rabbi Elazar ben Azarja hoewel hij nog erg jong was.
►“Opdat u zult herinneren de dag van uw uittocht uit Egypte”
Interessant is, dat wij elke dag twee maal de uittocht uit Egypte herinneren in parsjat tsietsiet – de Tora-afdeling, die spreekt over de tsietsiet – de schouwdraden. De Talmoed (B.T. Sota 17) stelt in naam van Rabbi Meïr: “Waarom werd speciaal de hemelsblauwe kleur bij tsietsiet voorgeschreven en geen andere kleur? Omdat hemelsblauw lijkt op de kleur van de zee. De zee lijkt op de kleur van de Hemel en de Hemel lijkt op de G’ddelijke Troon, zoals geschreven staat (Sjemot 24:10): “En zij zagen de G’d van Israël en onder Zijn voeten was als een werk van het zuiverste saffier en als de kleur van de Hemel, als hij helder is”.
Volgens de Sjieta Mekoebetset werd de herinnering aan de uittocht uit Egypte juist daarom in de afdeling over de tsietsiet geplaatst omdat hemelsblauw op de zee lijkt en G’d vanaf Zijn Hemelse Troon vele grote wonderen bij de zee heeft verricht tijdens de uittocht uit Egypte.
Bovendien doen veel aspecten van de tsietsiet ons aan de uittocht uit Egypte herinneren: de tsietsiet moeten gemaakt worden àl kanfot bigdehem – aan de hoeken van de kleren. Kanfot – hoeken betekent in het Hebreeuws ook vleugels. Dit herinnert ons aan het feit dat G’d ons als op arendsvleugelen uit Egypte voerde. Tsietsiet moeten gemaakt worden op de vier hoeken van de kleren tegenover de vier uitdrukkingen van bevrijding uit Egypte. Er moet een hemelsblauwe draad aan bevestigd worden met het oog op de tiende plaag, de sterfte van de eerstgeborenen, omdat het woord techelet (Hemelsblauw) in het Hebreeuws lijkt op het effect van de tiende plaag. De kleur techelet lijkt eveneens op de Hemel tegen de avond, het moment waarop Joden hun Pesach-offers slachtten, hetgeen de inleiding vormde op de uittocht uit Egypte. De tsietsiet zijn acht draden tegenover de acht dagen, die het duurde totdat het volk het `lied bij de zee’ aanhief – als teken van de uiteindelijke daadwerkelijke verlossing.
Rasji-verklaringen zijn gebaseerd op de uitleg van Rav Avigdor Bonchek. De overige zijn gebaseerd op Otsar Hatora.
Sjabbat Sjalom
