Parsja Sjemini

Sjemini – de 8e dag. Op de achtste dag van de inwijding van de Tabernakel verschijnt G’ds Majesteit. Hemels vuur verteert het offer. Twee zonen van Aharon brengen vreemd vuur. HaSjeem (G’d) treft hen. Bedwelmende drank is verboden voor dienstdoende kohaniem (priesters). Dieren met gespleten hoeven, die bovendien herkauwen, zijn rein. Vissen moeten vinnen en schubben hebben. 24 soorten vogels worden verboden. Van insecten mag men slechts 4 soorten sprinkhanen eten. Koheen, 9:1-16. Aharon brengt een kalf als zondoffer en een ram als ola = brandoffer.

Levi, 9:17-23. Na enkele details van het mincha = meeloffer en de vredeoffers, hief Aharon zijn handen op en doechende = zegende hij het volk.

De Midrasj verklaart, dat hoewel G’ds vuur afdaalde op het altaar, de offers niet perfect waren omdat de afgodische offers – die in die tijd bijzonder veel gebracht werden – een ‘stoorzender’ vormden. Dit laat zien hoeveel invloed ook tekortkomingen van mensen, waar we niets mee te maken hebben, uitoefenen op de zuiverheid van ons gedrag en onze intenties.

3e alija, 9:24-10:11. Een Hemels vuur daalde af om de offers te verteren. Nadav en Avihoe brachten vreemd vuur. G’ds vuur verteerde Nadav en Avihoe van binnen. Aharon zwijgt. Twee neven verwijderen de lichamelijke overschotten. Kohaniem mogen geen lang haar of gescheurde kleren dragen. Tijdens de dienst mochten zij het Misjkan niet verlaten. Dronkenschap is uit den boze.

Iedereen heeft de macht en de kracht om het G’ddelijke licht in deze wereld te brengen of door een chiloel Hasjeem, ontwijding van G’ds Naam, G’ds lichtende aanwezigheid, te verminderen. Kiddoesj Hasjeem is daar waar men mitsvot met grote opofferingsgezindheid vervult. De mitsva dient als middel om G’ds aanwezigheid in ons midden te openbaren.

Passieve kiddoesj Hasjeem
Er bestaat ook een passieve vorm van kiddoesj Hasjeem. Toen Aharons zonen Nadav en Avihoe stierven zei G’d: “bikrovai ekadeesj – door degenen die Mij nabij zijn word Ik geheiligd”. Nadav en Avihoe werden verteerd door een Hemels vuur bij de inwijding van de Misjkan (Tabernakel). Wat ze nou precies misdeden is niet zo duidelijk. Hun heiligheid was zo groot dat ze zelfs boven Mosje en Aharon stonden. Nadav en Avihoe, en niet Mosje en Aharon, werden gekozen om kedosjiem, heiligen, te zijn. Hoe moeilijk dit misschien ook te begrijpen is, toch geldt, dat G’d verheven en ontzagwekkend wordt wanneer Hij Zijn tsaddikiem (heilgen) kastijdt. Door het ondergaan van de G’ddelijke straf worden zij instrumenten in de heiliging van G’ds Naam. Er bestaan verschillende types van kiddoesj Hasjeem. Wanneer iemand G’ds Naam heeft ontwijdt kan dit alleen door de dood worden vergeven. Hij heeft hoogmoedig zijn hand opgeheven tegen G’d en alleen wanneer hij tot niets vergaat, is het juiste perspectief hersteld.

In de Talmoed staat: `Elke knie zal voor U buigen: dit is de dag van de dood’. In de dood zagen onze Wijzen het ultieme buigen voor de Almachtige. ‘s Mensens sterfelijkheid is G’ds Eeuwigheid, hun vergaan G’ds onveranderlijkheid. Onze tijdelijkheid komt in de dood naar voren. Wanneer men kaddiesj zegt na een overlijden brengt deze intieme ontmoeting met de dood de mens dichterbij het gevoel dat deze wereld door G’d geschapen is en in overeenstemming met Zijn Wil wordt geregeerd. De nabestaanden benadrukken in kaddiesj hun nederigheid en G’ds Eeuwige Heiligheid. Als dit overlijden anderen dichter bij G’ds Almacht brengt is dat een grote verdienste voor de overledene.

“Bikrovai ekadeesj” wordt zichtbaar voor de hele mensheid. Helaas niet uit vrije wil maar gedwongen werden wij onderworpen aan G’ds heerschappij. Dit omvat iedereen, van de heiligste tot de meest onschuldige. Onze opdracht is niet onszelf te verdedigen of te wreken. Wij zijn de generatie die gezien heeft wat “bikrovai ekadeesj” betekent. Als wij hiervan niets leren, dan maakt het inderdaad niets meer uit. Dan was het allemaal voor niets. Wij moeten hier iets van leren, wij hebben iets geleerd, aldus Rav Lopianski. Het Jodendom is sterker dan ooit tevoren.

4e alija, 10:12-15. Mosje draagt Aharon, Elazar en Itamar op om van de offers te eten.

5e alija, 10:16-20. Mosje wordt kwaad omdat ze niet van de offers aten. Aharon verdedigt zijn zoons door op hun treurende status te wijzen.

6e alija, 11:1-32. Reine en onreine dieren met namen en/of kenmerken.

Sjemini behandelt de koosjere dieren. De gecompliceerde Joodse spijswetten zorgen ervoor dat de voedselproductie in principe niet aan leken overgelaten kan worden. Voor een aantal basisproducten zoals kaas, vlees en brood geldt in ieder geval dat deze alleen ritueel bereid mogen worden. Er bestaan echter een aantal oplossingen waardoor de voedselbereiding toch, tot op bepaalde hoogte, uit handen gegeven kan worden aan mensen die niet thuis zijn in de spijswetten.

Een koosjer-certificaat (Hebreeuws: hechsjer) geeft aan dat een bepaald product koosjer is. Door het product van een certificaat, stempel of zegel te voorzien, weet de consument dat een bepaald product in orde is. De Joodse wet schrijft voor dat sommige producten wanneer zij aan het oog ontrokken worden – bijvoorbeeld door transport – ter identificatie van een stempel of ander herkenningsteken worden voorzien. Dit dient om ongelukken of fraude te voorkomen. Het gaat hierbij om producten waarbij met het blote oog niet kan worden gezien dat ze koosjer zijn.

Op Pesach worden vanwege de extra strenge kasjroeteisen veel meer producten van een zegel voorzien. Dan gelden zeer strenge bepalingen met betrekking tot de consumptie van meelproducten of toevoegingen hiervan aan andere producten.

In de Talmoed vinden we dat onder andere melk, vlees, vis, brood, wijn en kaas van een zegel moeten worden voorzien. Deze teksten geven aan dat het koosjer-certificaat al in de derde eeuw na in gebruik was. Maar er zijn aanwijzingen dat men al veel eerder bepaalde producten van zegels voorzag. De Talmoed beschrijft het wonder op Chanoeka met het kruikje olie dat acht dagen brandde in plaats van een dag. Het kruikje was voorzien van een zegel van de Hogepriester om aan te geven dat de olie rein was. Het was dus al in de tweede eeuw voor de jaartelling – Chanoeka speelde in 164 voor – gebruikelijk om bepaalde producten van kasjroetzegels te voorzien. Een geleerde had een andere originele manier om aan te geven dat zijn vis koosjer was wanneer hij deze verzond: hij had de gewoonte om deze in kleine driehoekjes te snijden. Zo was het voor de ontvanger herkenbaar, dat de vis van hem afkomstig was.

Etenswaren worden nu voornamelijk in fabrieken vervaar¬digd. Doordat steeds minder zelf wordt gemaakt staat het uiteindelijke eindproduct ver af van de grondstoffen. Het hele productieproces is dus veel langer en ondoorzichtiger geworden. Voor de spijswetten betekent dit dat er ook veel meer kan misgaan.

Ook de samenstelling van ons voedsel heeft ingrijpende veranderingen ondergaan. Kleurstoffen, conserveringsmiddelen en vitaminen zijn de bekendste voorbeelden. Maar wat te denken van geleermiddelen, zuurteregelaars, antischuimmiddelen, glansmiddelen of smeltzouten? Al deze stoffen kunnen voor de Joodse wet problematisch zijn. De technologische ontwikkelingen vinden eveneens hun toepassingen in de voedselindustrie. Nieuwe technieken als genenmanipulatie en biotechnologie maken het mogelijk om allerlei stoffen voor de voedselindustrie uit enzymen, cellen of micro-organismen te halen. Ook is het mogelijk om via ingewikkelde chemische processen natuurlijke stoffen na te maken. Al deze technieken compliceren het toezicht op de productieketen.

Er bestaan wat dit betreft verschillende gradaties van toezicht: permanent en steekproefsgewijs. Bij permanent toezicht is de toezichthouder voortdurend aanwezig en voert hij soms tijdens de handelingen een controle uit. Bij toezicht dat steekproefsgewijs wordt gedaan, voert de toezichthouder alleen op bepaalde, onaangekondigde tijdstippen een controle uit.

Om tegenwoordig een uitspraak te kunnen doen of een bepaald product koosjer is, zal men allereerst het gehele productieproces tot in de kleinste details moeten onderzoeken. Kennis van techniek en wetenschap is onontbeerlijk. Wanneer eenmaal vastgesteld is dat een bepaald product aan de voorwaarden voldoet, kan het in principe gegeten worden. Wel moeten er af en toe controles worden uitgevoerd, om er zeker van te zijn dat er niet gefraudeerd wordt en dat zich geen veranderingen in het productieproces hebben voorgedaan.

7e alija, 11:33-47. Vissen moeten ‘vin en schub in het water’ hebben.

“Weest heilig, want Ik ben heilig”. (Wajikra 11: 45) vormt de slotzin van de kasjroetwetgeving. Wat betekent eigenlijk de term heiligheid? Heilig kan twee dingen betekenen: verheven – in de zin van enigszins hoger staan dan het alledaagse aardse. Bovendien duidt het op volledig – heilig en heel, in psychologische termen; een geïntegreerde persoonlijkheid.

Vaak zijn wij uit balans: te veel hellen wij over naar de profane kant van het leven. Er ontstaat dan een dubbele moraal. In de materiële sfeer kan men niet genoeg krijgen, terwijl men zich al tevredenstelt met een absoluut minimum aan Joods leven. Zo heeft men zich dienstbaar gemaakt aan de economische machine die de eigen handen hebben opgebouwd. Men bekommert zich meer om efficiency en succes dan om de groei en ontplooiing van zijn geestelijk leven. Bij deze handelsinstelling verliest de mens zijn identiteit; hij raakt van zichzelf vervreemd, leidt een gespleten en ongeïntegreerd leven; het omgekeerde van heiligheid in de zin van volledigheid. Zo worden idealen slechts beleden maar niet nagestreefd. Een religie belijden betekent nog niet dat men een religieus waardevol leven leidt.

Wil een dier koosjer zijn, dan moet het allereerst hoeven hebben. Hoeven duiden op onze houding tegenover het materiële. We moeten er enigszins boven staan, het relatieve ervan inzien. We staan met onze beide benen op de grond. Prima! Als het ook daarbij blijft. Heiligheid is ver te zoeken als ook ons hoofd volledig geabsorbeerd wordt door het aardse.

De hoeven moeten gespleten zijn – we moeten selectief zijn. Met de rechterhand moeten wij de medemens naar de Tora brengen, met de linkerhand compromissen verwerpen. Onze Jodendomsbeleving mag door contacten met de buitenwereld, waar heel andere waarden leven, niet verwateren. Het dier moet zijn voedsel herkauwen – wij moeten herkauwen. Voordat we ons storten in de ‘struggle for life’ dienen wij goed bij onszelf na te gaan of ons Jodendom niet in gevaar komt. Hebben we eenmaal een beroep of zaak, dan dienen wij bij iedere tijdsbesteding onszelf af te vragen of hier geen andere invulling meer passend zou zijn geweest. Een uur overwerken of een uur Tora leren. Een nieuwe auto of meer liefdadigheid. Daarnaast is sjechieta vereist. Slachten verwijdert de dierlijke levenskracht. Vaak zien wij ons in zaken geplaatst voor de morele keus: handelen als een ‘Mensch’ en volledig eerlijk zijn of toegeven aan winstbejag. Vervolgens wordt het vlees in water geweekt, gezouten en afgespoeld. Pas dan is het echt koosjer: wij moeten onze materiële aspiraties weken in het water van Tora-leren en intensief gebed.Vervolgens wordt het gezouten om het bloed te verwijderen. Zelfs de geringste spoortjes van ons warmbloedige enthousiasme voor het materiële moeten wij sublimeren. En dan pas is het koosjer – maar nog niet kadosj – heilig, want de mens die al deze verheven gedachten kan waarmaken, zou zich op een bepaald moment zelfvoldaan kunnen voelen en arrogant worden. Hij zou wellicht zeggen: ‘kijk hoe vroom ik ben, ik ben waarlijk een heilige’. Daarom eist de Joodse wet dat het vlees nogmaals wordt afgespoeld na het zouten. Geen spoor van deze spirituele verheffing hoeft naar buiten te treden; hoogmoed en inbeelding zijn de ware vrome vreemd. Dit is nu vanuit de chassidische optiek het verbond tussen heiligheid en de spijswetten.

Rabbiner S.R. Hirsch gaat in eerste instantie in op het verschil tussen mens en dier. Fysiek gesproken kan men stellen dat de mens een ‘sophisticated’ dier is. Het verschil ligt op het geestelijk vlak. De mens is in essentie een moreel wezen. Dieren denken niet na over pro’s en contra’s in morele zin. Op zedelijk terrein is de mens alleenheerser. Wanneer de grens tussen mens en dier dreigt te vervagen, waarschuwt de Tora ons en maant zij tot voorzichtigheid. De mens moet er zorg voor dragen dat moraliteit en spiritualiteit in denken, spreken en handelen de boventoon blijven voeren. De balans tussen hoger en lager in de mens is zeer delicaat. Volgens de Tora heeft de mens van nature vele dierlijke aspecten in zich. De vraag is hoe de mens ervoor kan waken dat het geestelijke de leidraad blijft bij zijn levensbeslissingen. Het dierlijke in de mens is niet per definitie slecht maar dient wel zorgvuldig in goede banen geleid te worden. Rabbiner Hirsch omschrijft het begrip heiligheid met een iets andere nuance. Heiligheid betekent openstaan voor het G’ddelijke in de wereld, G’d binnenlaten in het privé-leven, zelfs in de meest intieme aangelegenheden. De mens moet dus een sfeer creëren waarin dit mogelijk wordt. Zoogdieren, die zowel herkauwen als gespleten hoeven hebben, behoren tot de meer passieve diersoorten, eten geen vlees maar zijn herbivoren (planteneters). Wat doet een koe – als prototype van het koosjere dier – de hele dag? Kauwen en herkauwen. Koeien maken een weinig actieve indruk, zijn niet wild, doden geen andere dieren en zijn een toonbeeld van passiviteit. Het typisch dierlijk instinct lijkt bij de koe weinig tot ontwikkeling te zijn gekomen. De bouw van de poot is niet geschikt om te doden.

Reacties zijn gesloten.